Aan de zijlijn van de ramp

Friedländers gevoel voor de complexe realiteit deed de jury - Sander Pleij, Barber van de Pol, Marc Reugebrink en Jacq Vogelaar - besluiten zijn ‘Herinneringen…’ tot boek van de maand te kiezen. De andere mededingers van het Groene-boek worden op de pagina hiernaast besproken.

AAN HET OMSLAG is onmiddellijk af te lezen waarom de uitgever dit boek twintig jaar na verschijnen alsnog heeft laten vertalen. Quand vient le souvenir… luidt de oorspronkelijke Franse titel, ‘wanneer de herinnering komt…’ Het accent ligt daarbij op de drie puntjes: wat er gebeurt telkens wanneer een herinnering te voorschijn komt - ja, en wat er dan gebeurt is iets wat, in dit boek althans, belangrijker is dan die herinnering.
De uitgever heeft vorig jaar van Friedländer een omvangrijke studie over de jodenvervolging in Duitsland vertaald - voorlopig het eerste deel, over de jaren van vervolging 1933-1939 - en daarom is de Nederlandse titel daarop toegesneden als 'Herinneringen… van de auteur van Nazi-Duitsland en de joden’.
Op z'n minst had de uitgever de geboortedatum van de auteur mogen vermelden (1932), al was het maar vanwege het contrast: dat Friedländer zelf nog een kind was in de tijd die hij als historicus beschrijft. Wat je op dit boek verwacht zou hebben, stond wel op de flap van Nazi-Duitsland en de joden: een accuraat uittreksel van de levensloop van de auteur. Terwijl het voor de lezer van die historische studie die de Herinneringen… niet kende toch eigenlijk niet terzake deed dat Friedländer in 1932 in een joods gezin in Praag geboren was en als negenjarige in Frankrijk op een streng katholieke kostschool zat, dat hij 'gescheiden van zijn ouders’ zich geheel overgaf 'aan het katholicisme’, dat hij zionist werd 'nadat duidelijk was geworden dat zijn ouders in Auschwitz vermoord waren’ en dat hij in 1948 naar Israel trok. Ook stond nog vermeld aan welke universiteiten hij verbleef 'voor onderwijs en onderzoek met betrekking tot de holocaust’ en dat hij na 1967 een voorstander was van een Palestijnse staat. Dat alles vertelt Friedländer zelf in zijn Herinneringen…, waar niet voor niets telkens het tijdstip wordt vermeld waarop hij met het ophalen van zijn verleden bezig was: najaar 1977; des te irritanter is dan dat op het eind opeens 27 december 1997 in plaats van 1977 staat. Drukfout of Fehlleistung?
Wat Friedländer over zijn jeugd vertelt is op zich niet zó tragisch. De eerste jaren in Praag was hij een gelukkig kind in een geassimileerd goedburgerlijk Duits gezin, waarin het judaïsme als religie geheel was verdwenen. Nadat het gezin in 1939 naar Frankrijk was gevlucht, heeft de jonge Saul, toen nog Paul of Pavel geheten, gelukkige perioden beleefd. De 'tragische jeugd’ in de presentatie van deze herinneringen doet het moeizame herinneringswerk van Friedländer net zo weinig recht als de ongetwijfeld positief bedoelde opmerking in het juryrapport, toen Friedländer vorig jaar in München voor zijn boek over de jodenvervolging in Duitsland de Geschwister Scholl Preis kreeg toegekend: 'Als historicus, die zelf nog een direct slachtoffer van de jodenvervolging is geweest, ontkent Friedländer zijn eigen emotionele betrokkenheid niet; maar hij weigert ook iedere neiging tot globale veroordelingen en collectieve beschuldigingen.’
HET IS MAAR wat je 'direct betroffen’ noemt; Friedländer heeft het nergens over zichzelf als slachtoffer, niet eens als jongen. In het home voor joodse kinderen, vlak bij Parijs, waar hij in 1939 door zijn ouders werd ondergebracht, was hij als goj het mikpunt voor andere kinderen: 'Ik werd een tweederangs jood.’ Voordat zijn ouders, toen in 1942 in Frankrijk de jodenvervolgingen begonnen, naar Zwitserland vluchtten, waar ze bij de grens werden teruggestuurd (zodat ze vervolgens op transport konden worden gesteld), wisten ze hun zoon een katholieke kostschool binnen te loodsen. Daar kreeg hij een andere naam, hij werd gedoopt en ontpopte zich in die streng-katholieke en antisemitische omgeving tot een zo vurig gelovige dat de elfjarige zelfs priester wilde worden. 'Mijn eerste tien levensjaren, de herinneringen aan mijn kindertijd, moesten verdwijnen, want er was geen synthese mogelijk tussen degene die ik was geweest en degene die ik moest worden. (…) Ik was een grens overgestoken en bevond me nu aan de andere kant. Paul Friedländer was verdwenen; Paul-Henri Ferland was iemand anders.’
