Iran hervormt en fundamentaliseert

Aan de verkeerde kant van de sluier

Westerlingen snappen niets van het islamitisch fundamentalisme. Dat bleek maar weer uit de berichtgeving rond de Iraanse presidents verkiezingen. De overwinning van «de hervormers» betekent allerminst dat het afgelopen is met de Islamitische Revolutie.

Spannend waren de Iraanse presidentsverkiezingen niet echt. Iedereen in Iran wist dat ze met overweldigende meerderheid door de zittende president en geestelijke Mohammed Khatami gewonnen zouden worden. En aldus geschiedde. Marges, opkomst en de tegenkandidaten speelden nauwelijks een rol. De westerse media kwamen en gingen op het onbelangrijkste moment in de dynamische Iraanse politieke ontwikkelingen en lieten reportages vol verwarring achter.

Iran blijft menigeen verbazen, zo blijkt bij lezing van westerse commentaren. De verkiezingen voltrokken zich in een «on-Iraanse rust», terwijl de afgelopen vier jaar een onafgebroken hevige machtsstrijd tussen de diverse facties woedde. Ondertussen voert president en geestelijke Khatami «oppositie» vanuit de regering, en «regeren» schimmige kringen vanuit de oppositie, maatschappelijke organisaties en old boys networks. Geestelijk leider Ali Khamenei bekleedt het hoogste politieke ambt van velayat-e faqih (leiderschap van de hoogste geestelijke), maar volgt een middenweg tussen de diverse krachten. Zijn «koninklijke» functie in het hart van de Islamitische Republiek voorziet hem van een eigen staat binnen de staat: controle over militaire en religieuze benoemingen, grote economische belangen en een eigen inlichtingen- en vervolgingsapparaat. Een regering die oppositie voert, een maffia die regeert, en een leider die volgt. Een who is who is niet genoeg om je weg te vinden in dit Perzische spiegelhuis. Welkom in het ondoorgron delijke politieke landschap van Iran.

Vanuit het Westen gezien voltrekt zich in Iran het schier onmogelijke: democratisering van de politieke islam en liberalisering van de revolutie. De politieke islam of, in de volksmond, het islamitisch fundamentalisme vormt sinds de Iraanse revolutie van eind jaren zeventig een waar schrikbeeld voor het westerse publiek. Door morele afkeuring gedreven ziet het Westen maar al te graag bewezen dat de Islamitische Revolutie geen levensvatbaar politiek model vormt. Dus reageerde het Westen enthousiast op de hervormingsbeweging die in 1997 in Iran onverwacht de verkiezingen won en een economische toenadering tot het Westen wenste.

Door het blakende vertrouwen in eigen superioriteit raakte het Westen ervan overtuigd dat Iran bij zinnen was gekomen en dat het einde van de Islamitische Revolutie aanstaande was. Maar de huid werd helaas verkocht voor de beer geschoten was. Want vier jaar Khatami liet een dubbel beeld zien: de hervormingen slaagden op sommige punten, maar faalden op andere. Westerse commentatoren gingen uit van uitersten en lieten alles wat daartussen lag onbelicht en onbegrepen. Vier jaar lang laveerden zij tussen de hoop op een westerse democratie en de vrees voor het middeleeuwse fundamentalisme van de zelfverzekerde Khomeini. Maar juist tussen deze uitersten vonden de meest fascinerende binnenlands-politieke ontwikkelingen plaats van het Midden-Oosten: de Iraanse hervormingen.

De media schetsen steevast een machtsstrijd tussen «hervormers» en «conservatieven». Khatami wordt hierbij aangemerkt als de liberale president voor vrijheid en democratie, en geestelijk leider Khamenei als de fundamentalistische islamitische dictator. De media suggereren dat de politieke strijd het islamitische gehalte van Iran betreft. Hiermee wordt een hele waslijst aan nuances genegeerd.

