Aan de ilissos

U DENKT DAT het lezen van kranten en boeken zinvol is, maar helaas, ik moet u teleurstellen. De meeste geschreven teksten zijn onwaar en slecht gestructureerd of gaan over onbelangrijke kwesties. Of ze zijn zo moeilijk dat de auteur er een toelichting bij zou moeten geven. U bent dus gewaarschuwd.

In Plato’s dialoog Faidros loodst de tobberige jongeman van die naam zijn oudere vriend Sokrates mee de stad uit. Sokrates komt nooit buiten de stadsmuren, omdat je, vindt hij, van de natuur niets kunt leren. Maar nu Faidros hem de voordracht van een redevoering van Lysias in het vooruitzicht stelt, wil hij zijn vertrouwde omgeving wel even verlaten. Aan de oever van de kabbelende Ilissos zijgt het tweetal neer onder een plataan. Het is bloedheet en cicaden zingen hun monotone liederen. De heren bevinden zich vlak bij de plaats waar ooit een nimf door de Noordenwind zou zijn geschaakt. Maar Sokrates gelooft niet in dergelijke flauwekul. Hij hoort liever een goed betoog dat ergens over gaat.
De door Faidros voorgedragen rede valt Sokrates echter tegen. Lysias wil aannemelijk maken dat een jongen zich beter kan geven aan een man die niet op hem verliefd is dan aan een hartstochtelijk minnaar, omdat het brein van de laatste dermate getroubleerd is dat je niet van hem op aan kunt. Wie verliefd is, gedraagt zich gestoord en onverantwoordelijk. Van belangeloze seks tussen goede vrienden krijg je gewoon minder gedonder dan wanneer er heuse liefde in het spel is. Sokrates vindt Lysias’ betoog slecht opgebouwd en improviseert op Faidros’ verzoek een redevoering over hetzelfde onderwerp die methodisch beter in elkaar steekt.
Faidros’ enthousiasme over dit verhaal wordt echter in de kiem gesmoord wanneer Sokrates duidelijk maakt dat niet alleen Lysias’ gemeenplaatsen, maar ook zijn éigen woorden op verkeerde vooronderstellingen berusten. Is Eros immers niet een machtige god die het beste met de mensheid voor heeft? Inspireert hij minnaars niet tot het zoeken naar schoonheid? Kortom, alles wat Faidros en Sokrates tot nu toe gezegd hebben is onzin. Sokrates waagt een nieuwe poging het wezen van erotiek in woorden te vangen. Dit betoog is nog hechter gestructureerd dan zijn eerste proeve, bovendien is het taalgebruik bevlogen en poëtisch.
Systematisch zet Sokrates uiteen dat de ziel onsterfelijk is en lijkt op een span paarden dat door een strenge voerman in de hand gehouden wordt. Voordat de ziel in een menselijk lichaam terechtkomt, heeft zij gelegenheid aan de rand van het universum, in het gezelschap van de goden, de eeuwige waarheden te aanschouwen. Helaas verliezen de meeste zielen na verloop van tijd hun vleugels, vallen naar beneden en worden opgesloten in een stoffelijk omhulsel. Wanneer een man nu een mooie jongen ontmoet, activeert diens schoonheid zijn geest, waardoor hij zich de eeuwige schoonheid herinnert waarvan hij vóór dit leven een glimp heeft opgevangen. Eén van de paarden waaruit zijn ziel bestaat wil de schone jongeling onmiddellijk bespringen, maar als de menner deze vuige lust weet te beteugelen, wordt de geilheid gesublimeerd tot een kuise, filosofische liefde. De vleugels van de ziel groeien weer aan en stellen haar op den duur in staat de kringloop van reïncarnaties te doorbreken en de rand van het heelal opnieuw te bereiken.
