Aan de lezers en lezeressen van de groene amsterdammer

Dit is de jaarlijkse, inmiddels een soort traditie geworden, bedelbrief van De Groene Amsterdammer.

Graag zouden wij u deze besparen. Maar het móet, zolang wij De Groene als journalistiek fenomeen en vrijgevochten cultuurgoed overeind willen houden. Wij roepen een onverdachte getuige aan, onze trouwe abonnee Menno ter Braak, die bij leven en welzijn liet weten ‘dat iedere fatsoenlijk intellectueel’ De Groene hoort te lezen.
Dit vleiende oordeel dient onmiddellijk te worden gerelativeerd. Ter Braak schreef deze vriendelijke woorden in 1925. De betreffende intellectuelen zijn inmiddels allang overleden, terwijl de schrijvers die thans voor De Groene verantwoordelijk zijn pas decennia later zijn geboren.
Bovendien, een zichzelf respecterende krant teert niet op het verleden, maar weert zich (ook) man/vrouwmoedig in het heden.
Wat recenter is het oordeel van de econoom Arnold Heertje. Hij noemde De Groene een paar jaar geleden 'een krant van formaat’. Hadden wij maar wat meer verstand van economie! Dan was het niet nodig ons met dit soort oproepen tot steunbetuiging tot de lezer te wenden. Dat formaat gaat trouwens in het jaar 2000 veranderen. Niet alleen omdat elke krant eens in de drie, vier jaar een ander gezicht moet laten zien, maar óók omdat wij ernaar streven een grotere greep op de advertentiemarkt te krijgen. Beschouw dit alstublieft niet als een knieval voor het verderfelijke kapitalisme. Het is bittere noodzaak in een wereld waarin kranten door zowel hun abonnees als hun adverteerders overeind worden gehouden, wat overigens helemaal geen oneerbare situatie is.
Oók De Groene Amsterdammer is alleen een verdediger van de vrijheid van commerciële meningsuiting. Op gepaste afstand. Wij kunnen u bij voorbaat gerust stellen. Onze advertenties zullen de keurigste van de wereld zijn. Advertenties voor automobielen die voortijdig ontploffen of voor maltwhisky’s die met kraanwater zijn aangelengd worden principieel geweigerd.
Vooralsnog hebben wij, voordat de adverteerders ons rijk gaan maken, nog even de helpende hand van de abonnees nodig. U weet, het lezersbestand van De Groene is tamelijk merkwaardig samengesteld. De meerderheid is geleerd en welvarend, véél hoogleraren en geletterde bankdirecteuren. Een minderheid heeft het wat minder getroffen. Dat zijn wetenshongerige studenten, steuntrekkers en vijftigplussers, die zich eigenlijk niet de luxe van een opinieweekblad kunnen veroorloven. Vandaar de constructie die De Groene een paar jaar geleden heeft bedacht. Wij vragen de ene lezer een centje extra, om daarmee de andere lezer tegen kostprijs met het zogenaamde 'sociale abonnement’ te kunnen plezieren.
Nee, armoe is geen schande. Dat geldt zowel voor ons als voor een minderheid onder onze aanhang. Maar lastig is het wél.
In onze jaarlijkse 'state of the union’ plegen wij onbewimpeld te vertellen hoe het met ons gaat. Het gaat ons gelukkig goed. Het abonneepeil groeit, zij het langzaam. De verkoop van losse nummers loopt echter, zoals bij alle weekbladen, terug, waarschijnlijk omdat de uitgevers met de week méér titels de kiosken in proberen te duwen, waardoor een kleine krant als de onze tamelijk onzichtbaar wordt.
Weet men wel wat de omzet van een weekblad als De Groene is? Dat is drieëenhalf miljoen, een bedrag waar de eerste de beste filiaalchef van Albert Heijn alleen maar om lachen moet. Hoeveel zal dit jaar in een programma als Big Brother, kijkobject voor Veronica-voyeurs, zijn geïnvesteerd? Een veelvoud, zo valt te vermoeden. Eén ding weten wij zeker: De Groene Amsterdammer wordt daar, in de kwelders van Almere, zelden ter hand genomen.
Wij redden ons wel, ook zonder hen. Dank zij de lezers die weigeren ons in de steek te laten, hoeveel duistere Franse filosofen en neerslachtig stemmende burgeroorlogen wij u ook in de maag proberen te splitsen.
Het bewijst: geen krant in Nederland heeft een zo trouwe en gemotiveerde achterban als De Groene Amsterdammer.
Blijft de behoefte onzerzijds om tegenover uw generositeit een aardig tegengebaar te maken. Het betreft meestal een boek. Groene-lezers zijn boekenlezers, ook onder de kerstboom. Lezers die ons met minimaal vijftig gulden verblijden krijgen het splinternieuwe boek Vuil werk van Groene-redacteur Joeri Boom. Geeft u vijfenzeventig gulden of meer, dan kunt u ook voor het veelgeprezen boek De eeuw van mijn vader, geschreven door ex-Groene-redacteur Geert Mak, kiezen. Vergeet niet uw keuze op de voorkant van de accept te vermelden.
Want u bent altijd zo aardig voor ons. Daarom zijn wij op onze beurt aardig voor u.
U kunt er ook voor kiezen ons door middel van de, in dit Kerstnummer afgedrukte bon, toe te staan in 2000 elke vier weken Ä11,50 van uw rekening af te schrijven. Wij sturen dan een jaar lang De Groene Amsterdammer naar degene die u met ons blad wilt laten kennismaken. Als tegenprestatie ontvangt u het voornoemde boek van Joeri Boom.
En iedereen, om het even of hij of zij ons een tientje of zijn of haar complete kerstgratificatie schenkt, krijgt het fraaie, door Opland tekende, Groene-certificaat waarmee zij of hij een kennis of familielid drie maanden lang De Groene cadeau kan doen.
Laat u de kerstkrans en de kerstgans goed smaken, lezer. Het is de laatste kerstkrans en kerstgans van dit millennium. Betreed alstublieft onbeschadigd het jaar 2000 en bedenk onderwijl, tussen de verschillende gangen door, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen.