Klassieke muziek: Bach-cantates

Aan de ketting

Een van de beste baritons van de wereld zingt de mooiste bas-cantates aller tijden en wat niet kan gebeurt toch: het lukt niet. Matthias Goerne vertolkt met het caloriearm klinkende Freiburger Barockorchester, onder Gottfried von der Goltz, Bach in een programmatisch interessante setting. De twee solocantates Ich will den Kreuzstab gerne tragen BWV 56 en Ich habe genug BWV 82 omlijsten een bewerking van Bachs klavecimbelconcert No. 4 BWV 1055 voor oboe d’amore en orkest, die hier ‘reconstructie’ wordt genoemd in de veronderstelling dat het oorspronkelijk voor het instrument is geschreven. De sinfonia, zeg ouverture, van de cantate Ich hatte viel Bekümmernis BWV 21 maakt de cirkel rond: rode draad in het geheel is de hobo die als solist of als obligaatpartij door alle werken het spoor van stille deemoed trekt dat hoboïste Katharina Arfken met haar bescheiden ego dienstbaar volgt.

Niet Goerne. De grote man is uit zijn doen. Zijn toon dwaalt groot of klein, soms tekstafhankelijk maar vaker stuurloos wisselvallig tussen kracht en innigheid, moed en bezinning. Soms duurt het meesterschap één regel, soms één woord, alles bij vlagen. Hij is een vuur dat onvoorspelbaar dooft en oplaait. De opname, die de stem vreemd hol in een verloren klankbeeld plaatst, versterkt wat hem aan innerlijke orde lijkt te schorten. Het is alsof hij sotto voce staat te repeteren voor een opname die hij liever had overgeslagen, of erger: alsof hij zichzelf aan de ketting heeft gelegd van de intentie evangelisch objectief te blijven. Wat bezielt hem of verzuimt hem te bezielen?

Het moet aan de teksten liggen. Beide cantates gaan over de aanvaarding van de dood als uitweg en beloning voor de klappen van het leven. Bij tekstdichter Christoph Birkmann klinkt dat zo: ‘Komm, o Tod, du Schlafes Bruder/ komm und führe mich nun fort.’ Of: ‘Ich freue mich auf meinen Tod/ Ach, hätt’ er sich schon eingefunden.’ Dat doodsverlangen is geen romantische dubbelzinnigheid maar fundamentalistische zelfverblinding die de luisteraar wordt opgelegd als een gedragsmodel voor ware vroomheid; bidprent. Goerne moet met neergeslagen ogen lyrisch een geloof reconstrueren dat zich dankbaar schikte. Voor zijn kolossale inlevingsvermogen, dat tot Schuberts Heidenröslein reikt, blijft ten minste deze deur gesloten. Hij is Wagners Wotan, Bergs Wozzeck, Schuberts Wanderer, hij is de moderne mens met zijn ontluistering, zijn vlucht voor de pijn met de schoonheid als strohalm. Waar moeten die spanningen heen? Bach heeft er geen geleiders voor. Hier moet je Peter Kooij voor hebben, de Nederlandse bariton die in de Bach-cantatecyclus onder Philippe Herreweghe wel toegang heeft gevonden tot die wereld. En hoe? Door zichzelf te verkleinen tot de naamloos muzische gestalte die geen ik hoeft te acteren.

Op deze plaat vecht een complex karakter met een stof die hij niet met talent kan kraken. De frustratie is voelbaar. Je hoort hem het geloof in de muziek verliezen dat bij Goerne toch al geen geloof in God was. Maar zijn grandioze, boze Christus dan, in de Matthäus onder Harnoncourt? Ja, dat is Christus, de droom en de kater, de verloren utopie, het drama van de hele mensheid. Goerne zingt hem met de echte woede van een man die echt geleden heeft, en onder leiding van een dirigent die Von der Goltz niet in zich heeft.


Bach: Cantatas for Bass, Matthias Goerne (bariton), Katharina Arfken (oboe d’amore), Freiburger Barockorchester olv Gottfried von der Goltz, Harmonia Mundi