92, en nog steeds verliefd

Leo Vroman
Nee, nog niet dood
Querido, 107 blz., € 16,95

Het is een toekomst om bij voorbaat jaloers op te zijn: de 92 al gepasseerd, geen grote lichamelijke gebreken, je handen staan het schrijven nog toe, het wereldnieuws beroert je, en vooral, je hebt je geliefde nog altijd naast je.

Leo Vroman is dat geluk ten deel gevallen. Zijn laatste bundel mag dan wat ironisch de titel Nee, nog niet dood hebben gekregen, een somber of klagerig boek is het allerminst. Eigenlijk toont Vroman zich in deze gedichten vooral een vrolijke wetenschapper met de dood als onderzoeksobject. De dood wordt van vele kanten bekeken, wordt nieuwsgierig bevoeld en beklopt en hier en daar diepgaander ondervraagd. ‘Kan straks iets van mij ontdekken/ dat ik geheel gestorven ben’. Overwogen wordt wie van de geliefden het beste eerst zou kunnen sterven en hoe het zou kunnen zijn na de dood: ergens stelt Vroman zich voor terug te keren als gras zodat hij, eenmaal opgegeten, een koe van binnen kan aaien. Het aardige is dat de kleine en grote vragen die hij opwerpt, de gedachte-experimenten die hij begint, ook worden afgemaakt. Het naderende einde treedt Vroman in deze gedichten met open vizier tegemoet: ‘Mijn dood zal sterven met mijn dood,/ dus wat hindert het?’

Vroman heeft een nuchtere kijk op zijn ‘aanstaande nabestaan’ en zo hij daar nog iets beangstigends in kan ontdekken, bezweert hij die angst bijvoorbeeld met verkleinwoorden, en lezen we over ‘Voetnootjes bij de dood’ of het ‘kronkeldoodje’ van een mier. En ook in deze bundel zoekt hij steun bij zijn ‘Systeem’, een eigen gecreëerd soort god, die hij aanroept in ‘Psalmen’.

Over de vorm van zijn poëzie lijkt Vroman zich niet al te veel te bekommeren. Hij gebruikt rijm en nu en dan een sonnet, maar als hem even geen geschikt (rijm)woord te binnen schiet, zegt hij dat met zoveel woorden, en hij durft gerust met stoplappen als ‘kwantum niveau’ / ‘het leven of zo’ te komen. Die nonchalante omgang met taal kan soms een wat flauw effect hebben, maar storen doet het maar een enkele keer. Dat komt misschien doordat dat haastige schrijven de inhoud eens te meer ondersteunt: ‘What word next, buying, flying? I have no time for it’. Er is geen tijd te verliezen, de dingen moeten gezegd voor het niet meer kan.

Toch wekt hij nergens de indruk in reservetijd te leven en gaat in huize Vroman te Texas het dagelijkse leven zijn gewone gang: ‘Het is weer maandag vandaag./ We hebben het bed afgehaald,/ weer een zakdoekje gevonden,// ik vraag “Koffie?”, zij zegt weer “Graag”,/ en ik denk weer “Dit is bepaald/ alweer niet mijn laatste seconde”.’ Sterker nog, hij realiseert zich dat ook hij, net als zijn buren, even zo goed de honderd kan halen. Zonder schroom beschrijft de dichter zijn gang naar het bad en zijn lichaam voor de spiegel. Dat maakt dat Nee, nog niet dood behalve als exercitie naar de toekomstige onstoffelijkheid ook te lezen is als klein onderzoek naar de stoffelijkheid, en vooral naar de billen. Die komen ontelbare malen voorbij. Want een van de vragen die Vroman op zijn 92ste heeft, is deze: ‘Maar wat mijn ballen en billen/ toch eigenlijk van mij willen/ dat vraag ik mij nu nog af.’

Wat blijft erover als de dichter is gestorven? Zijn poëzie? Vroman schreef een gedicht bij het vernietigen van vierhonderd exemplaren van Tweede verschiet, een bundel uit 2003. De openingsregels daarvan parodiëren zijn eigen klassieker Vrede: ‘Wordt vannacht weer honderd pond/ van mijn boeken fijngemalen’.

Maar zelfs bij het voor een schrijver treurige vooruitzicht dat zijn woorden tot pap worden vermalen, blijft Vroman verliefd op het leven.