Het is verleidelijk te fantaseren wat voor boek die Franse priester, een zekere Paul-Henri Ferland, veertig jaar later zou hebben geschreven. Het zou een curieus levensverhaal zijn geworden. Misschien zou deze virtuele katholieke geestelijke geen flauw benul hebben gehad van de jodenvervolging, noch van het verschil tussen jood zijn en zich joods voelen, tussen Israeliër zijn en jood zijn. Van zijn spoorloos verdwenen ouders heeft ook Friedländer zelf nooit precies geweten waar ze terecht zijn gekomen. Er was een pater voor nodig om te voorkomen dat Paul, die later in Israel Saul zou gaan heten maar in de oorlog nog Paul-Henri was, zich identificerend met de vervolgers, 'opgenomen in de rangen van de onzichtbare meerderheid’ definitief een ander bleef. Voor het eerst hoorde hij iets over Auschwitz in verband met zijn ouders, over treinen, gaskamers, crematoria, miljoenen doden. En voor het eerst in zijn leven voelde hij zich joods, niet als een bedreigend geheim maar, hoe vaag ook, als iets om trots op te zijn; en dat dankzij de pater die met veel emotie en respect over het lot van de joden sprak.
TERUG IN HET internaat legde hij onmiddellijk zijn schuilnaam af en nam weer zijn eigen naam aan. Dat is op tweederde van het boek. Of het tot dat moment om een tragische jeugd gaat, is niet zo duidelijk, te meer omdat het helemaal niet zo'n 'prachtig’ relaas is. Wat de auteur over de perioden in Praag en Frankrijk vertelt, is niet bijster boeiend. Friedländer vertelt niet zoveel bijzonders en doet dat bovendien moeizaam en omslachtig. Hij geeft zelf toe dat het vertellen hem niet gemakkelijk afgaat. Hij wil ook helemaal niet zo graag over zijn jeugd vertellen. Herinneringen? Ja, maar…
Positief vooringenomen als ik was, wilde ik graag weten hoe de historicus zijn werkwijze, waarin hij zo knap zijn oog voor sprekende details weet te combineren met een scherp analytisch vermogen, op zijn eigen leven zou toepassen. Hij heeft dat ook wel geprobeerd, maar juist dat proberen bracht hem in problemen - en om die problemen gaat het in het boek. Daar gaat het ook wel óver, maar waar het om gaat is dát het herinneren hem zo verschrikkelijk veel moeite kost. Het heeft heel lang geduurd, zegt hij eind 1977, voordat hij de weg naar zijn eigen verleden terugvond. Als hij over herinneringen wilde praten werd hij met lamheid geslagen; wat hij had meegemaakt was hij niet zomaar vergeten, zijn verleden was hem niet ontschoten, maar was onwerkelijk geworden. Wie hij in 1977 was, is hij geworden ondanks zijn verleden of als één grote ontkenning ervan. Met de personen die hij door omstandigheden op diverse tijdstippen was geweest, had hij niets meer gemeen - hij schaamt zich alsnog over zijn aanpassingsvermogen en identificatie met de vijand: 'Tussen de gebeurtenissen en mij bleef een mist hangen. Ik had aan de zijlijn van de ramp geleefd; een misschien onoverbrugbare afstand scheidde mij van hen die direct door de loop der dingen waren meegesleurd en ondanks al mijn pogingen bleef ik, in mijn eigen ogen, eerder een toeschouwer dan een slachtoffer.’
De inzet van het schrijven was 'een behoefte aan synthese’: die verschillende levens verbinden tot één leven. In dat perspectief verklaart deze levensbeschrijving een bepaalde kwaliteit van Friedländers historisch werk, namelijk zijn gevoel voor de totaal verschillende realiteiten waarin de verschillende bij de jodenvervolging betrokken groepen mensen leefden. Uit eigen ervaring wist hij bijvoorbeeld hoe ingewikkeld en tegenstrijdig een joodse jongen in elkaar zat.