Socioloog Saskia Sassen over brutaliteit en extremiteit in de wereldeconomie

Aan de rand van het systeem

De pathologieën van het mondiale kapitalisme kunnen niet meer begrepen worden in de gebruikelijke termen van armoede, ongelijkheid en onrechtvaardigheid, betoogt Saskia Sassen. In haar nieuwe boek Expulsions neemt ze ‘verdrijvingen’ – van mensen, levensruimte en de biosfeer – als uitgangspunt.

Medium porpar448951

Het huidige succes van de Franse econoom Thomas Piketty, die met zijn boek Capital in the 21st Century economische ongelijkheid op de politieke agenda heeft gezet, doet de beroemde Nederlands-Amerikaanse sociologe Saskia Sassen denken aan haar eigen doorbraak in 1991. Destijds was ook Sassen begin veertig en betrad net als Piketty na decennialang onderzoek de publieke arena met de publicatie van een ambitieus, data-rijk boek – in haar geval The Global City (zie kader). ‘Daarna komt het er nooit meer van’, zegt ze, als een pseudo-serieuze waarschuwing aan Piketty, tijdens een interview in haar appartement aan Washington Square in New York. ‘Alle tijd gaat voortaan op aan lezingen, interviews en nevenfuncties.’

Dan, serieuzer: ‘Veel van wat Piketty behandelt, is al langer bekend en er zijn al veel boeken over ongelijkheid geschreven. Maar zijn werk steunt op vijftien jaar uitzonderlijk onderzoek. Zo leert hij jonge academici een les: doe serieus onderzoek. Stel niet zomaar wat samen en gooi het de wereld in.’

Sassen was een van die academici die al eerder over ongelijkheid publiceerden. ‘Ik heb er een hoofdstuk over in The Global City. De kritiek was enorm, vooral in de Verenigde Staten. Met artikelen getiteld Waarom Sassen ongelijk heeft. Maar toen het onderwerp zo’n vijf jaar geleden weer opdook in het debat had niemand het meer over mijn boek. Terwijl ook ik enorm veel onderzoek had verricht, vooral naar de rol van finance met betrekking tot ongelijkheid.’

Zo klinkt het bijna alsof Sassen de Fransman benijdt. Maar zo bedoelt ze het niet: ‘Piketty opent een gigantische ruimte achter de nauwe versies van ongelijkheid die we doorgaans hanteren. Dat is goed voor ons allen. Zijn mix van geschiedenis, sociologie en economie opent een ruimte voor meer ideeën. Ik denk dat het ook ruimte creëert voor mijn kleine boek.’

Dat ‘kleine boek’ is Expulsions: Brutality and Complexity in the Global Economy – met 222 pagina’s (exclusief noten) voor Sassen inderdaad aan de korte kant – waarin ze het vizier richt op de wijze waarop binnen de huidige, financialized wereldeconomie extreme situaties nagenoeg onzichtbaar blijven. Zo bezien is Expulsions, weliswaar voornamelijk op andermans data steunend en aanzienlijk korter dan Capital, qua reikwijdte een ambitieuzer boek. Waar Piketty middels historisch dataonderzoek een zekere dynamiek binnen het kapitalisme aantoont die onherroepelijk tot meer ongelijkheid zou leiden, doet Sassen iets anders. Zij probeert de dynamiek te vatten die onze nabije toekomst vorm gaat geven. Ze kijkt dus niet naar ongelijkheid in het verleden, maar vraagt zich af hoe ongelijkheid er nu uitziet in de wereld.

Bij haar gaat het niet over langzaam groeiende inkomensverschillen, maar over de miljoenen mensen die verdreven zijn – uit hun banen, van hun land, zijn gedetineerd of simpelweg vergeten. Over miljoenen mensen die irrelevant zijn – als consument, als arbeidskracht, als burger. En over delen van de aarde en de biosfeer die het afleggen tegen een economisch systeem dat de logica van het winstprincipe volgt. Steeds concludeert Sassen dat de complexiteit, die inherent is aan de economische operaties die ons dagelijkse leven vormgeven, de ruimte geeft aan ‘brutaliteiten’ – begaan tegen mens, dier en biosfeer.

