Palestijnse familie komt eigen huis niet meer in

Aan de rand van het vaderland

In 1998, na het Oslo-akkoord, verhuisde de Palestijnse familie Madi van Nederland naar de Westelijke Jordaanoever. Elke drie maanden haalden ze in Jordanië een nieuw toeristenvisum. De laatste keer ging dat mis.

AMMAN – «Mijn hart is daar», zegt de negentienjarige Rola Madi. Haar moeder Iman droomt elke week wel een keer over haar huis in de Palestijnse stad Salfit. Als het kon zouden ze morgen teruggaan, maar de Israëliërs laten hen niet meer toe. Drie jaar geleden werd Iman bij de grens tussen Jordanië en Israël tegengehouden met het geweer op haar borst. Ze was de eerste controlepost al gepasseerd en stond op de Westelijke Jordaanoever. «Schiet mij maar dood», had ze gezegd, «dan sterf ik tenminste in mijn eigen land.» Omdat de kinderen begonnen te gillen, is ze teruggegaan. Naar Amman, waar ze sindsdien in ballingschap leeft.

In 1998 volgde ik de familie Madi voor de VPRO-radio vanuit Nederland naar Palestina. Na het Oslo-akkoord leek er hoop op vrede, en vader Abdelrahim, die al meer dan dertig jaar in Nederland woonde, ging met vervroegd pensioen. Die zomer vertrok hij met zijn vrouw en kinderen van dertien, acht en vijf naar zijn geboortestad Salfit, waar hij een mooi huis had laten bouwen. Een container met Nederlandse spullen volgde.

Die eerste zomer werd de machtsverhouding tussen Israël en de Palestijnse autoriteiten meteen duidelijk. De Israëlische ambassade in Den Haag had Ab verzekerd dat de verhuizing geen enkel probleem was. Toen ze er eenmaal waren bleek, vrede of niet, dat over de container met huisraad en speelgoed meer dan duizend dollar belasting moest worden betaald. Alternatief was om de inboedel tegen een fors uurtarief in de haven van Haifa te laten opslaan. Die eerste maanden gingen Cindy en Rola op school in Nablus, waar toen veel teruggekeerde Palestijnen woonden. Maar bij de minste spanning sloot het Israëlische leger de wegen af en konden ze Salfit niet uit. Abdelrahim moest zijn plannen voor handel in zonnepanelen opgeven.

Na zes jaar zie ik de Madi’s terug in een souterrain in Amman. De televisie staat de hele dag aan: Egyptische soaps en de Arabische versie van Idols. Als Amar uit Salfit optreedt, gaat het volume op vol. De kinderen springen door de kamer terwijl Abdelrahim aan zijn waterpijp met zoete tabak zuigt. In plaats van een glimmende Mercedes staat er nu een japanner met een kapotte versnellingsbak voor de deur. Imans vingers flitsen voortdurend over haar mobieltje; ze stuurt sms’jes naar haar zus en vriendinnen in Salfit.

Iman was er gelukkig. Ze had een eigen winkeltje en studeerde aan de hogeschool die eind jaren negentig was geopend. De kinderen begonnen Nederland te vergeten. De oudste, Rola, is zelfs de islamitische hoofddoek gaan dragen, zij het dan met een strakke spijkerbroek eronder. Ze doet het in fases, legt ze uit. Volgend jaar als ze twintig is, zal ze ook de overjas die haar vormen verhult aantrekken.

De spannende tijd van de tweede intifada die in september 2000 begon, roept niet alleen slechte herinneringen op. De saamhorigheid was groot, zegt Iman. Na elke Israëlische beschieting belden zussen en vriendinnen elkaar om te horen of er niks gebeurd was. En op het laatst ging ze met de kinderen «buiten naar de overvliegende raketten kijken alsof het vuurwerk was».

