groen

A.S. Byatt

Zondagavond. Solothurn, Zwitserland. Het is helemaal stil, de rivier lijkt niet te stromen, onder de brug naar de oude stad spreidt een zwaan luidruchtig zijn vleugels, de gierzwaluwen - die de hele dag elders voedsel hebben gezocht - zijn terug, en vliegen hoog. Ik ruik ineens de kaarsen van de kastanje die staat naast het muurtje waarop ik zit, de platanen beginnen uit te lopen. Over een kwartier gaat de trein naar Zürich, ik heb net een espresso op, met een grappa ernaast. Ik ben nog nooit zo laat geweest met deze column, en ben de afgelopen vier dagen alleen maar bezig geweest met A.S. Byatt, met in contact komen met haar, deze voormalig Booker Prize-winnares. Ze staat als eerste bij buffetten als er buffetten zijn, schept meer dan een keer op. Ze heeft een grote rol doorzichtig plakband in haar hand of om haar pols, ze kijkt matronaal om zich heen of voor zich uit. En steeds lukt het me maar niet haar aan te spreken, en steeds dringender wil ik weten vanwaar die rol plakband. Ik heb haar lezing gemist, omdat mijn lezing na die van haar was en ik van zenuwen toch nog even moest liggen op mijn hotelbed. Ik had om me heen moeten kijken; die twee ooievaars beter moeten bekijken, moeten zien hoe veel verder, of juist minder ver, de natuur hier was, een mooie omschrijving moeten verzinnen voor de twee eenden in de rivier die drie keer harder zwommen dan ik lopen kon. Maar nee, ik was alleen maar bezig met A.S., Byatt, wier naam mythischer is dan haar werk (dat ik helemaal niet ken), en die ik eigenlijk alleen zag bij het ontbijt of bij buffetten. De geurende kastanje, de zwaan, de zwaluwen, en nu ook dronken Zwitserse jeugd vol branie. Ik wist dat ze weggebracht was naar het vliegveld en dat er geen as dreigde. Rond de bergen achter het stadje hingen donkere wolken, de Dunkelzelt waarin ik met een blinde witte wijn had gedronken werd opgeruimd. Ik zuchtte, tevreden: A.S. Byatt was veilig onderweg naar Engeland. Ik stond op en liep naar het station.