De onderklasse volgens Theodore Dalrymple

Aan de onderkant zijn geen hoffelijke prinsen

De onderklasse heeft de armoede aan zichzelf te danken, zegt de Britse psychiater Theodore Dalrymple. En de elite moet ophouden de armen te pamperen. Conservatief en deels ook progressief Nederland loopt met hem weg, maar zijn manifest is liefdeloos.

Verwarring is misschien nog de beste typering voor het debat tussen vvd-fractievoorzitter Mark Rutte en pvda-fractievoorzitter Mariëtte Hamer dat dit voorjaar plaatsvond in de Rode Hoed. Motto van het debat was: van wie is de onderklasse? Een wonderlijke zin. Wat zou ermee bedoeld worden? Wie is verantwoordelijk voor het bestaan van een onderklasse? Welke partij mag de onderklasse tot haar electoraat rekenen? Wie heeft zeggenschap over de onderklasse? Rutte betoogde dat de onderklasse bestaat uit mensen die armen en benen hebben en dus kúnnen werken maar dat niet willen. Ze vinden het wel comfortabel aan de zijlijn. Daarmee betoonde hij zich een geestverwant van de Britse psychiater Theodore Dalrymple, die in 2004 in Nederland furore maakte met zijn boek Leven aan de onderkant: Het systeem dat de onderklasse in stand houdt.
Een maand later viel Rutte’s partijgenoot Ineke Dezentjé Hamming over een vraag in het havo-eindexamen Nederlands. Op de vvd-website stond dat het ‘niet sociaal is wanneer mensen worden doodgeknuffeld in een uitkering’. De examenvraag luidde of deze tekst ‘afwijzend’ en ‘neerbuigend’ was jegens mensen met een uitkering. Het Kamerlid reageerde als door een wesp gestoken. Dit was ‘hersenspoelen met linkse praat’, en op haar verzoek schrapte staatssecretaris Ank Bijleveld de vraag. In een gesprek met Volkskrant-redacteur Jan Tromp over het relletje vroeg Dezentjé Hamming hem of hij het boek Leven aan de onderkant van Dalrymple kende. ‘Nee? Dat is jammer. Want wat hij zegt is: mensen moeten niet zo gauw zielig gevonden worden, zo van ga jij nou maar naar een uitkering, het maakt niet uit hoe lang het duurt.’
Daar is hij weer. De publicist waar liberaal, conservatief en deels ook progressief Nederland mee wegloopt. Verbazingwekkend hoeveel gezag Dalrymple in Nederland heeft. Want hoe eloquent en geestig hij bij vlagen ook mag zijn, het denkraam onder zijn betoog rammelt fors.

