A.j. dunning cardioloog/schrijver

‘IK DENK DAT veel mensen talenten hebben, maar dat het een kwestie van geluk is of die talenten ook tot ontwikkeling komen. De Fransen zeggen dat je in je leven een bon patron moet tegenkomen, een goede baas die je stimuleert en kansen biedt. Ik heb geboft. Zowel hier als in de Verenigde Staten heb ik zo'n bon patron gehad. De cardiologie heeft zich in die tijd geweldig ontwikkeld. We kregen te maken met fenomenen als hartbewaking, hartchirurgie, pacemakers, noem maar op. Never a dull moment, en dus een goed moment om in dat vak te stappen. Natuurlijk moet je een talent hebben om onderzoek te doen, ideeën uit te werken en in de patiëntenzorg grenzen te verleggen. Zonder kansen had ik dat talent niet ontwikkeld.

Voor het overige ben ik een gewoon burgermannetje. In mijn medische carrière heb ik alle rangen doorlopen, van jongste bediende tot chef. Zo is het in de schrijverij ook gegaan: van de schoolkrant tot drie boeken bij Meulenhoff. Toen ik me specialiseerde, was het schrijven natuurlijk gericht op wetenschappelijke publicaties, proefschriften, leerboeken. Daarvan heb ik er een behoorlijk aantal op mijn naam staan.
Het tragische daarvan is dat zo'n publicatie na vier, vijf jaar geheel verouderd is. De helft van je wetenschappelijke werk wordt naamloos ingemetseld en verdwijnt. Vroeger, als iemand iets ontdekte, een speekselklier bijvoorbeeld, dan werd zo'n klier naar de ontdekker genoemd. Tegenwoordig is het een team, of een lab, of een groep die een ontdekking doet. Die kennis is anoniem geworden. Je bent een steentje in een piramide. Het besef van vergankelijkheid wordt je ook wetenschappelijk wel bijgebracht.’
‘IK HEB ME altijd geïnteresseerd voor wat die cardiologie in de samenleving betekent, maar omgekeerd ook voor de invloed van die samenleving op de cardiologie. Ik heb mijn assistenten in opleiding altijd proberen bij te brengen dat zo'n vak niet in een vacuüm wordt uitgeoefend, maar in een samenleving die daar soms overtrokken ideeën over heeft, die zit te wachten op de wonderen die je zult brengen. Voor mij is het belangrijk je niet op te sluiten in de abstractie van dat afgebakende terrein.
Vanuit de Amsterdamse binnenstad, waar de sociale problemen van onze patiënten heel goed zichtbaar waren, verhuisden we naar het AMC, de nieuwe tempel, het nieuwe Jeruzalem. Ik dacht: ja, we hebben hier nu het nieuwste, het beste, maar is daarmee nu alle lijden opgelost, alle narigheid de wereld uit? Toen heb ik het boek Broeder Ezel geschreven, waarin ik me nogal kritisch en relativerend uitlaat over de geneeskunde van vandaag en het triomfalisme daarin.
In mijn volgende boeken ben ik me steeds verder van de geneeskunde gaan bewegen. Uitersten heeft als thema dat de mens, ondanks alle psychologie en ondanks Freud en ondanks wie dan ook, een onpeilbaar raadsel is gebleven. Bij alles wat we weten van het oneindig grote en het oneindig kleine, zijn we niet in staat om Jeanne d'Arc, Adolf Hitler of Stalin te verklaren.
In mijn laatste boek, Stof van dromen, heb ik willen ingaan op de oeroude behoefte van de mens om greep te krijgen op de onbegrijpelijke natuur en het onverklaarbare lot. De religieuze verklaring heeft in West-Europa tot de zeventiende eeuw dienst gedaan. Daar is geleidelijk de klad in gekomen. Nu proberen we het wereldbeeld voor een deel wetenschappelijk te verklaren. Waarbij de wetenschap dan weer nieuwe mythen schept. Tot mijn verbazing ben ik met dit boek in de toptien beland. Maar wel tussen Eet je slank en Beleggen voor beginners, wat je dan weer nederig maakt.’
'HET GEKKE WAS, hoe drukker ik het had, hoe groter de neiging om ’s(avonds en in het weekend achter mijn bureau te gaan zitten schrijven. Ik denk dat het ook een ontsnappingsmechanisme is. Je wilt je rekenschap geven van dingen die je meemaakt. In dat AMC, in mijn kamer met uitzicht op een plastic dak en een strookje blauwe lucht, kreeg ik het gevoel dat ik het contact met het leven verloor.
Ook nu, sinds ik vier jaar geleden met de vut ging, na bijna veertig jaar dokteren, zit de behoefte om zaken te verklaren er nog altijd in - per slot van rekening heeft de universiteit me daar jarenlang voor betaald! Ik zit graag thuis en vind het niet erg om boodschappen te doen en te koken, maar af en toe wil ik er uit en eens wat anders doen. Mijn oude baas, Borst, zei altijd: “Meneer Dunning, u versnippert uw talent.” Voor die man vielen leven en werken praktisch samen. Zo'n kliniek was voor hem net het Franse leger: je vader en je moeder, je kerk, je school, bedenk het maar. Ik heb dat nooit gewild. Ik heb me nooit met huid en haar aan dat vak willen uitleveren. Er is meer in het leven dan die geneeskunde. Ik geloof niet dat je een betere dokter wordt door tachtig uur in de week te dokteren. Dat maakt je onmaatschappelijk. Dus ik heb wat afstand gehouden van die protestantse arbeidsethiek en ik ben gaan reizen, schrijven en heel veel lezen en fotograferen.’
'HET SCHRIJVEN ZELF gaat me niet gemakkelijk af. Dat witte blok grijnst me wel aan. Ik tob een hoop, loop rond, bedenk vele prachtige aanzetten van vier, vijf regels, die nooit verder komen. Iedere keer als ik weer zo'n boek aan het schrijven ben, denk ik: waarom doe ik dat nou? Het is een paar keer goed gegaan, maar een volgende keer kan het helemaal mis wezen. Bemoei ik me niet met dingen waar ik geen verstand van heb?’
'MIJN VAK HEEFT wel invloed op het schrijverschap. Medische artikelen zijn natuurlijk heel vormvast: inleiding, vraagstelling, methode, resultaten. Je hebt niet meer dan vijfhonderd woorden nodig, als het er maar staat. Geformaliseerde boeventaal, die aan vaste regels voldoet.
Als je eens een leerboek of commentaar schrijft, moet het anders. Dan moet het leesbaar zijn, een blikvanger hebben. En als je een medisch tijdschrift redigeert en je moet zelf je pen pakken, dan wordt er meer van je verwacht dan een droge opsomming. Daar moet je die pen voor scherpen. Het bevordert een zekere economie van uitdrukken: als het in één woord kan, doe het dan niet in twee. Het gevaar bestaat dat je wat al te compact gaat schrijven. Ik moet soms wat meer aan de lezer denken. Een van de moeilijkste dingen is je eigen manier van uitdrukken te veranderen.
Ik ben nu met iets nieuws bezig, en de aanloop daartoe duurt als altijd lang. Het zijn tafelgesprekken in het vagevuur, met verschillende mensen die daar wachten op hun eventuele zaligheid en met elkaar in gesprek raken. Dat eist veel onderzoek. Die mensen moeten wel een behoorlijke briefwisseling of biografie hebben nagelaten, anders moet je het allemaal verzinnen. Dus daar ben ik nu naar op zoek.’
'IK ZIT OP twee denksporen: ik probeer iets van evolutiebiologie te verbinden met de plaats die we onszelf toedenken in de wereld. Wij hebben lang gedacht dat wij de kroon op de schepping waren en dat we de schepping naar believen konden gebruiken. Of het nu olie was of steenkool, alles was bedoeld voor menselijk gebruik. Maar wij zijn een deel van die natuur. Ik vond het schokkend om te lezen dat wij 98 procent van ons erfelijk materiaal delen met de chimpansee. Onze humaniteit zit ’m in die twee procent verschil.
We hebben lang geloofd dat de mens maakbaar was, een product van zijn sociale en economische omstandigheden, zoals Marx ons leerde, of een product van onverwerkte driften uit zijn kinderjaren, zoals Freud dacht. Die slinger gaat nu de andere kant op, naar een nieuw soort astrologie: het staat in onze genen geschreven. Dat laat zien dat mensen altijd een verklaring zoeken voor het raadsel.
Wanneer alles erfelijk bepaald zou zijn, is de mens niet meer verantwoordelijk voor wat hij doet. Hij beschikt dan niet over een vrije wil.’
'OOK ALS IK geen cardioloog was geworden, was ik gaan schrijven. Waarschijnlijk meer en ambitieuzer. Misschien drijft een druk leven je naar een ander soort ontspanning. En misschien maakt het feit dat je in die cardiologie met mensen te maken hebt, en vaak met levensbedreigende omstandigheden, dat je je intensiever verdiept in wat er in mensenlevens gebeurt en waartoe menselijk gedrag kan leiden.’