Elke drie maanden trokken ze de grens met Jordanië over om een nieuw toeristenvisum te halen. Ze behielden hun Nederlandse papieren, want Abdelrahim wilde een achterdeur openhouden. En toen, een jaar na het begin van de intifada, liep het mis. Na een bezoek aan Jordanië werden ze bij de grens tegengehouden omdat ze illegaal in Palestina zouden verblijven. De Israëlische grenspolitie zette een groot stempel in het paspoort. Nog twee keer probeerden ze het met nieuwe paspoorten, maar hun naam dook telkens op in de computer. In februari 2002 ging Iman nog één keer. De kinderen hadden al een visumstempel gekregen. Maar toen zij aan de beurt was, keek de grensbeambte heel lang naar het computerscherm en verdween. Twee uur later kwam ze met soldaten terug om Iman en de kinderen terug naar Jordanië te jagen.

Zijn ze naïef geweest om te geloven in een vrij Palestina? Volgens Iman niet. Zij groeide op als vluchteling in Jordanië en woonde later in Koeweit. Voor haar is Salfit de stad waar haar familie na de oorlog van 1967 niet terug kon komen. Ze wil dat de kinderen er een thuis hebben. Abdelrahim, die als oudere man dichter bij zijn familie wilde wonen, twijfelt. Hij zou ook in Nederland weer kunnen aarden zegt hij, maar dat is financieel onhaalbaar. En Iman en de kinderen gaan zeker niet mee. Alleen Rola spreekt nog een beetje Nederlands.

Bij de Allenby-bridge is de Jordaanrivier maar een paar meter breed. Toch is «de brug» die door Israëliërs wordt gecontroleerd een bijna onneembare hindernis. Voor inwoners van de Westbank is de route via Jordanië de enige manier om het land uit te komen omdat geen Palestijn meer over Israëlisch grondgebied mag reizen. Mensen met buitenlandse paspoorten krijgen er voorrang; degenen met Palestijnse papieren moeten vaak dagen wachten. Wie een eigen staat wil, moet kennelijk geduld hebben. Daarbij komt dat mensen met een dubbele nationaliteit worden gedwongen de Palestijnse procedure te volgen, anders nemen de Israëliërs hun papieren in beslag. En daarmee vervalt het recht om zich in Palestina te vestigen en kan er weer een Palestijn uit de statistieken worden geschrapt.

Via Oost-Jeruzalem reis ik naar Kalandiya checkpoint, net ten zuiden van Ramallah. De stad ingaan is geen probleem, maar aan de andere kant drommen mensen samen om door de militaire corridor de stad te verlaten. Elke avond gaat het checkpoint dicht. Links van de doorgaande weg naar Ramallah is de Israëlische «veiligheidsmuur» verrezen. Hier en daar prijkt een vlek van een verfbom of een Arabische leus. Rechts van de weg naar Ramallah ligt een vluchtelingenkamp uit 1948, dat in een echte woonwijk is veranderd. Op de heuvelrug erachter staan prikkeldraadhekken met zoeklichten. Daar zullen appartementen blokken gebouwd worden voor nieuwe settlers, Israëlische kolonisten. In de vluchtelingenwijk zijn de steekvliegen die ’s avonds rondzwermen omgedoopt tot «settlers» en opvallend veel honden heten er Sharon.

Vanuit Ramallah is in de verte de Middellandse Zee te zien, maar niemand kan erheen. Zelfs een tocht naar de Dode Zee in het oosten is onmogelijk omdat de Israëliërs het grens gebied tot militaire zone hebben verklaard. In de stad zijn hotels en grote villa’s met camouflagenetten en afweergeschut in kazernes veranderd. Buiten Ramallah stuit men op wegversperringen met Israëlische soldaten, opgeblazen asfalt of wegen die – voor Palestijnen althans – alleen met bepaalde vergunningen toegankelijk zijn. Als een spinnenweb loopt het perfect onderhouden Israëlische wegennetwerk over de Westbank.

«Ramallah is een gevangenis van tien bij tien kilometer», verzucht de Vlaamse Tinne Verhoeven, die net als de Madi’s in de euforie na Oslo met haar man Mohammed vanuit Europa naar de Westbank verhuisde. Ondanks Mohammeds goede baan bij US-Aid hebben ze besloten weg te gaan. Hun zoontje zag tijdens de Israëlische inval, toen ook de burelen van president Arafat met de grond gelijk werden gemaakt, hoe bij Kalandiya checkpoint drie mensen werden neergeschoten. Tinne lijdt aan slapeloosheid, voelt zich niet veilig meer. En voor Mohammed is de Israëlische muur die zijn geboortedorp in het noorden in tweeën deelde de «psychologische doodsklap». Het Palestina van zijn jeugd is vermorzeld. «Ik kende er elke boom», zegt hij.