Ten eerste is Khatami een hoyatol-eslam, een sjiitische geestelijke van dezelfde rang als Khamenei, ook al draagt Khamenei vanwege politieke manipulaties inmiddels de hogere titel van ayatollah. Onder gelovige moslims is de charismatische Khatami als islamitisch denker populairder dan de saaie Khamenei, die zijn macht veeleer aan zijn politieke kwalificaties ontleent. De commentatoren vergeten voorts dat Khatami en Khamenei elkaar al decennia kennen en elke week uitgebreid samen dineren. Vergeten wordt ook dat beiden op cruciale momenten tijdens de machtsstrijd hun onvoorwaardelijke steun voor elkaar hebben uitgesproken. Khamenei steunde deze keer de kandidatuur van Khatami.

Conservatief wordt in de media met regelmaat gelijkgesteld aan fundamentalistisch. Ten onrechte. Juist Khatami, die in de jaren tachtig al diende als minister van Cultuur, komt uit de hoek van de linkse revolutionaire geestelijken met wie Khomeini zich omringde. De hervormingsbeweging die de naam draagt van de datum van Khatami’s eerste verkiezingsoverwinning (Tweede Khordad), is een coalitie van facties waarvan de vooraanstaande leden tot de politieke veteranen van de revolutie behoren. Een aantal was lid van de radicale studentenorganisaties die de gijzeling van de Amerikaanse ambassade uitvoerden. Het lijkt er dus op dat de linkse revolutionairen die in de jaren tachtig in grote mate het westerse beeld van fundamentalisme bepaalden en die begin jaren negentig in Iran het veld ruimden, hun politieke comeback hebben gemaakt.

De meeste links-islamitische politici hebben tijdens hun verblijf in de coulissen van de macht een proces van sociaal-democratisering ondergaan. Sommigen van hen hebben echter veel bloed aan hun handen, zoals de beruchte rechter Khalkhali. Anderen, zoals de voorzitter van de Tweede Khordad Ali-Akbar Mohteshami, hebben aan de wieg gestaan van de sjiitische Libanese verzetsbeweging Hezbollah en andere «operaties» buiten Iran. De leider van Hezbollah, Hassan Nasrallah, sprak onlangs zijn steun voor en verwantschap met Khatami uit. Het is geen geheim dat Nasrallah Khamenei’s leiderschap over alle sjiiten, dat in de Iraanse constellatie samenvalt met het politieke leiderschap in de doctrine van de velayat-e faqih, niet erkent.

De «conservatieven» zijn grotendeels een uitvinding van de media. Bedoeld wordt een bonte verzameling krachten die alle iets te verliezen hebben bij vergaande hervormingen. De «echte» conservatieven zijn in Iran nooit aan de macht geweest. De ware conservatieve geestelijkheid was van het begin al niet gecharmeerd van de revolutie, omdat deze inging tegen het sjiitische dogma dat de geestelijkheid zich niet in politiek mengt. Deze geestelijken functioneren nog steeds in de gewone mos keeën en hebben niets op met de politieke islam van de staat. Zij en hun volgelingen stemmen in alle waarschijnlijkheid op Khatami, zelfs als ze zijn culturele openheid niet kunnen waarderen. De «conservatieven» die prominent in de media figureren, zoals geestelijk leider Khamenei, zijn de oud-linkse vrienden van de hervormers binnen regering en overheidsapparaat. Tien jaar geleden werden zij nog gerekend tot de radicalen. Nu wensen zij hun politieke en economische privileges te behouden waartoe zij via het staatsapparaat toegang hebben. Hun drijfveer is niet ideologisch.

Radicalere oud-linkse «conservatieven» opereren niet vanuit de regering maar vanuit vakorganisaties, religieuze stichtingen of uitgeverijen. Zij maken zich grote zorgen over de heersende normen en waarden en willen met harde hand ingrijpen. Zij gebruiken hiervoor knokploegen en burgermilities als de gevreesde plainclothes van Ansar-e Hezbollah: vaak tegen een vergoeding geronselde jongeren uit de onderklasse. Van ex-minister van Inlichtingen Ali Fallahian wordt vermoed dat hij via de geheime dienst intellectuelen liet liquideren. Men zou deze groep de islamitische stalinisten kunnen noemen. Een aantal van hen, bijvoorbeeld ayatollah Mesbah Yazdi, erkent niets anders dan het principe van de velayat-e faqih, en bestrijdt zelfs Khomeini’s oprichting van een Islamitische Republiek. De islam mag wel de macht nemen, maar is in zichzelf, met zijn hiërarchie van geestelijkheid, voldoende voor een ware islamitische heilstaat.

