Aan de grond

Als de Joint Strike Fighter klaar is en nog veel meer kost dan de miljoenen die we er nu per stuk voor moeten betalen, rijst de vraag: in wat voor soort oorlog zouden we het moeten gebruiken? De afgelopen twintig jaar heeft Nederland zich gewapenderhand op vier strijdtonelen laten gelden: Joegoslavië, Irak, Afghanistan, Libië. Aan de laatste twee fronten hebben onze F-16’s hun diensten bewezen. Er zijn geen rapporten met de strekking dat deze toestellen fataal verouderd zijn.

Maar de techniek staat niet stil en het is een wet van onze cultuur dat we ons altijd van het laatste snufje moeten bedienen, van koffiemachines tot straaljagers. Vandaar dat we al een paar jaar geleden hebben besloten het eerste proeftoestel te kopen, voor 114 miljoen euro. En we hebben een optie op het tweede dat 82,8 miljoen zal kosten. In 2019 is de JSF operationeel. Dan zal de luchtmacht er 85 hebben, of 35; dat weten we nog niet. Nu vertoont het prototype nog zo veel mankementen dat het Pentagon heeft besloten de productie uit te stellen. Het vliegtuig is vooral een gevaar voor zijn piloot. Maar in ieder geval is de JSF straks goed voor de werkgelegenheid.
De ontwikkelingsgeschiedenis van de JSF en datgene wat vooraf is gegaan aan het Nederlandse besluit om twee toestellen te kopen typeren de Nederlandse gang van zaken op het gebied van de moderne krijgskunde. We zijn altijd afhankelijk van wat de grote bondgenoten willen, we hebben nauwelijks tot geen invloed op wat ze van plan zijn, maar we nemen de besluiten die van ons verlangd worden, omdat het landsbelang eist dat we zullen aanschuiven. Dat kan weer goed zijn voor onze handelspositie en de werkgelegenheid. En natuurlijk is het ook in het belang van de natie als we blijven meedoen in dit deel van de internationale gemeenschap. Maar tegen welke prijs?
Er is een oude krijgskundige wijsheid die zegt dat militairen zich altijd voorbereiden op een herhaling van de vorige oorlog. Is dat ook nu nog het geval? In de Koude Oorlog hebben de twee blokken zich voorbereid op een soort strijd die principieel niet veel afweek van de Tweede Wereldoorlog, met grote legers en kernwapens waarvan proefondervindelijk het gruwelijke effect is bewezen, zodat ze niet zijn gebruikt. Wederzijdse afschrikking en topconferenties hebben de vrede ten slotte gered. De enige echte oorlogen waartoe de supermachten zich hebben laten verleiden, in Vietnam en Afghanistan, waren guerrilla’s die ze hebben verloren.
In de jaren negentig is de guerrilla verder tot ontwikkeling gekomen, onder andere met de terroristische aanval op het Amerikaanse oorlogsschip Cole en de Achille Lauro waarbij de joodse invalide passagier Klinghofer werd vermoord. De absolute apotheose is nog altijd de verwoesting van het World Trade Center. Tegen dergelijke overvallen heeft het Westen zich doelmatig verweerd, niet met superstraaljagers maar met steeds betere controlesystemen. Maar aan de andere kant heeft het zich ook in twee min of meer ouderwetse oorlogen laten lokken, eerst in Afghanistan, toen in Irak. Ondanks een verpletterende technische superioriteit hebben de Amerikanen de strijd in geen van beide gevallen in de traditionele zin gewonnen. Met de kapitalen die er de afgelopen tien jaar in geïnvesteerd zijn zou je alle luchtmachten van het Westen met de JSF kunnen uitrusten, en intussen is Amerika er nog niet in geslaagd de twee missies te voltooien en de strijdtonelen te verlaten.
In Libië heeft luchtsteun van de Navo tot het verjagen van Kadhafi bijgedragen. Misschien zouden we graag de democratie in Egypte bevorderen, maar luchtsteun bij de verkiezingen zou een averechts effect hebben. Naar onze humanitaire maatstaven gemeten is de Syrische dictator Assad een oorlogsmisdadiger, maar geen van onze strategen denkt erover daar in te grijpen. In Saoedi-Arabië broeit het verzet, maar een burgeroorlog bij onze grootste olieleverancier kunnen we absoluut niet gebruiken. Ook als we de JSF’s zouden hebben, bleven die in dat geval aan de grond.
In deze tijd van de Arabische lente en het moslimterrorisme wordt het Westen geconfronteerd met volstrekt andere strategische problemen waarop we nog geen antwoord hebben gevonden. Er is wel een tussenoplossing: de oorlog met afstandsbediening. De onbemande vliegtuigjes, de drones, die verkenningen uitvoeren en nadat het doel is geïdentificeerd automatisch hun bommen laten vallen. Daarover is twee jaar geleden een uitstekend boek verschenen, Wired for War, van P.W. Singer. De drone vliegt ergens boven de Afghaans-Pakistaanse grens, de piloot zit in Nevada, ziet een verdachte samenscholing en laat een bom vallen. De volgende dag blijkt dat hij zich heeft vergist. Bruiloft getroffen. Diplomatieke rel, excuses helpen niet, vijandschap tegen het Westen weer toegenomen.
Het gerucht gaat dat minister Hillen naar Nederlandse drones verlangt. Het Afghaans verzet bombarderen vanaf luchtbasis Gilze Rijen. Wie weet wordt er iets geraakt. De oorlog wordt er niet mee gewonnen. Maar misschien kunnen we nog dichter aanschuiven.