A. alberts/elke afvaart verbergt een uitvaart

Eindelijk erkenning voor de auteur A. Alberts. Op 22 mei kreeg hij de P. C. Hooftprijs uitgereikt. Yves van Kempen over de reiziger en literator, Wouter Gortzak over de collega en journalist.
IN ‘UITREIS’, het eerste verhaal uit de bundel Namen noemen (1962, later herdukt als In en uit het paradijs getild), beschrijft A. Alberts zijn vertrek naar Sabang in het toenmalige Nederlands-Indie. In de openingsscene zit de ambtenaar Alberts in een voorzaaltje van het Noord- en Zuidhollandse koffiehuis tegenover het Amsterdams Centraal Station. Het is woensdag 27 september 1939, half acht in de avond. ‘Het regende niet, maar het had best kunnen regenen.’ De ruimte waarin hij zich bevindt, zou door hemzelf bedacht kunnen zijn: ‘Ik zat met mijn beide koffers in de hoek van het rechter zaaltje vlak bij de ingang en omdat het daar leeg was ging ik eens in het andere zaaltje kijken. Daar was het ook leeg. Ik had een uitsmijter gegeten en een kopje koffie gedronken en ik zou, als ik wilde, aan boord kunnen gaan.’

De hele entourage, de sobere sfeer, het karige maal, de kille omstandigheden maken van dit voorzaaltje de perfecte wachtkamer voor Alberts’ schrijverschap. Als hij er even later uit vertrekt, reist hij niet alleen zijn buitenpost tegemoet, maar ook zijn schrijverschap. Een auteur die karig is met woorden, een voorkeur heeft voor sobere verhaallijnen en zijn personages omringt met zoveel geheimzinnige leegte dat ze voortdurend de volledige aandacht van de lezer vergen.
Dat de titel Namen noemen - wat ook zoveel betekent als bekennen, open kaart spelen - veranderde in een titel met en verwijzing naar het paradijs, zegt voldoende over de bijzondere betekenis van de ervaringen die Alberts aan zijn verblijf aldaar heeft overgehouden. Het gebruik van het woord ‘paradijs’ geeft te denken bij iemand die elke zin lijkt uit te benen en grote woorden spaarzaam in zijn vocabulaire toelaat. Het gaat hier om een gevoel van weemoed. Eenmaal uit dit paradijs getild, bleef er een verlangen dat sluimert in bijna alles wat Alberts heeft geschreven. Nergens omschreef hij het beeldender dan op de eerste pagina’s van De honden jagen niet meer (1979). Hij spreekt daar over de aantrekkingskracht van het noorden, de bladstille, bevroren vlakte met het heldere licht, de open plek, het daarginds, de leegte. Dat is een niet weg te denken coordinaat in al zijn boeken, waarin het reizen een overheersende rol speelt.
EEN ANDERE CRUCIALE ervaring is verbonden met de herinnering aan een traditie die in Europa als gevolg van de modernisering aan het verdwijnen was: de kunst van het vertellen. In zijn Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (1986) beschrijft Alberts hoe het toeging op de voorgalerijen van de tropische woningen: 'In de vooroorlogse Indische maatschappij behoorde het tot de goede gewoonte elkaar verhalen te vertellen over wat men op andere standplaatsen had meegemaakt. En aangezien de ambtenaarsbevolking wegens regelmatige overplaatsingen nogal vlottende was, kon er soms heel wat op de plank komen. Maar niemand heeft zelfs in zijn stoutste droom of zijn ergste nachtmerrie kunnen voorzien dat plotse ling honderden en honderden ambtenaren bij elkaar werden gesmeten en maar moesten zien hoe ze hun zinnen konden verzetten. Door verhalen.’
Door de Japanse bezetting en komst van de kampen kreeg het vertellen er nog een dimensie bij - het werd een manier van overleven. Met verhalen werd honger bestreden. En zelfs de dood. Alberts had in het kamp malaria opgelopen en balanceerde drie dagen op de rand van de dood. Maar hij 'werd gered, letterlijk op het allerlaatst, door een dokter, die me in de hartstreek een van zijn restanten van wat voor medicijn dan ook inspoot. Een wonderlijk gevoel, ineens weer te leven. De dokter zei naderhand: “Ja, ik heb het maar gedaan, want u heeft zo'n aardig verhaal verteld over de Parijse revolutie van 1848 en hoe de kleine kroonprins zijn moeder en schoentjes kwijt raakte.” Waar verhalen al niet goed voor zijn.’
Vertellen om aan de dood te ontsnappen, schrijven om niet te sterven, dat is een drang zo oud als de taal zelf. Het is niet ondenkbaar dat hier een motief voor Alberts’ auteurschap ligt. En wellicht heeft de nabij heid van de dood - de dood met zijn soevereine gebaar en zijn prominente plek in de herinnering van ieder mens - de leegte doen ontstaan van waaruit wordt verteld. In elk geval is de dood in al zijn 'reisboeken’ zeer prominent aanwezig.