Theodore Dalrymple verdiende zijn sporen als psychiater in achterstandswijken in Londen en Birmingham. Hij werkte er vijftien jaar in een gevangenis en een ziekenhuis en voerde naar eigen zeggen in die jaren tienduizenden gesprekken met slachtoffers en daders van geweld (een snelle rekensom leert dat die gesprekken gemiddeld vier minuten moeten hebben geduurd). Op basis daarvan maakte hij een analyse van de wereld van de onderklasse. Sleutelwoorden: drankzucht, vluchtige en gewelddadige relaties, verwaarlozing, afwezige vaders, gebrek aan zelfbeheersing, kortom naargeestige chaos.
Dalrymple richt daarbij de beschuldigende vinger naar de elite. Die heeft kilo’s boter op het hoofd. De ravage aan de onderkant van de samenleving is te danken aan haar funeste waardenrelativisme, de misvatting dat er geen hoge of lage cultuur zou bestaan, geen goede of foute levensstijlen. Dalrymple hoont ze weg, deze onzalige profeten van onze tijd die krom gedrag recht praten met een verwijzing naar een moeilijke jeugd of sociale achterstelling en criminaliteit beschouwen als een onontkoombaar gevolg van armoede en discriminatie. Precies dat vergoelijken van misstappen waar criminologen, politici en hulpverleners zo in uitblinken, heeft de onderkant van de samenleving herschapen in een stenige, harteloze jungle.
Maar dat vermaledijde gedachtegoed van de intelligentsia deed pas in de jaren zestig opgeld. Welke ideeën dienden de decennia daarvoor dan als steunberen van de onderklasse? En wie of wat is überhaupt verantwoordelijk voor het ontstáán van een onderklasse? En hoe komt het dat landen die niet aangeraakt zijn door de geest van de jaren zestig vaak in heviger mate worstelen met het fenomeen onderklasse dan Dalrymple’s vaderland? De kleurlingen in Kaapstad, de Antilliaanse jongens op Sint Maarten, de bendeleden in Colombia – Dalrymple moet ze toch ook hebben gezien in de tijd dat hij als arts Afrika en Zuid-Amerika doorkruiste.
Wat hem in hoge mate ergert is het slachtoffergedrag waarin de mensen in de onderklasse zich met mokkend genoegen lijken te wentelen. Dat verongelijkte passieve gedrag, is zijn indruk, heeft de laatste dertig jaar een hoge vlucht genomen. ‘Juist in een tijd waarin objectief gezien de vrijheid en kansen voor het individu groter zijn dan ooit tevoren.’ Maar welke vrijheid is toegenomen en voor wie? Ja, er zijn televisies, dvd-spelers en ijskasten in de achterstandswijken van vandaag. Nee, bittere armoe en honger als in de Victoriaanse sloppen wordt er niet meer geleden, maar armoede van de ziel bestrijd je niet met een gameboy. De begrippen ‘ontworteling en overbodigheid’ van Hannah Arendt zijn onverminderd actueel in de getto’s van de 21ste eeuw. Dalrymple heeft ze met eigen ogen gezien, de ontwortelden die na een suïcidepoging werden binnengebracht op de ziekenhuisafdeling waar hij werkte. Hij schrijft: ‘Een stap in de richting van de dood is nog steeds een krachtig signaal van ellende, maar in negen van de tien gevallen is de ellende zelf veroorzaakt of in elk geval de consequentie van de onmacht om te leven.’
Het is een paradox dat je verantwoordelijk bent voor je eigen onmacht. Als je over gereedschap beschikt om de strijd aan te gaan, ben je per definitie niet (meer) onmachtig.

Ik begrijp dat het vermoeiend geweest moet zijn voor Dalrymple: al die mensen in ziekenhuisbedden en gevangeniscellen die de verantwoordelijkheid voor hun leven afschuiven op hun vader, de schooljuf, de minister-president of erger. Het mes in hun hand, het alcoholpercentage in hun bloed. Maar hoe leer je verantwoordelijk te zijn? Doordat anderen je bijsturen, corrigeren, afremmen, bemoedigen, stimuleren, voorleven dat er grenzen zijn, plichten, do’s and dont’s. Opvoeden is beschaven, bíjschaven, primaire driften omvormen, op een hoger plan tillen.
Midden jaren negentig bogen de Amerikaanse wetenschappers Alan E. Kazdin en Mark W. Lipsey zich over de bestaande behandelprogramma’s voor jongeren met antisociaal gedrag. Ze vergeleken honderden publicaties en kwamen tot de conclusie dat therapie pas echt vruchten afwerpt wanneer die zich niet richt op de probleemjongere maar op zijn omgeving. Ik kan me er veel bij voorstellen.
In het Lloydhotel, de justitiële inrichting waar ik jaren geleden als orthopedagoog persoonlijkheidsonderzoeken afnam, ontmoette ik een inbrekertje dat al vanaf zijn vierde jaar door zijn vader was meegenomen op dievenpad. Misschien is het niet helemaal reëel om hem het geïsoleerde verwijt te maken dat hij het tien jaar later niet zo nauw neemt met het achtste gebod. Ik onderzocht een jongen die afwisselend mocht slapen met een van de acht werkneemsters van zijn pooiervader. Het valt te begrijpen dat de gedachte dat vrouwen zijn bezit zijn in hem heeft postgevat.
Maar Dalrymple lijkt dit contextuele, transgenerationele denken vruchteloos te vinden. Hij is de profeet van de vrije wil. Dat deze niet absoluut is, maar geschraagd wordt door persoonlijke geschiedenis, karakter en omstandigheden lijkt mij evident maar is het voor Dalrymple allerminst. Zo schrijft hij over een alleenstaande moeder met drie kinderen van drie vaders die bij hem aanklopt voor hulp: ‘Ze was natuurlijk een slachtoffer van haar moeders gedrag op het moment dat ze weinig invloed had op haar eigen lot’, maar, vervolgt hij, ‘mijn patiënte was niet alleen slachtoffer (…) zij had willens en wetens kinderen gekregen van mannen van wie niets goeds te verwachten viel.’ Willens en wetens? Waren er andere rolmodellen om haar heen dan die moeder die klaarblijkelijk niet deugde? Wemelt het dan in die onderklasse waar Dalrymple geen goed woord voor over heeft van hoffelijke prinsen? Had ze geleerd hoe je relaties goed kunt houden? Had iemand het haar voorgeleefd? Blijkbaar niet, want ze was wel degelijk slachtoffer, zo zegt ook de zelfbenoemde criticus van het slachtoffergedrag, maar op een bepaald moment zet je een punt achter traumatische ervaringen. Of in de woorden van de psychiater: ‘Niemand kan die slechte jeugd veranderen. Daarom vind ik dat je die slechte jeugd niet als excuus moet opvoeren maar er wat van moet leren.’ Wil je iets kunnen leren van een slechte jeugd, dan zul je toch in de eerste plaats moeten erkennen dat zij slecht was en analyseren hoe dat heeft doorgewerkt in de vorming van je persoonlijkheid.

