Wat zegt Marie Kondo nu ook weer?

Aaidrift

Het regende zo hard vandaag dat ik maar even bij C&A naar binnen schoot. Om te schuilen, hield ik mezelf voor. Waarom ik tien minuten later in een pauwblauwe avondjurk in een pashokje stond, geen idee.

Bløf klonk zachtjes door de speakers, en ik heb geleerd dat dat héél foute muziek is. Categorie Kane zo’n beetje. Ik was wel geïntrigeerd door de jurk. Peinzend bekeek ik mezelf.

Je hebt maar één leven. Ik weet nooit zo goed of dat nu betekent dat je er voorzichtig mee om moet gaan, of juist niet. Zuinig zijn op wat je hebt, of proberen er alles uit te halen, zonder scrupules. Soms denk ik: als ik gewoon maar geen witregels inlas, dan hoort alles bij elkaar. Dichters redeneren vast omgekeerd: als ik gewoon maar genoeg witregels inlas, dan heb ik een gedicht.

Hoe meer dingen ik moet doen op een dag, hoe meer mist er ook begint op te treden. Over een uur moet ik een groot stuk af hebben, maar ik ben langzaam verlamd aan het raken. Een verlamming die me die jurk aan heeft doen trekken. Hier zou ik wel willen stoppen, maar ik ben geen dichter.

Die jurk moet ik niet kopen, want ik heb net allemaal jurken in vuilniszakken staan proppen. Erger nog: ik heb mijn halve huisraad aan de straat gezet. Vanwege de mist ben ik gaan opruimen. Of misschien is het anders: vanwege de mist ben ik ontvankelijk voor goeroes. Marie Kondo heet deze (o die, zegt nu iedereen als ik iedereen mag geloven), en wat me voor haar inneemt is dat ze uit Japan komt. Ze werpt vragen op als: ‘Heb je ooit meegemaakt dat je dacht dat je iets goeds deed, maar achteraf bleek dat je iemand had gekwetst?’ en komt na luttele overwegingen uit bij de schandalige manier waarop we met onze sokken omgaan. Ik heb rigoureuze beslissingen genomen, dankzij haar.

Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles kapot is. Ik leef in een gestolde wereld als in The Beanery van Kienholz, alles kleverig van aangekoekte overbodigheid. Om te kunnen pakken wat ik nodig heb moet ik laveren tussen memorabilia; het geldt voor mijn kledingkast, mijn keukenlades, de schoorsteenmantels. Alles staat en ligt vol met lieve dingen die hun functie hebben verloren, of nooit een functie hebben gehad. Dus weg ermee, paarse fluitketel in de vorm van een aubergine die de helft van het fornuis in beslag neemt en nooit wordt gebruikt want de waterkoker gaat sneller, theepot met identiek noppenpatroon als de gordijnen waarvan de deksel al jaren kapot is, gestreept T-shirt waarin ik ben bevallen, witte jurk die ik kocht toen ik zestien was, half vergaan oosters bloesje van mijn moeder, blauwe pullover van mijn vader, ophouden met opsommen nu.

Aai de dingen, zegt Marie Kondo. Bedank ze voor wat ze voor je hebben betekend. En gooi ze dan weg.

Ik ben de allereerste portefeuille van mijn zoon, vuil en rafelig, aan het aaien als hij belt.

‘Wat ben je aan het doen?’ vraagt hij.

‘Niks’, zeg ik. Ik wil het ding net in de vuilniszak laten glijden als ik nog één keer inspecteer of er echt niks in zit. Er zitten drie pasfotootjes in: van zijn vader, zijn zus en van mij.

‘Je klinkt zo raar.’

‘Ik heb last van opruimdrift.’

Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles kapot is

‘O’, zegt hij.

‘Wat?’

‘Ik wou net met wat spullen naar huis komen.’

Hij is zijn kamer in het studentenhuis aan het leegruimen. Over een paar dagen vertrekt hij voor een jaar naar Londen. Aan de kast vol stukgelezen Donald Ducks was ik nog niet toegekomen. Eerdere pogingen stuitten op onbespreekbaarheid. Marie Kondo zegt: laat de familie niet meekijken.

‘Nou’, zeg ik. ‘Er is hier net wat ruimte aan het ontstaan.’

Wat zegt Marie Kondo nu ook weer? Ik ben het even kwijt.

‘Ga je mentaal instorten?’ vraagt hij opgewekt.

‘Een beetje.’

Ik weet het natuurlijk wel. Marie Kondo zegt wat ze altijd zegt: weg ermee.

‘Ik zet alles gewoon op de logeerkamer’, zegt hij.

Hij bedoelt: op de kamer waar het oude bed van zijn zus staat, het kledingrek kromstaand van kleding waar je niet bij kunt komen, het in ongerede geraakte keyboard, boekenkasten met poëzie en nooitgelezen boeken, rotanstoeltjes die ik kreeg toen ik zeven was, nog meer Donald Ducks.

Verhuizen, denk ik. Nieuwbouw. Een open ruimte, geen spullen, hoogstens nieuwe, hele. Er hoeft alleen maar ruimte te zijn voor mij, een man met vijf gitaren, twee katten die de boel onderpissen, kinderen die kunnen blijven slapen, hun was laten liggen, en onze moeders. De een kan niet meer lopen, de ander kan niks meer onthouden.