LYSIAS HAD dus ongelijk toen hij verliefdheid afwees en harteloze seks aanprees. Dat betekent echter niet dat het houden van redevoeringen op zichzelf een dubieuze bezigheid is, vindt Sokrates. Retorica is een legitiem vak, mits de spreker zich bekwaamt in dialectiek. Daaronder verstaat Sokrates de vaardigheid om op de juiste wijze te analyseren en te definiëren.
Het houden van redevoeringen mag dan zinvol zijn, dat geldt volgens Sokrates niet voor het publiceren van geschreven teksten. In de eerste plaats ondermijnt het schrift het geheugen, in de tweede plaats kan een tekst nooit weergeven wat er in de ziel van de schrijver is omgegaan. Ware overdracht van gedachten en ideeën vindt alleen plaats wanneer twee gelijkgestemden zich lijfelijk in elkaars nabijheid bevinden. Wanneer je de tekst om een toelichting vraagt, geeft hij geen antwoord, nog erger is dat domme of slechte mensen ermee aan de haal kunnen gaan. Een sprankelend filosofisch betoog is als een jazz-improvisatie: de essentie, de inspiratie van het moment, het contact tussen luisteraar en muzikant kunnen zelfs met de meest geavanceerde techniek nooit op gedigitaliseerde geluidsdragers worden vastgelegd. Wie er niet bij was, heeft pech gehad.
AAN HET EIND van de middag wandelen de heren terug naar Athene, waar ze hun vriendjes van hun bevindingen op de hoogte gaan stellen. De dialoog lijkt zo een bevredigend slot te hebben. In feite heeft Plato echter een dialoog geschreven die als een dolgedraaide machinerie bezig is zichzelf te mollen. Weliswaar ondersteunen de door Faidros en Sokrates voorgedragen redevoeringen de stelling dat ieder betoog waar, van wezenlijk belang en methodisch opgezet moet zijn, maar het feit dat de drie redes elkaar op essentiële punten tegenspreken zaait al twijfel. Als Lysias’ verhaal onzinnig is, wie garandeert ons dan dat Sokrates’ mythe over de ziel wél klopt? In het begin van de dialoog betuigt Sokrates trouwens al zijn ongeloof in sprookjes, vooral sprookjes met een quasi-wetenschappelijke pretentie.
Verder pleit Sokrates omstandig voor een analytische aanpak, die hij in zijn mythe inderdaad demonstreert, terwijl de dialoog als geheel alle kanten op fladdert. Het gesprek tussen Faidros en Sokrates mag geïnspireerd zijn zoals een filosofisch onderhoud behoort te zijn, erg dwingend is de opzet niet. En het grootste probleem is natuurlijk dat Sokrates de waarde van geschreven teksten onderuit haalt in een door Plato geschreven tekst. De Faidros is een meta-tekst, een aantrekkelijk, maar tegelijkertijd duizelingwekkend betoog over betogen. Daarom vindt het gesprek ook buiten Athene plaats: Sokrates neemt afstand van zijn dagelijkse filosofische praktijk om over de waarde ervan iets te kunnen zeggen.
Met de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf ben ik niet helemaal tevreden. Het stijlregister is vaak net iets te truttig, met uitdrukkingen als ‘jij bent me er één!’, en 'jij bent me een nummer!’. Twee - inderdaad lastige - passages zijn onbegrijpelijk geworden voor wie het Grieks er niet naast heeft liggen. En de toelichting is hier en daar erg mager. Niettemin blijft Faidros, ook in deze versie, een onweerstaanbare tekst.
Ik heb dit artikel nu wel geschreven, maar hoe zit het met mijn methodische onderbouwing? Moet ik niet bang zijn dat u mij verkeerd begrijpt, of dat een uitgever er bij herdruk van het boekje een willekeurige zin uitknipt voor de achterflap? Het is het beste dat u nog even bij mij langskomt om erover te praten. Ik woon buiten de Randstad, vlak bij een beek. Alleen cicaden hoor je hier zelden.