A16

‘Gaat u naar Rotterdam?’ Het is niet de vraag die me verbaast maar het feit dat die in het Frans is gesteld. Hier, langs de druilerige A16, ter hoogte van Hendrik-Ido-Ambacht, in een benzinestation waar je warme kroketten, drop en De Telegraaf kunt kopen. De woorden die achter me klonken en als een handvol regendruppels langs mijn rug gleden, werden door een jonge stem gedragen. Helder, accentloos en vrouwelijk.

Voor mij, achter zijn glazen loket zucht een vermoeide kassier. Terwijl zijn blik naar de stem achter me zoekt lijken zijn lippen me te willen waarschuwen. ‘Oui’, antwoord ik zonder om te kijken. Alsof hij een zware deur voor mijn neus dichtslaat, blaft de kassier zijn commando: 'Pincode!’ Ik ben al medeplichtig.
Traag draai ik me om. Ik laat me niet meer verrassen. Ze is klein, heeft kort blond haar en twee glinsterende, kastanjebruine ogen. Hooguit twintig jaar. Ja, ze mag mee. Even denk ik dat ze me gaat omhelzen maar in dat lijf dat even schokt en zich onmiddellijk ontspant moet een flitsende rem zitten. 'U praat goed Frans.’ 'Jij ook’, antwoord ik. Ze wil weten hoe lang het duurt om naar 'Rotter’ te rijden. Eerst moet ze bellen dat ze eraan komt. Ze draagt een beige windjack en op haar schouders een blauwe rugzak. De verbinding wil maar niet tot stand komen. Op het verfrommelde stukje papier dat ze voor zich heeft ontvouwd, strekt zich een lange rij zwarte cijfers uit. 'Dit is geen Nederlands telefoonnummer’, zeg ik. Dat is het wel, maar door haar zelf gecodeerd, verzekert ze me. Wanhopig telt ze op haar vingers, vraagt me een pen om wat vlekjes door te strepen, bij te tellen en dan weer af te trekken. 'Voor de juten?’ vraag ik. Ze knikt onverschillig. Het gecodeerde slangetje van cijfers is weerbarstig, wil maar niet doorbroken worden en in de goede richting gaan kronkelen. Dan maar weg.
De A16 slokt ons op. Op het wegdek plakt de miezerige nacht. Ze komt uit Arras, departement 62, Noord-Frankrijk. Ik denk aan mijn tragische held Robespierre die ooit in deze stad advocaat was alvorens naar Parijs te trekken om wat hoofden op de Place de Grève te laten rollen.
Nu pas ruik ik haar. Haar geur is muf en zelfs een beetje zuur. Alsof ze nachten achter elkaar in de bedstee van een vochtig dijkhuisje heeft doorgebracht. In de halfduisternis van de auto zie ik dat haar linkerhand is opgezwollen. Haar rugzak zit nog om haar schouders.
Ik moet aan die jonge Française denken die op de gedoogzone van de G.J. de Jonghweg tippelde, aan Puce - 'Vlo’ in het Nederlands - de dwerg van de 'koopgoot’, de ogen steeds wateriger, die om haar shots te betalen haar halflege kommetje aan de voorbijgangers toont, en ook aan al die andere Franse schimmen die als krachteloze kleine golven in de stad aanspoelen. 'Rotter’ zien en dan een beetje sterven. Of helemaal als het niet anders kan. Op een dag vertrek je nog als mens uit je Noord-Franse stadje om onder een verpletterende skyline heel langzaam een rat te worden. Je kruipt in holen vol ongedierte, sluipt in het donker vanachter auto’s met ingeslagen raampjes, scheidt wat drek in portieken af en, op drukke koopzondagen, graait gretig naar je kost in de vuilnisbak van het pizzakraampje op de Hoogstraat.
Ik vraag haar of ze voor de dope hier naartoe is gekomen. Ja, voor 'la beu’, zegt ze zenuwachtig terwijl ze de verkeersborden ontcijfert. 'La beu?’ Ja, 'skoenk’. En de rest ook: 'hero’, 'coke’, een beetje 'exta’ als ze tenminste genoeg geld heeft. Het adres waar ze verwacht wordt heeft ze zo goed in haar grijze cellen gecodeerd dat ze het zich niet meer kan herinneren, laat staan uitspreken. Iets met 'straat’ aan het einde. Pakweg de zesde of zevende halte van lijn 4 vanaf Centraal Station. Ze is al eerder hier geweest. Ik reken even uit en kom tot de conclusie dat ze vlak bij mij in de buurt moet zijn. Bij het naderen van het Heemraadsplein is ze niet meer te houden. Ze trekt aan mijn arm en krijst: 'Daar was het, daar, net een of twee straten eerder.’
Als door een onzichtbare magneet opgezogen gaapt plotseling de passagiersdeur open. Ik kan nog net langs de tramrails stoppen maar ze is al een schokkende gedaante in de achteruitkijkspiegel. Ik geloof dat deze rukwind nog een dankwoord heeft gezegd. Ik zou best een sigaret willen opsteken maar ze zal het pakje wel per ongeluk hebben meegenomen.