Een voorbeeld uit haar boek zijn de zogenaamde land grabs: de aankoop van land, dat toebehoort aan (doorgaans arme) soevereine staten, door machtige staten en multinationals – met alle gevolgen van dien voor de mensen die er wonen en voor hun levensruimte. Wat met de van hun land verdrevenen gebeurt is wellicht niet zo anders dan wat is gebeurd met bijvoorbeeld de miljoenen Amerikanen die sinds de financiële crisis uit hun huis werden gezet, suggereert Sassen. Als JP Morgan land koopt in Rusland is dat niet om erop te boeren. Als JP Morgan subprime hypotheken verpakt in derivaten is dat niet om huiseigendom binnen bereik te brengen van minder kredietwaardige Amerikanen.

Een ander voorbeeld is dood land en dood water. Zo zoomt Sassen in op de opeenhoping van plastic en ander afval in de oceanische gyren (kringlopen), ook wel de plasticsoep genoemd. We weten dat de totale hoeveelheid drijvend afval op aarde ongeveer zo groot is als de staat Texas. Tegelijkertijd weet niemand wat de daadwerkelijke ecologische schade is van het onzichtbare plastic in de plasticsoep, omdat dit tot deeltjes van moleculaire grootte is afgebroken en aldus – onzichtbaar – de oceanische biosfeer in is gelekt. Zo onzichtbaar als de tentenkampen vol daklozen in de heuvels rondom Silicon Valley, als het ware.

In Expulsions poogt Sassen de ruimtes van al deze verdrijvingen zichtbaar te maken, in de hoop dat dit tot aanknopingspunten leidt voor de articulatie van economische alternatieven en van een politiek van verzet. Dat kan echter niet aan de hand van de gebruikelijke categorieën als ‘economische groei’ of ‘soevereine staten’, betoogt Sassen. Die gooit ze derhalve overboord. In plaats daarvan ‘activeert’ ze bepaalde bestaande categorieën die ze wel bruikbaar acht, zoals ‘territorium’.

Hoe werkt dat?

‘De dominante manier van denken over territorium is als nationaal, dus aan de hand van interstatelijke geografie. Dat is te nauw voor mij om er analytisch iets mee te kunnen. Neem een nikkelmijn in Noord-Rusland en een goudmijn in Montana. De eerste heeft een Russische, communistische geschiedenis, de tweede is op Amerikaanse, kapitalistische leest geschoeid. Daarmee zeg je heel veel, maar hoe significant is dat? Ik wil die mijnen van dergelijke context ontdoen en vaststellen dat ze beide uitzonderlijk destructief zijn en wat we daaraan moeten doen. Dat is zowel radicaal als gepassioneerd. Iets vergelijkbaars zie ik gebeuren met migratiestromen.’

In Expulsions staat u uitgebreid stil bij de rule of law, de rechtsorde. Waarom?

‘De rechtsorde is ooit door Europese staten ontwikkeld om hun soevereiniteit te waarborgen in het tijdperk na de goddelijke koningen. Tegenwoordig gebruiken globaliserende bedrijven de rechtsorde als een kritische mogelijkheid om een economische logica te legitimeren die juist haaks staat op de ontstaansgeschiedenis van natiestaten. Een belangrijk onderdeel van die logica is hoe we economische groei meten. Dat doen we dusdanig dat deze probleemloos kan samengaan met grootschalige verdrijvingen. In de VS is het gevangeniswezen een goed voorbeeld daarvan. We sluiten meer mensen op dan ooit, met gigantische kosten voor de belastingbetaler. Maar omdat gevangenissen deels geprivatiseerd zijn, keren die kosten als private winst terug in het bruto nationaal product. Zo leidt het opsluiten van miljoenen mensen tot groei.’

