Aad nuis

Geen ministerspost - het werd een beetje minder. Maar Aad Nuis viel altijd al op als een man van dunne dingen. Dunne literatuur, dunne politiek. En als staatssecretaris van Cultuur zal hij, met een bezuinigingstaak van 73 miljoen, de man van het dunne kunstbeleid worden.

TOEN AAD NUIS in 1962 als dienstplichtig militair naar Nieuw Guinea werd gestuurd voor ‘Nederlands laatste koloniale oorlogje’, dacht hij er eerst over om te weigeren. Maar, vertelde hij later aan het Utrechts Nieuwsblad, 'dat was een hele stap’. Daar waren zijn bezwaren tegen het militair bedrijf niet principieel genoeg voor. Bovendien dreigde de gevangenis: 'Je had kans dat ik nog in de cel zou zitten als Soekarno in Den Haag op bezoek kwam.’
Toch wist hij een gebaar te maken 'dat op zich weinig betekende, maar dat wel goed was voor mijn gedeukte zelfgevoel’. Hij weigerde de officierseed af te leggen en ging daarom niet als luitenant, maar slechts als nederige vaandrig naar 'Oudnederlands Guinea’. Hij deed er gewoon zijn administratieve werk, maar hij was eerst ontheven van zijn functie en vervolgens belast met de tijdelijke waarneming ervan. Tegelijk schreef hij reportages voor Vrij Nederland en uiteindelijk het aardige boekje De Balenkraai. Zoals hij misschien eens zijn boek over het politieke bedrijf in Nederland zal schrijven. Geen grote roman, maar een klein boekje. Hij hoort niet voor niets bij wat W. F. Hermans spottend 'de generatie van de dunne boekjes’ heeft genoemd.
DUN WAS HIJ zelf ook toen hij in de jaren vijftig zijn literaire carriere begon als sneldichter in de Bijenkorf. Een spichtige jongeman die geheel leek te verdwijnen achter z'n zwartomrande brilleglazen. Intussen is hij allicht dikker geworden, wat flamboyanter ook, met een grote bos krullend haar. Hij is z'n jonge jaren in de Achterhoek aan alle kanten ontgroeid. Maar zijn voorkeur voor wat hij in een serie colleges in Groningen 'dunne literatuur’ heeft genoemd is niet veranderd. Hij is tegen de grote woorden, grote constructies en grote theorieen van de 'dikke literatuur’.
En hij is, zou je kunnen zeggen, daarom ook voorstander geworden van een 'dunne politiek’: hij radicaliseerde tijdens de beroeringen van de jaren zestig niet naar links of naar rechts, maar naar het redelijke midden van D66. En hij probeert vol te houden dat, ondanks alles, redelijkheid geen onverschilligheid hoeft te betekenen. Daarom was hij meermalen de aanstichter van een grotere of kleinere rel. Meestal overigens zonder veel succes.
Bijvoorbeeld toen het in 1986 ging om Mystiek lichaam, het belangrijkste werk van Frans Kellendonk en een van de meest verrijkende boeken uit de naoorlogse Nederlandse literatuur. Het is logisch dat een dunne literatuurcriticus als Nuis niet veel op heeft met een roman met zo veel godsdienstige, economische, maatschappelijke, seksuele, filosofische en psychologische dimensies. Het is grappig om de zoon van de gereformeerde spoorwegman Nuis te herkennen in de verontwaardigde afwijzing van zoveel - ironische en dubbelzinnige - katholieke mystiek. Maar Nuis wordt overdreven politiek correct als hij Kellendonk in zijn Volkskrant-recensie van antisemitisme beschuldigt omdat sommige van diens personages zich antisemitisch uitlaten.
Nuis’ ethische verontwaardiging tekent de politicoloog in de literatuur die hij is. Net zo goed als hij een schrijver in de politiek is. Bijna altijd heeft hij politiek en literatuur naast elkaar beoefend. Als wetenschappelijk medewerker in de politicologie schreef hij literaire recensies en als literatuurwetenschapper schreef hij columns over maatschappelijke onderwerpen. Al in 1968 bundelde hij in Twee schelven hooi onbekommerd opstellen over poezie en over politiek door elkaar. En nu hij definitief voor de politiek lijkt te hebben gekozen, blijft hij mijmeren over de boeken die hij daar later over zou kunnen schrijven.