De apartheidsmuur, zoals de Palestijnen hem noemen, moet 780 kilometer lang worden en loopt straks om de hele Westbank heen. Ongeveer een kwart staat al overeind, maar het Israëlische Hooggerechtshof heeft de bouw tijdelijk stilgelegd na klachten van Palestijnse belangenorganisaties. Op een paar plekken zal de muur omgeleid worden om een klein aantal Palestijnen te ontlasten. De legitimiteit van de muur trok het hof echter niet in twijfel. Zelfs niet nadat het Internationaal Strafhof in Den Haag afgelopen juli verklaarde dat die illegaal is omdat hij op Palestijns grondgebied is gebouwd, dus dat er geen sprake is van «betwiste gebieden» zoals Israël beweert, maar van een bezetting. De muur moet worden afgebroken, luidt het oordeel.

Maar ondertussen gaan de plannen gewoon door. Vanuit het noorden rukt het gevaarte op en ook bij Jeruzalem staan al losse stukken. Hele dorpen zullen ommuurd worden. De stad Qalqilya ligt inmiddels in een ballon met in een smalle doorgang naar de rest van de Westbank een door militairen bewaakte toegangspoort. Als de muur gereed is, heeft Israël 43 procent van de Westelijke Jordaanoever geannexeerd. Zo krijgen de Israëliërs controle over het regenwater dat van de westelijke flanken van de heuvels en bergen de kustvlakte in stroomt. En ook komt het merendeel van de nederzettingen aan de Israëlische kant van de muur te liggen. Bij Salfit, vlak bij de grote nederzetting Ariel, zal de muur twintig kilometer diep in Palestijns grondgebied steken. Op de tekening staan geen poorten. Een Palestijns dorp bereiken dat hemelsbreed een half uur lopen is, kost straks een dag reizen.

Bij mijn bezoek in 1998 stond Abdelrahim me bij de Israëlische benzinepomp aan de hoofdweg naar Ariel op te wachten. Voor we naar Salfit gingen, wilde hij me eerst de hypermoderne joodse stad laten zien. Een slagboom hield ons tegen. Ondanks het feit dat we als Nederlandse staatsburgers in een Nederlandse auto reden, kwamen we er niet in. Waar we toestemming moesten vragen, wist de Israëlische militair niet. En dat was in vredestijd. Nu kan niemand de nederzetting naderen zonder een militaire patrouille tegen te komen. Salfit is nog maar van één kant te bereiken via een bochtig bergweggetje vanwaar je beneden in het dal de auto’s en bussen over de kolonistenweg ziet razen. Soms sluit het leger dat ene weggetje ook nog af.

’s Avonds zit ik in Salfit bij Imans zuster Sanaa in de tuin. «Ik weet elke dag wat Iman kookt», zegt ze. Het dochtertje dat ze na haar zusters vertrek kreeg, heet Iman. Nadat het gebeurd was, heeft Sanaa dagen moeten huilen, zegt ze. «I love Iman», herhaalt ze telkens. Sanaa heeft al haar hoop op mij gevestigd. Maar als drie keer een nieuw paspoort van het Nederlands consulaat in Amman geen oplossing heeft geboden, wat kan ik dan doen? De stilte hangt zwaar tussen ons in, tot een ezel oorverdovend begint te balken. Als hij ermee ophoudt, hoor ik monotoon gezoem. Het is een van de vliegende onbemande camera’s die de stad voortdurend bespieden, zegt Sanaa. Haar tienerzonen springen op als een onzichtbare helikopter over dendert. Ze turen in het duister maar er is niks te zien. Even later schiet een oranje lichtkogel de lucht in. Vanuit de bergen waar ver weg de nederzettingen wit schitteren, klinken doffe knallen. In gedachten verzonken drinkt Sanaa haar zoete thee.