Medium portret saskia sassen klein

U concentreert zich bewust op ‘extreme omstandigheden’, zoals de massale detinering in de VS, dood land in de Sahara of jeugdwerkloosheid in Griekenland. Waarom?

‘Om de logica van een systeem te begrijpen, moet je kijken naar wat zich aan de rand van het systeem afspeelt. Dat zijn per definitie extreme omstandigheden, die vaak nauwelijks zichtbaar zijn, zoals de daklozen in tentenkampen vlak buiten Los Angeles. Dat brengt me terug op de wijze waarop we economische groei meten. Die kan namelijk gebruikt worden voor wat ik economische schoonmaak noem (een woordspeling op de term ‘ethnic cleansing’ – mvg). Spanje heeft bijvoorbeeld sinds kort weer enige economische groei. Dat komt goed uit, want er is wereldwijd veel meer kapitaal voorhanden dan bestemmingen om het te investeren. Dus Spaanse obligaties zijn weer in trek. Maar voor er weer ruimte voor groei kon komen, moest de economische ruimte drastisch worden ingekrompen. Dus nu heb je in Spanje zestig procent jeugdwerkloosheid, honderdduizenden nieuwe daklozen, kleine ondernemingen die failliet zijn. Hetzelfde gebeurt in Griekenland.’

De logica van conservatieve economen en beleidsmakers is daarentegen dat de hernieuwde aantrekkelijkheid van Spaanse en Griekse staatsobligaties juist tot de inclusie van de verdrevenen zal leiden. Hebben zij een punt?

‘Ja en nee. Als je naar de afgelopen twintig jaar kijkt, dan zie je dat mensen – als consumenten en als arbeidskrachten – er steeds minder toe doen. Zeker, er wordt zeer goed verdiend aan luxueuze consumptie, wat een totaal geglobaliseerde markt is geworden. In Nigeria kopen de rijken dezelfde luxe nicheartikelen als hier in New York. Maar vooral in armere landen is de waarde van het land vaak groter dan die van de mensen die erop wonen – dus die moeten dan verdwijnen ten gunste van een palmplantage.

In onze meer complexe economieën doet een consumentenmarkt er nog wel toe, maar het is niet meer als vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen Europa, de VS en Zuid-Amerika een enorme uitbreiding van hun middenklassen zagen. Toen was consumptie de leidende economische sector. Dat is nu vervangen door de grootschalige financialization van dingen. En zodra men dit doet, telt niet elke persoon meer. Als je consumentenproducten verkoopt, dan telt elke persoon die je klant kan worden. Dus zelfs als we weer groei gaan zien, dan denk ik dat we met het economische systeem dat we nu in ontwikkelde landen hebben geen grote banengroei gaan zien.’

Net als Piketty betoogt u dat de periode na de Tweede Wereldoorlog tot aan de jaren tachtig een uitzondering was in de wereldgeschiedenis.

‘Piketty’s mix van geschiedenis, sociologie en economie opent een ruimte voor meer ideeën’

‘Ja. Dat was het gevolg van de grootschalige verwoesting tijdens de oorlog, waardoor semi-gesloten economieën gedwongen waren te herbouwen. Het leidde tot een keynesiaanse periode met ongekende groei, waarin alle economische actoren – bedrijven, vakbonden, de staat – samenwerkten om een economie te bouwen die naar inclusie streefde. Het leidde tot uitzonderlijke economische voorspoed en collectieve welvaart. De dynamiek die dit mogelijk maakte is afgebroken en ik zie die niet meer terugkeren, behalve wellicht in door oorlog en conflict getroffen gebieden als Libië en Syrië, waar de mensen gedwongen zijn gezamenlijk te herbouwen. Ook in China lijkt de groei van de middenklasse zijn piek te hebben bereikt.’

Als de omstandigheden van vlak na de Tweede Wereldoorlog niet meer zullen terugkeren, wat zou volgens u een succesvol economisch systeem zijn voor deze tijd?