AAD NUIS werd geboren in 1933, bescheiden in Sliedrecht, aan de Beneden-Merwede. Zijn beide grootvaders, heeft hij wel eens trots verteld, waren arbeiders. Hij groeide op in de Achterhoek, studeerde in Amsterdam aan de toen nog rode Politiek-Sociale Faculteit en behoorde in de jaren vijftig tot de roemruchte PC-generatie van onder meer Hugo Brandt Corstius, Dick Hillenius en Renate Rubinstein. Met laatstgenoemde trouwde hij. Hugo Brandt Corstius probeert in de gedaante van Piet Grijs nog altijd - tevergeefs - aan te tonen dat hij een grotere anti-antisemiet is dan zijn vroegere collega.
Nuis was socioloog op Jamaica, politicoloog in Amsterdam, polemoloog in Groningen, uitgever bij het Spectrum, maar vooral literatuurcriticus voor ongeveer alle Nederlandse dag- en weekbladen, zij het dat zijn vijf jaar bij de Haagse Post de meeste indruk hebben gemaakt.
Hij schreef zelf aanvankelijk vaak heel dunne gedichtjes, bijvoorbeeld 'Familieziek’ uit het bundeltje Wisselend weer: 'Elke dag ligt de dood op het strand:/ met een vogel, een zeehond, een kwal/ ben ik tien tellen nauwer verwant/ dan met wie mij begraven zal.’ Maar hij stelde ook een boekje samen over apartheid, toen dat nog niet helemaal in de mode was, en hij schreef een verontwaardigd Gids-vlugschrift over de rellen in Amsterdam in 1966, toen Beatrix het waagde met een Duitser te huwen en Nuis ondanks al z'n gematigdheid enthousiast mee relde. Hij verwachtte toen nog dat het aan de Partij van de Arbeid zou zijn om het Nederlandse politieke leven 'een krachtige democratische impuls’ te geven, maar zijn formulering maakt al duidelijk dat hij even later de kant van D66 zal opgaan. Aad Nuis bezorgde een posthume keuze uit de gedichten van J. B. Charles en redigeerde De negentien treinen naar Sobibor van dr. E. A. Cohen, het boek waarin deze het zwijgen doorbrak over het kamp waar meer dan 34 duizend Nederlandse joden waren vernietigd.
HET WAS DUS niet vreemd dat hij Renate Rubinstein steunde bij de uitgave in 1969 van de herinneringen van F. Weinreb, Collaboratie en verzet. Temeer daar Weinreb in die roerige jaren zestig een soort van miskende super-provo leek, die in z'n eentje de Duitse autoriteiten met hun eigen middelen te pakken had genomen. Het werd een kwestie die nooit is geeindigd. Met name W. F. Hermans heeft de twee 'perfide pennevoerders’ en 'bewonderaars van Ter Braak en Du Perron’ afgeslacht.
Ook na het uitkomen van het Weinreb-rapport gaf Nuis zich nog niet gewonnen en schreef hij het boekje Het monster in de huiskamer, waarin hij de conclusie uit het rapport dat Weinreb geen onbaatzuchtige mensenredder maar een bedrieger en verrader was, trachtte te weerleggen. Pas twee jaar later, in een interview met Max Pam in Vrij Nederland van 11 april 1981, nam hij meer afstand en erkende hij dat uit het onderzoek was gebleken dat Weinreb hele stukken heeft gefantaseerd en dat alles niet zo vanzelfsprekend was gegaan als hij het had voorgesteld: 'Als de onderzoekers niet de behoefte hadden getoond om over bepaalde situaties die noodgedwongen onuitrafelbaar blijven, door te drammen tot een absoluut gelijk over ’s mans verdorvenheid, dan had ik er geen moeite mee gehad hun conclusies te accepteren. (…) Maar het rapport heeft zo'n vooringenomen toon. Op geen enkel punt, hoe ondoorgrondelijk ook, wordt Weinreb het voordeel van de twijfel gegund.’