De groep jongens die ik in de jeugdgevangenis onder mijn hoede had, heeft zich op volwassen leeftijd waarschijnlijk voor een deel even onverantwoordelijk en gewelddadig gedragen als de mannen die Dalrymple in zijn praktijk ontmoette. Hun problematische gedrag kwam voort uit een wisselwerking van aanleg, opvoeding en milieufactoren. Open deur zou je zeggen. Toch lijken bij Dalrymple die factoren verwaarloosbare voetnoten. In zijn ogen is de mens een vorst op iedere vierkante meter van zijn leven.
Tijdens een interview dat ik tien jaar geleden had met een inmiddels overleden collega van Dalrymple, de psychiater Andries van Dantzig, vertelde deze dat hij een film over een seriemoordenaar had besproken. ‘De film maakte begrijpelijk wat de man tot dergelijk gedrag dreef, reduceerde hem niet tot een monster maar maakte zijn daden inzichtelijk. Liet hem zien als een mens met menselijke aandriften. Alleen wel aandriften die ons onwelgevallig zijn. In een democratie is het noodzakelijk om maatregelen te nemen wanneer die grenzen overschreden worden, maar veroordelen moet je niemand.’
Met zijn pleidooi voor mededogen is hij een man naar mijn hart, deze psychiater Van Dantzig. Grote kans dat Dalrymple hem zou plaatsen in de categorie ‘moreel-laffe, onverschillige, hypocriete intellectuelen’ die zijn diagnose in moedwillige blindheid ontkennen. Waarschijnlijk zou hij zich meer op zijn gemak hebben gevoeld in het selecte gezelschap van een kleine tweehonderd heren dat zich in 1854 op het Eerste Congres over het Armwezen boog over de vraag: waarom zijn de armen arm? De journalist Suzanna Jansen schrijft daarover in haar boek Het pauperparadijs: ‘Na twee dagen vergaderen, met onderbrekingen voor lunches en diners, werden ze het bij stemming eens over vier oorzaken. De armen waren arm vanwege: één, gebrek aan matigheid in sterke drank; twee, onvoorzichtigheid bij het aangaan van huwelijken; drie, gebrek aan spaarzaamheid; en vier, gebrek aan werk. Armoede was een individuele kwestie, de genoemde oorzaken hadden een hoog eigen-schuld-gehalte.’
Anno 2008 reikt Dalrymple deze geestverwante zielen van 154 jaar geleden instemmend de hand.

Tegelijkertijd is die vrije wil bij Dalrymple soms ook weer minder vrij. Zo zegt hij in het voorwoord van Leven aan de onderkant: ‘Als ik een portret schilder van een manier van leven die elke charme en verdienste mist, en als ik veel mensen beschrijf die bijzonder onaantrekkelijk zijn, dan is het belangrijk te bedenken dat, als een schuldige moet worden aangewezen, het de intellectuelen zijn die daar het meest voor in aanmerking komen.’ De elite was het eerste Barbertje dat moest hangen, maar er is een tweede: de verzorgingsstaat met zijn verderfelijke beleid van pamperen, pappen en nathouden. ‘Die houdt ze in leven’, stelt Dalrymple.
Goed gezien. En dat heet solidariteit. Dat noemen wij humaan. Dat wil niet zeggen dat de samenleving zich moet beperken tot het geven van een zak met geld. Ze zal op allerlei manieren hard haar best moeten doen om het leven van deze groep op een hoger plan te tillen, maar zolang dat niet lukt is het een redelijk alternatief om ze niet dood te laten gaan. Dalrymple neemt overigens niet de moeite om uit te leggen waarom landen die gevrijwaard zijn gebleven van die verfoeilijke verzorgingsstaat (en dat zijn er vele) doorgaans kampen met een grotere onderklasse in erbarmelijker omstandigheden.
Dalrymple hekelt de vertegenwoordigers van het cultuurrelativisme die niet zouden durven beweren dat je in de onderklasse slechter af bent dan in welke klasse ook. Gelukkig, daarover zijn we het eens, je bent in de onderklasse slechter af. Omdat het leven er schraler, killer, harder is, sociaal-economische factoren de keuzemogelijkheden beperken, omdat je hoort tot de categorie arbeidskrachten die werkgevers liever zien gaan dan komen. Maar Dalrymple stelt zich in dit opzicht zelf op als een cultuurrelativist. Waar je wieg heeft gestaan; wie je vader en moeder waren; of geld, liefde, boeken en muziek je ouderlijk huis vulden of ruzies, drank en geweld; in welke mate je empathie gescherpt en je denkkracht geschoold is – het maakt allemaal niet uit, iedereen is even verantwoordelijk. En aan de weigering verantwoordelijkheid te dragen ligt een diepe oneerlijkheid ten grondslag.
Hij stelt dat het leerzaam is om naar de taal van gedetineerden te kijken, omdat die ons veel leert over het oneerlijke fatalisme waarmee ze zichzelf aan anderen proberen te verklaren. ‘Het mes ging erin, het bier werd gek.’ Hij maakt van dat zelfbedrog een intentie. Maar misschien kent het repertoire geen andere registers.
Nog zo’n dooddoener vindt hij de uitspraak van criminelen: ‘Mijn hoofd moet geordend worden.’ Alsof hun geest een doos met blokken is die schots en scheef zijn opgestapeld. Maar zo gek is dat beeld nog niet. Veel gedetineerden worstelen met psychische problemen. Oftewel: een ongeordend hoofd. Bij uitstek vertrouwd terrein voor een psychiater, zou je denken.

Het afschuiven van verantwoordelijkheid voor eigen gedrag is geen kwade trouw maar het resultaat van een opvoeding die in gebreke is gebleven. Omdat ouders niet wisten hoe het moest, vaak net zomin als hún ouders het wisten. Niet alleen talent en kennis, maar ook onvermogen en falen worden van generatie op generatie doorgegeven. De oplossing van Dalrymple is even simpel als drastisch. De samenleving moet haar handen aftrekken van al die hardleerse zwakke broeders en zusters. Niet betalen voor kinderen die buiten het huwelijk geboren worden, of de uitkering van de moeder inhouden, of weigeren haar woonruimte aan te bieden. ‘Ze zoekt het maar uit, dan zal ze wel leren.’
Ik zou me sterk willen maken voor een andere houding. Voor een samenleving die vangnet is voor falende ouders door naast verzorging ook opvoeding tot haar core business te rekenen. Die zich verantwoordelijk voelt voor het wel en wee van haar minderjarigen vanaf de wieg tot aan de volwassenheid, op straat én achter de voordeur. Die sterke informele netwerken om zwakke opvoeders weeft, die hoogwaardig onderwijs in achterbuurten opzet, waarbij leerlingen niet alleen cognitief maar ook sociaal en emotioneel geschoold worden. Die leefomgevingen creëert die niet de naargeestigheid ademen van een stenige straatjungle maar de vriendelijke leefbaarheid van een licht en kleurrijk woonparadijs. Die probleemjongeren niet afschrijft als kansloze tweederangsburgers, maar bij de gemeenschap haalt en houdt door te roepen: Yés we can! In plaats van te wijzen: Yóu should!
Ik zou Dalrymple willen vragen wat zijn moeder hem vroeg: of hij niet het risico loopt door zijn persoonlijke ervaringen verbitterd te raken. Wat hij gaandeweg verloren lijkt te zijn is mededogen. Het maakt zijn moralisme kil, zijn manifest liefdeloos. Het interview van Bas Heijne met Dalrymple in NRC Handelsblad sluit af met de zin: ‘In mijn nieuwe boek noem ik Shakespeare een realist die niet cynisch is en een idealist die geen utopist is. Dat is een mooi ideaal.’ Waarvan akte.