‘Zelf ben ik een socialist, maar omdat ik een dergelijk systeem vooralsnog niet haalbaar acht, stel ik mezelf de volgende kritische vraag: hoe breiden we de operationele ruimte van de economie uit en hoe komen we tot een economisch systeem dat de baten van zo’n uitbreiding eerlijker verdeelt dan hoe we welvaart momenteel verdelen? Op dit moment is de operationele ruimte van de economie juist geslonken, deels omdat finance sommige operationele ruimtes niet nodig heeft om hyperwinsten te boeken.

Dus doe ik een stap terug en stel de vraag: wat is extreem negatief in deze tijd? Om iets vanzelfsprekends aan te voeren: de vermenigvuldiging van toxische locaties. ’s Werelds kustwateren tellen alleen al meer dan 440 dode locaties, waar simpelweg geen zuurstof meer voorkomt. Dus als we nu eens politiek en ideologie negeerden en gewoon die troep opruimden, dan zou je aardig wat economische verdeling kunnen bewerkstelligen. Je zou enorm veel arbeidskrachten nodig hebben. Of denk aan al die mensen op de wereld die geen huisvesting hebben. Stel je voor dat we voor al die mensen zouden gaan bouwen. In sommige landen zou dit betekenen dat we hele nieuwe steden moeten bouwen. Dit zijn in potentie ook heel winstgevende activiteiten.’

Voorziet u hierin een rol voor ‘de staat’?

‘We kunnen niet opnieuw welvaartsstaten opbouwen zoals we dat na de Tweede Wereldoorlog deden. Toen waren de overheden rijk, het waren sleutelspelers in de economie. Nu zijn ze alle armer en hebben ze forse schulden, deels doordat bedrijven almaar minder belasting betalen.

Los daarvan stel ik vast dat de staatshoofden en nationale regeringen geïnternationaliseerd zijn, zoals dat ook is gebeurd met burgemeesters van wereldsteden. Staten werken al langer samen, helaas alleen om een corporate economisch en financieel wereldsysteem te creëren dat tot de verdrijvingen leidt die ik in dit boek bespreek. Kortom, de capaciteiten zijn al ontwikkeld, alleen met het verkeerde doel. De vraag is nu: hoe switchen we de organiserende logica daarachter, opdat die capaciteiten ingezet worden voor de oplossing van kwesties als grootschalige honger, droogte en migratie, gebrekkige huisvesting, ziektes die op het punt staan zich te verspreiden. De uitdaging is: hoe verbind je dat alles met een winstlogica die geen hyperwinstlogica is? Want dat is het probleem dat finance genereert: het creëert zulke hyperwinsten dat investeren in bijdegrondse projecten niet erg aantrekkelijk is voor de gemiddelde kapitalist.’

Als finance het probleem is, hoe dient dit te worden beteugeld?

‘Het komt erop aan dat finance voldoende tegenslagen krijgt en het lijkt erop dat dit begint te gebeuren. Er worden momenteel enorme aanklachten voorbereid tegen de banken. En het publieke debat verandert. Tot voor kort was ongelijkheid in dit land een blasfemisch woord, daar had je het niet over. Het bestond niet eens. Mensen hebben hoogstens verschillende motivaties in het leven. We zijn een meritocratie. We raken voorbij dergelijke gemeenplaatsen.

Daarnaast denk ik, en nu heb ik het over alle complexe economieën, dat mensen bereid zijn nieuwe dingen te proberen. Kijk naar al die kleine lokale economieën die we zien opkomen rondom stedelijke landbouw, rondom ambachtelijkheid. Natuurlijk is dit allemaal nog erg kleinschalig en zal het nooit de wereldeconomie vervangen, maar het is veelzeggend dat het op veel verschillende plaatsen gebeurt. Dit zijn de eerste aanzetten tot nieuwe trajecten.’

Hoe manifesteert structurele verandering zich in een complex systeem als de moderne wereldeconomie?