Het interview met Vrij Nederland, waarin ook wordt gefilosofeerd over de vraag of Ter Braak en Du Perron, als ze nog leefden lid, zouden zijn geworden van D66, vindt plaats in de Achterhoek. Aad Nuis heeft zich daar teruggetrokken in een boerderijtje vlak bij de Duitse grens en banjert er op klompen rond tussen acht katten, vier honden, twee paarden, een geitebok en vijftig kippen. Hij is opgeklommen tot voorzitter van de D66-fractie in de Provinciale Staten van Gelderland en staat kandidaat voor de Tweede Kamer. Vanaf 1981 zal hij afwisselend lid van de Tweede en de Eerste Kamer zijn.
In 1987 vertelt hij Frits Abrahams in Elsevier over zijn verwantschap met Van Mierlo. Al in 1968 had hij ontdekt 'dat mijn manier van schrijven merkwaardig goed klopte met zijn spreektrant’. Hij geeft er ook een aardige politieke plaatsbepaling. Volgens hem hebben we in veel opzichten in Nederland een tweede Gouden Eeuw achter de rug. 'Een vooruitstrevend politicus behoort nu in Nederland dus in een heel wezenlijk opzicht een conservatief mens te zijn: hij moet zorgen dat deze verworvenheden zo goed mogelijk behouden blijven.’
Verontrustender is hoe hij in dit Elsevier- interview de cultuurnota van D66 verdedigt, waarin het primaat van de markt het uitgangspunt is en de vernieuwing van de kunst een lagere prioriteit krijgt dan het behoud van het culturele erfgoed. Want volgens Nuis zijn 'vernieuwing en pluriformiteit de enige criteria geworden en vooral bij het toneel leidde dat tot een overdreven hang naar anders zijn dan anderen’.
BEGIN DIT JAAR echter begon Aad Nuis een discussie over kunstbeleid met een verdediging van kunstenaars die onbegane wegen inslaan, want de functie van kunst is: 'ingaan tegen het uniforme’. 'Kunst is de guerrilla van de zingeving’, zegt hij: 'Kunst is minderhedenbeleid, er moet ruimte zijn voor het bijzondere. Kunst moet niet alleen worden geproduceerd binnen grote instituties, maar er dient ook veel aandacht te worden gegeven aan kleinschalige activiteiten. Daarom is er meer geld nodig voor het Fonds voor de Podiumkunsten.’
De Federatie van Kunstenaarsverenigingen feliciteerde Nuis dan ook hartelijk toen hij staatssecretaris voor de kunsten werd. Maar al na een week moest de federatie verontrust om een spoedgesprek vragen: worden de door Ritzen, in de tijd dat het kabinet demissionair was, voorgenomen bezuinigingen op de kunsten nu wel of niet teruggedraaid? Wat betekent de toezegging van Nuis dat er niet op kunst zal worden bezuinigd, als deze eerdere kortingen niet eerst ongedaan worden gemaakt?
De nieuwe combinatie van kunst met onderwijs maakt velen benauwd omdat juist op onderwijs veel zal moeten worden bezuinigd. Maar Nuis lijkt groot succes te hebben met zijn plannen voor het hoger onderwijs. Alleen oud-collega Kees Fens viel hem aan op de verkorting en flexibilisering van de studieduur - en dat nog op tamelijk retorische manier. Dat geeft Nuis weer de gelegenheid om uiterst vriendelijk te reageren: 'Fens eindigt met een droom. Daarin ziet hij een ministerie van Nutteloze Zaken voor zich, waar men weet dat cultuur zich alleen in overbodigheid kan handhaven. Ik deel die droom, en ik probeer aan de verwerkelijking ervan bij te dragen met alle gebrekkigheid die de politieke realiteit aankleeft.’
Aad Nuis, beminnelijk, gematigd, open en geinteresseerd. Als het een dun kunstbeleid blijft zal het niet aan hem liggen en hij zal het in elk geval voor ons in onweerstaanbaar prachtige woorden weten te verpakken.