Vaak suggereren de media dat de tegenstelling tussen conservatief en hervormingsgezind overeenkomt met de tegenstelling tussen regime en volk. Politieke onderdrukking, economische malaise en de kracht van CNN, internet en consumptiedrang zouden het Iraanse volk klaarmaken voor een volgende revolutie, hierin slechts door het regime in de weg gestaan. Maar men ziet over het hoofd dat de geestelijk leider en de door hem te benoemen leiders van het (altijd gepolitiseerde) Vrijdagsgebed in de provinciesteden nog steeds een aanzienlijk deel van de lagere klassen kunnen mobiliseren. Deze onderklasse, vooral afkomstig van het platteland, is afhankelijk van voedselsubsidies verstrekt door de staat en religieuze stichtingen, veelal werkzaam in de gesubsidieerde landbouw of de strijdkrachten en loyaal aan de geestelijkheid. De stedelijke hervormingen betekenen weinig voor hen, desondanks stemt de meerderheid toch op Khatami. Khatami kreeg dus ook, zoals hij beoogde, «conservatieve» stemmen.

De onmacht de Iraanse zwijgende meerderheid te doorgronden belet het westerse publiek te zien dat de onderverdeling in «hervormers» en «conservatieven» een reproductie is van een niet-Iraans goed-fout-schema. Hervormers voorzien welbeschouwd de Islamitische Republiek van een nieuwe legitimiteit, en «conserveren» het revolutionaire project door de revolutie en de staat opnieuw te verbinden aan de Iraanse straat. Conservatieven, uitgedaagd door het electorale succes van Khatami, krijgen les in islamitische democratie, en «hervormen» zo momenteel het conservatieve gedachtegoed. Zij die niet meedoen riskeren buitengesloten te worden. Khatami poogt ondertussen zo veel mogelijk van zijn opponenten aan boord te halen en garandeert op deze manier voldoende stabiliteit binnen het regime. Dit verklaart waarom de hervormingen zich stapsgewijs en relatief vreedzaam voltrekken.

De bevolking ondergaat de van boven gestuurde hervormingen met een typische Iraanse achterdocht. Zij slaagt er wonderwel in, net als generaties voor haar, om de staat heen te leven, en wordt daarbij zelfs geholpen door de staat. Immers, sinds de revolutie is het islamitisch gehalte van de samenleving de verantwoordelijkheid van de staat. Islam, ooit ontstaan als een sociale code om chaos in afwezigheid van bestuur te vermijden, is van een theorie van de straat een theorie van de staat geworden. Paradoxaal genoeg is de islam daarmee aan de verkeerde kant van de sluier terechtgekomen. De islam is gepolitiseerd; de islam van de straat is opgelost. Terwijl staat en samenleving met de rug tegen elkaar staan, zijn twee nieuwe «soorten» islam het gevolg: een in de staat verankerde sociaal-ethische en politieke islam, en een geïndividualiseerde, mystieke, hedonistische of «Californische» islam.

Ook upper-class rich kids, die sterke drank drinken en er minnaressen op nahouden, prijzen de oude helden van de Revolutie (Ali Shariati en de ayatollahs Beheshti, Taleqani en Bahonar) als de «goede» ayatollahs, de westerse waarnemers in verbazing achterlatend. Khatami, een leerling van Beheshti, is hun «redelijk alternatief» op een revolutie die de idealen van hun ouders belichaamt, maar hen niet binnen liet. Hun antwoord was de overwinning van Khatami in 1997 en 2001: een adolescentenrevolutie bínnen de Islamitische Revolutie, waarbij de in de problemen geraakte en gecorrumpeerde Revolutie aan haar eigen idealen werd herinnerd. Khatami is erin geslaagd, net als destijds Khomeini, op populistische wijze de meerderheid der Iraniërs achter zich te verzamelen. Als het Khatami en zijn electoraat ernst is met een overgang van populisme naar democratie zullen zij elkaar op straat moeten durven ontmoeten. Ook dit zal stapje voor stapje gaan, en alleen in deze hernieuwde onderlinge kennismaking zal echte democratie wortel kunnen schieten.