‘Als je vanuit de lucht naar een willekeurige streek in Engeland tijdens de industriële revolutie zou kijken, dan zou je denken: prachtig, de tijd heeft hier stilgestaan. Maar wat je zou zien was al lang geen agrarische cultuur meer. Al die lammeren en gewassen waren al industriële commodity’s in andere delen van de wereld. Ze waren voedsel voor de fabrieksmachines.

Zo probeer ik te ontdekken wat het is dat ons vandaag de dag ontgaat. Mijn stelling is dat we niet genoeg weten. Zoals ik tegen het einde van het boek zeg: nu we weten dat de verdrijvingen zo divers en grootschalig zijn en dat ze op zoveel verschillende plaatsen plaatsvinden, en dat ze zoveel verschillende oorzaken hebben, dan wordt dat een onderzoeksagenda.

De uitdaging is dat we niet slechts met roofzuchtige of onverschillige elites te maken hebben, maar met roofzuchtige formaties, systemen waartoe technologieën behoren. En vergeet de wet niet; vooral de wijze waarop we het internationale recht hebben ontwikkeld is zeer belangrijk. Veel misbruik – op het gebied van boekhouding, belastingen en financiële compensatie voor topbestuurders – is gewoon legaal. Dus is het niet genoeg om alle rijken neer te schieten. Dat werkte misschien in de Franse Revolutie, maar nu niet meer. We hebben te maken met systematische samenhangen die individuele mensen overstijgen.’

Saskia Sassen - Expulsions: Brutality and Extremity in the Global Economy, Harvard University Press, 298 blz., gebonden, € 27,-


Saskia Sassen

De Nederlands-Amerikaanse sociologe Saskia Sassen (1949) richt zich in haar onderzoek op globalisering, immigratie, wereldsteden, nieuwe technologieën en ‘veranderingen binnen de liberale staat die het gevolg zijn van transnationale omstandigheden’. Steeds heeft ze daarbij oog voor sociale, economische en politieke dimensies.

Haar eerste onderzoeksproject leidde tot de publicatie van The Mobility of Labor and Capital (1988). Daarin was haar these dat buitenlandse investeringen in minder ontwikkelde landen kunnen leiden tot een toename van emigratie wanneer deze investeringen worden gedaan in arbeidsintensieve sectoren of wanneer ze de traditionele economie verstoren. Haar tweede grote project leidde tot The Global City (1991), waarmee Sassen een publieke intellectueel werd. Ditmaal was haar these dat de globaliserende economie behoefte heeft aan territoriale inlassen en dat deze behoefte het sterkst speelt in zeer gedigitaliseerde en geglobaliseerde sectoren.

Haar derde grote onderzoeksproject culmineerde in de publicatie van Territory, Authority, Rights: From Medieval to Global Assemblages (2006), waarin ze betoogde dat globalisering – in economische, culturele en subjectieve zin – zich in hoge mate binnen nationale omgevingen en instituten afspeelt. Dit maakt globalisering deels onzichtbaar, omdat het zich als een nationaal fenomeen manifesteert, terwijl het wel degelijk denationaliseert wat ooit als nationaal was geconstrueerd.

Sassen is als hoogleraar sociologie verbonden aan Columbia University in New York en vervult verschillende nevenfuncties. Zo is ze lid van de Council on Foreign Relations en de National Academy of Sciences Panel on Cities. Haar lange academische carrière heeft haar verscheidene prijzen en eredoctoraten opgeleverd, onder meer van de Ecole Normale Superieure in Parijs, DePaul University in Chicago, University of Notre Dame, het Royal Stockholm Institute of Technology en de Technische Universiteit Delft. Een breder publiek bereikt ze middels haar essays en opiniestukken in onder meer The New York Times, The Guardian, Le Monde Diplomatique en The Financial Times.

Beeld: (1) Albanese en Kosovaarse families leven en slapen bij de ingang van station Place Carnot in Lyon, Frankrijk (Jerome Sessini/Magnumn/HH). (2) Saskia Sassen (Picnicnetwork.org)