OPHEFFER

À la Amerika

NEW YORK – Dit wordt de eerste keer dat ik een column voor De Groene schrijf op een mobiele tele-foon, ergens in een café in De Grote Appel. Ik ben hier voor zaken, dat betekent dat ik ook geld verdien terwijl ik hier ben. Ik heb hier namelijk een lezing gegeven voor studenten over een film van Theo van Gogh waarbij ik betrokken was. De lezing viel in goede aarde.
Na afloop namen de studenten mij mee naar een café. Ik vertelde dat ik wist dat Bob Dylan nog in de buurt gewoond en gewerkt had en onmiddellijk werd er naar een jongen gewezen die Abraham heette. Abrahams oma (!) was een vriendin geweest van Bob Dylan. Zijn oma reist nog wel eens met Bob mee, en dan mag ze meespelen. Oma speelt piano en viool. Ik vond het geweldig. Ik kon op mijn beurt vertel-len dat ik ooit eens naast de zoon van Paul McCartney van The Beatles had gezeten en vertelde erbij dat ik daar vroeger zeer trots op was, maar dat het me nu niets deed, dat ik alleen maar dacht: vreemde jongen, die zoon van Paul.
‘Ik vind jou veel aardiger, Abraham, en vind het ook veel indrukwekkender dat ik nu naast de kleinzoon van Bob Dylan zit.’
‘Nee, ik ben zijn kleinzoon niet.’
‘Voor mij wel’, zei ik.
Het café bleek eigenlijk een dichterscafé en ik werd getrakteerd op een optreden van jonge New Yorkse dichters.
Ik zag iets geheel nieuws. Niemand las meer van een papiertje. Iedereen las de gedichten voor uit zijn mobiele telefoon. Dat was geweldig. Het gebeurde dan ook – daar kon je op wachten – dat de dichter tijdens het voorlezen werd gebeld. Maar… dat bleek onderdeel van het gedicht te zijn. Het publiek was daarvan niet gecharmeerd, ik wel. Hij heeft mij trouwens na afloop een gedicht ge-sms’t, dat ik meteen vertaald heb – wat niet moeilijk was – en dat ging zo: ‘Ik heb er geneukt/ maar wat heb ik eigenlijk ge-neukt?/ Mezelf in de eerste plaats/ daarna weer mezelf/ daarna mijn moeder/ haar moeder/ mijn vader/ haar vader/ daarna mijn school/ ik zei: doe je benen wijd, spreid je benen/ want ik wil mijn toekomst zien/ ik wil zien waar ik niets meer mee te maken wil hebben/ en zij spreidde haar benen/ en begon te huilen/ nadat we geneukt hadden/ was het zo treurig/ vroeg ik/ nee, zei ze, maar/ ik heb mijn moeder geneukt/ en jouw moeder geneukt/ en mijn vader geneukt/ en jouw vader geneukt/ en ik heb mijn school geneukt/ en mijn zuster heb ik geneukt/ ik kon niet veel anders doen dan ook te huilen. Thomas Karzimsky, New York, 30/5/2008’
Er was ook een dichter die een gedicht las dat alleen maar bestond uit geluiden van beesten die niet meer bestaan. ‘Koetiboewoe oei oei’, dat is het geluid van een vogel die door milieuverontreiniging ten onder is gegaan. ‘Kariekebouw Kariekebouw’, dat is het geluid van weer een andere vogel – mogelijk familie – die eveneens ten onder is gegaan door een milieuramp. Ik kreeg herinneringen aan Toon Her-mans en zijn ‘polifinario’.
Ik heb trouwens – alles in het keurige – bij een vrouw in New York geslapen, een docente, en dat was toch wel eng, want ik moest inderdaad bij haar op de bank slapen. Omdat ik dat probeerde uit te stellen – waarom mocht ik nou niet gewoon op eigen kosten in een hotel gaan slapen? – ben ik maar over New York en de politiek gaan spreken, in vergelijking met Amsterdam. De docente kent Amsterdam. ‘Heb je hier vrouwen met een hoofddoek zien rondlopen?’ vroeg ze. Inderdaad, ik had ze niet gezien.
‘Je bent misschien wel een miljoen moslims gepasseerd, meer moslims dan je in Amsterdam hebt. Toen ik in Amsterdam liep, zag ik allemaal jonge moslima’s met hoofddoekjes. Hier zie je dat niet.’
‘Hoe komt dat?’ vroeg ik de docente.
‘Door het kapitalisme’, zei de docente, die ik toch van linksigheid verdenk, en ze verklaarde: ‘Met een hoofddoek om heb je hier minder kans op werk, dus heb je geen hoofddoek om.’
‘Zijn daar nooit problemen over geweest?’
‘Nee.’
‘Accepteert iedereen dat?’
‘Wat wou je dan.’
Ik knikte.
Toen gingen we naar bed. Ik kreeg een deken en een kussen en de deur ging dicht. Ik denk dat dat in Nederland toch anders was gegaan…