A. ALBERTS debuteerde op 41-jarige leeftijd met De eilanden (1952), samen met De vergaderzaal (1974) vermoedelijk zijn bekendste en meest gelauwerde boek. Het is een lofzang in elf verhalen op de mysterieuze en betoverende sfeer van een archipel die zich ergens op de grens van tijd en eeuwigheid bevindt. Natuurlijk gaat de bundel over het voormalig Nederlands-Indie en over zijn ervaringen aldaar tussen 1939 en 1947. Toch heeft hij geen aandacht voor de gruwelijke actualiteit van toen, de verhalen brengen iets anders in het geding: de mythische aspecten van de werkelijkheid om hem heen. Hij ontdekt er een besloten universum waarin voor gepsychologiseer geen plaats is. De dingen zijn zoals ze zijn en hoeven niet verklaard te worden. Het geloof in bovennatuurlijke krachten, in lot en noodlot liggen er even vast als gevoelens van haat en liefde. Zijn verhalen nemen geschiedenissen in zich op waarin het taaleigen van de anonieme vertellers nog doorklinkt, sprookjes bijvoorbeeld, legenden, overleveringen, apocriefe en familieverhalen. Al in zijn eerste bundel bleek de volledige Alberts aanwezig. In zijn vocabulaire, zijn afkeer van psychologische contructies, zijn vage typeringen als het om ruimte- en tijdsbepalingen gaat, zijn neiging om geen namen te noemen en liever te spreken van 'de gezagvoerder’, 'de passagier’, 'de zee’, of 'daarginds’, is hij een schrijversleven lang trouw gebleven aan de orale verteltraditie.
De verteller en hoofdpersoon van De eilanden is iemand die zich al reizend toegang verschaft tot een nieuwe wereld. Deze reiziger is de eerste in een rij van velen. In Alberts’ verhalen en romans zijn heel wat mensen onderweg: vluchters, gezagvoerders, passanten en passagiers. Ontheemd en vervreemd omdat ze niet meer kunnen aarden in de tijd waarin ze leven. Wietze, de hoofdpersoon uit De honden jagen niet meer, is er zo een, en Dom Mateus in Het zand voor de kust van Aveiro (1982). Anderen zoals Pieter uit De vrouw met de parasol (1991) worden er door de omstandigheden uitgegooid. Hun reizen is een vorm van verdwijnen, ook uit het boek trouwens. Elke afvaart verbergt een uitvaart. Ze krijgen voornamelijk gestalte door wat de achterblijvers over hen mededelen. Hun aanwezigheid is vooral een er niet meer zijn, een leegte want 'elke keer als ze van daarginds komen, hebben ze iets achter gelaten. Niet verloren, maar achtergelaten. En op het eind zijn ze niet zoveel meer dan een leeg mens, die zich alleen nog maar afvraagt wat er van hem achter de horizon bestaat.’ Stukje bij beetje gaan ze dood, leggen ze hun ambities, verplichtingen en tekortkomingen af.
Deze betekenisvolle woorden vormen een terloops terzijde, zoals vaak bij Alberts. Ze staan in verband met Wietze, de gezagvoerder, een uiterst gesloten man die al een tijd op Brazilie reist. Ooit voer hij samen met zijn vrouw op het noorden en was hij zijn eigen baas. Nu vaart hij in loondienst. De samenleving moderniseert en de marktmechanismen versnellen de maatschappelijke desorientatie. Overal ontstaan openingen in de eens zo besloten wereld, en in het schippersgezin gebeurt hetzelfde. Zijn regelmatige afwezigheid van huis en haard maakt Wietze steeds meer tot een vreemdeling in eigen kring. Na een aanvaring blijft hij voorgoed weg. Zijn zoon haalt hem doodziek naar huis terug.
DE NIEUWE TIJD maakt dan wel ziek maar een terugkeer naar het verleden is niet mogelijk. De Portugese bankier Mateus Vincente, de passagier, zal dat ervaren na een lange zakenreis van Portugal via Brazilie naar Mozambique, en weer terug. Na zijn vertrek uit Aveiro ontdekt hij dat de kaarten in Europa inmiddels anders liggen. De rol van Portugal is uitgespeeld, zijn missie - diamanten halen voor de koningin - is dan ook tot mislukken gedoemd. De kostbaarheden zijn ineens in handen van de Engelsen. Hij kan zijn reis niet afbreken en teruggaan, dat zou het einde van zijn firma betekenen. Daardoor wordt zijn zakenreis een jarenlange zwerftocht tot in Mozambique, waar hem een huis en een vrouw in het vooruitzicht zijn gesteld. Voordat hij zijn opwachting kan maken, moet hij zijn aanbevelingsbrief tonen. Hij neemt plaats in het wachtlokaal waar tevens wat soldaten zijn verzameld. Dan wordt een angstig vermoeden bewaarheid: de wachtkamer blijkt een dodenkamer, zijn bruid is de dood. Dat hij (net als Alberts ooit in het kamp) uiteindelijk weet te ontglippen, wil nog niet zeggen dat hij ook ontkomt. Terug in Aveiro komt hij in een wereld terecht die hem volkomen vreemd is.
We mogen aannemen dat hem nog enig geluk, of tenminste enige rust wacht, meldt de flaptekst. Dat geluk is Aafje, Pieters echtgenote en de 'vrouw met de parasol’, niet beschoren. Wanneer ze na een reis die via Parijs naar Londen voerde, in zwaar weer van Harwich naar Hoek van Holland vaart, vergaat het schip: 'Ze zag ineens uit het water een paar gedaanten komen. Ze hoorde de vrouwen schreeuwen. Ze kon zelfs iets verstaan: mein Fusz! De gedaanten verdwenen met de vrouwen. Ze dacht dat ze een man hoorde schreeuwen, dat ze zouden komen. Het grote scherm kwam terug, sloeg over haar heen en verdween. Het kwam weer op, sloeg over haar heen en verdween, het sloeg over haar heen en verdween. Toen de gedaanten terugkwamen, was ze er niet meer. Stil.’ Als het erop aankomt, is er geen helpende hand in de buurt.