Net als in 1998 maken we een rondgang langs familieleden. Een achterneef van Abdelrahim haalt de sleutel van het huis dat al sinds november 2001 leegstaat. Aan de muur hangt een familiefoto: vader en moeder Madi met drie stralende kinderen. Sanaa voert me naar boven, de slaapkamer in met het onbeslapen tweepersoonsbed. De muren van de meiden vol popsterren. Bij Rashaad is het een bende, alsof hij elk moment kan binnenstormen.

Imans vrolijke nicht Huda wil zo snel mogelijk weg uit Palestina, zegt ze, hoewel haar man Taisir nu eindelijk weer een baan heeft. Hij werkt in de kozijnenfabriek van een nabijgelegen nederzetting waar hij – met zijn jarenlange timmermanservaring – de helft verdient van «de net aangekomen Russen». Huda verdient bij door zich met twee vriendinnen te verhuren voor bruiloften. Zij draait muziek, één vriendin hanteert de videocamera, de andere maakt familieleden van de bruid op. Het gaat redelijk nu, maar als het Amerikaanse visum binnenkomt, zijn ze meteen vertrokken, zegt ze. Of anders moet Taisir maar als gastarbeider in het buitenland gaan werken. Het leven is te zwaar en te duur geworden.

«Waarom mag mijn neef niet in zijn eigen huis en stad wonen? Gelden mensenrechten alleen voor Israëliërs?» vraagt dr. Bassam Madi. Hij is hoofd van de regionale gezondheidszorg. Naast de problemen met zijn naaste familieleden maakt hij zich vanuit die functie ook ernstig zorgen over de «apartheidsmuur» die de satellietkliniekjes zal loskoppelen van het ziekenhuis in Salfit. De muur heeft ook psychische gevolgen; mensen komen steeds vaster te zitten. Ommuurd, beroofd van hun land, zonder werk. Van de 54.000 mensen in de regio is de helft jonger dan achttien jaar. Een jeugd zonder toekomst, jongeren die niets anders kennen omdat ze nergens heen kunnen reizen. Men leidt aan een «algeheel uitputtingssyndroom», zegt dr. Bassam. En zoveel mensen zijn geliefden kwijtgeraakt. Zijn neef werd een paar maanden geleden doodgeschoten toen hij vanuit zijn winkel naar een arrestatie stond te kijken. Nadat de Israëlische soldaten de verdachte hadden ingeladen, reden ze al schietend de stad uit. «Een mensenleven is hier weinig meer waard», besluit dr. Bassam.

Maar als je in Salfits grootste uitgaansgelegenheid bent – het prachtig aangelegde stadspark met overal zithoekjes, een vijver en een grote feestzaal – is stress ver te zoeken. Huda, die er in haar strenge islamitische dracht als een non uitziet, staat achter een raam op haar eigen muziek te dansen. In de feestzaal zelf kijken tientallen vrouwen op bankjes naar de bruid die rondjes draait met de bruidegom. Haar zusters dansen er verleidelijk omheen; haren strak in de lak, poppengezichtjes. Door het raam zie ik Huda breed naar me grijnzen.

Rond middernacht drinken we thee in de bijna donkere stadstuin. Met nog meer vriendinnen van Iman die allemaal hopen op haar spoedige terugkeer. De Madi’s hebben inmiddels een Israëlische advocaat, maar die laat al maandenlang niks van zich horen. Het gesprek komt al snel op de situatie in Salfit. Ik begin me af te vragen of het gedroomde paradijs van de familie nog wel bestaat. En of Jordanië of zelfs Nederland niet een beter alternatief is. Alleen al in het plattelandsstadje zijn 650 mensen in behandeling voor depressie en veel jongeren willen dood, zegt de hoogzwangere Amal, die als maatschappelijk werkster in de kliniek van dr. Bassam werkt. Zij en haar man moeten allebei hard werken om het hoofd boven water te houden; haar schoonmoeder voedt de kinderen op. Als het leven zo moeilijk is, waarom dan toch een vierde kind? vraag ik. «Een geknapt condoom», zegt Amal enigszins besmuikt. En ze vervolgt, opeens heel serieus: «Maar ik ben er dolblij mee. Op mijn werk zie ik zoveel ouders die in een leeg huis achterblijven nadat ze één of zelfs twee kinderen verloren hebben door Israëlische kogels; nu heb ik tenminste een kind extra.»