INTERVIEW MET BRUNO NINABER VAN EYBEN 

‘Aan een kip zit niks te veel’

Bruno Ninaber van Eyben krijgt deze week de oeuvreprijs van het Fonds Beeldende Kunst, Bouwkunst en Vormgeving. Ninaber is een van de vormgevers die het Nederlands design vanaf de jaren zeventig internationale status gaf.

‘Bruno Ninaber van Eyben (1950) studeerde in 1971 cum laude af aan de Maastrichtse Academie voor Beeldende Kunsten. Zijn armbandhorloge, tl-lamp en halshorloge behoren inmiddels tot de klassiekers van de Nederlandse vormgeving. In 1980 ontwierp Ninaber de nieuwe gulden, met daarop het radicale portret van Beatrix-in-drie-lijntjes, een ontwerp dat zelfs tot Tweede-Kamervragen leidde. Het siert nog altijd de euro. Deze week neemt Ninaber de oeuvreprijs (en een bedrag van veertigduizend euro) in ontvangst.

Wat betekent deze prijs voor u?

Bruno Ninaber van Eyben: ‘Het is een prijs waar ik eerlijk gezegd niet eens het bestaan van kende. Ik was blij, verrast en ook wel een beetje ontroerd; je bent aan het ploeteren in het leven en dan blijkt plotseling dat mensen je werk als een oeuvre beschouwen. Ik ben gewoon met mijn werk bezig. Bovendien zit er ook nog een bedrag aan vast. Dat er iemand aan je pensioen denkt, vind ik wel prettig.

Ik heb me echt nooit gerealiseerd dat ik een oeuvre heb opgebouwd. Eigenlijk had ik veel meer willen ontwerpen. Al heel vroeg, toen ik als edelsmid van de academie kwam, heb ik een besluit genomen: wil ik kunnen doen wat ik interessant vind, dan moet ik het ook zelf realiseren. Ik wilde autonomie en ben toen begonnen die dingen zelf te produceren, zelf op de markt te brengen en zelf te distribueren. Allemaal aspecten die horen bij een kleine onderneming. Soms was ik zelfs een jaar met één product bezig. Daar leefde ik dus van. Dat impliceert dat ik geen gigantisch oeuvre heb opgebouwd maar als een handelsreiziger met een paar producten door de wereld ben gegaan. Alle aspecten van een ontwerp – het technisch uitontwikkelen, het produceren, het vermarkten, de economische kant, de internationale distributie – vormden het leergeld van dat ene product of die paar producties.’

Is dat ook de weg voor jonge ontwerpers? Autonomie bevechten?

‘Je merkt dat veel ontwerpers nu begínnen vanuit die autonomie. Dat was daarvoor absoluut niet gebruikelijk. Toen ik begin jaren zeventig afstudeerde, was het de gewoonte dat je je meteen na je opleiding meldde aan de poorten van Philips of Brabantia of dat soort bedrijven. Ik heb er snel voor gekozen om een zelfproducerend ontwerper te worden. Een uniek object of sieraad op zich sprak me beslist niet aan. Ik vond het veel spannender om heel mooie producten uit de machine te laten komen. Bij voorkeur voor vrienden die iets moois voor hun vriendinnetje wilden kopen. Dat was mijn doel.

Ik nam de tijd om langer met zo’n ontwerp bezig te zijn, om dat telkens opnieuw te doen en te perfectioneren. Dat vond ik als ontwerper veel interessanter dan unica maken. Want dat wordt al snel een soort trucje. Het vak is natuurlijk geëvolueerd. Toen ik met de dingen begon, was er bijvoorbeeld niet één plek of winkel voor de distributie van mijn spullen. De winkels lagen naar mijn idee vol met allerlei shit. Je kon nergens je producten tonen. Ik heb mijn horloges het best verkocht in winkels voor modern wonen. Daar liggen ze nog steeds. Dat waren dus echt eilandjes en daar moest je het ook van hebben. Die tijd is totaal veranderd.’

Uw ontwerpen zijn studieus, verzorgd, harmonieus en soms een beetje streng. Ze hebben bovenal een functie. Bent u een echte ‘modernist’?

‘Absoluut. Ik kom voort uit het modernisme en vind die stroming nog steeds heel relevant. Ik vind bijvoorbeeld veel inspiratie in sanatorium Zonnestraal in Hilversum, van Jan Duiker. Schitterend hoe licht en ruimte daar bij elkaar komen. Voor mij heeft dat alles met humanisme en blijheid te maken, en niets met macht en status. Ik vind dat dat daar heel mooi is gevisualiseerd. En je kunt het idealisme daar vóelen. Ik ben altijd verbaasd dat architectuur zo’n enorme impact heeft op de menselijke psyche. Dat je met keien, beton, glas en zo nog het een en ander iemand kunt beïnvloeden. Omdat architectuur zo groot is en het je omringt. Mijn ontwerpen beschouw ik als een kleinood. Dat is anders.’

Zou u graag iets van groot formaat willen maken? Een Gesamtkunstwerk, met andere mensen samen?

‘Jazeker. In wezen doe ik dat natuurlijk al. Alles komt in een groep tot stand. Bij mij gaat het dan meer om technische mensen die mijn producten realiseren. Ik denk dat het spannend is om samen met een architect aan een project te werken. Zo’n andere manier van kijken vind ik fascinerend.

Maar de dingen die ik maak zijn beschouwbaar. Die kun je bekijken, kun je pakken. Je kunt ze vergelijken met van die kleine ivoren dingetjes die rondreizende middeleeuwers bij zich hadden. Die rauwheid, die modder en dan heeft zo’n man te midden van al die ellende zo’n klein ivoren dingetje bij zich dat hij koestert. Dat vind ik mooi. Ik wil wel graag, vooral bij sieraden, dat ze behagen. Dat is voor mij een belangrijke reden waarom ze mogen bestaan.’

Dat bepaalt de opdrachtgever toch?

‘Tegenwoordig werken we vooral nauw met opdrachtgevers samen. Maar vergis je niet: veel opdrachtgevers zijn de boodschapper en dus niet de gebruiker, degene voor wie het product bedoeld is. De behoefte van de gebruiker begrijpen en doorgronden maakt het vak veel interessanter. Daar ben ik mee bezig. Neem de kleurenwaaier die we onlangs voor Sikkens hebben ontwikkeld. We beginnen met vragen te stellen, met het achterhalen van de essentie. Wie gebruikt dat ding? In welke omstandigheden wordt het gebruikt? Hoe zit dat in verschillende landen? Zijn we in staat om echt iets nieuws te bedenken?’

En dan komen jullie met het ei van Columbus?

‘Ja, dan komen wij met het ei van Columbus.’ (lacht)

Hoe zit het in zo’n geval met die autonomie, die zo belangrijk voor u is?

‘Kijk, Akzo (eigenaar van Sikkens – cb) weet alles van verf, maar is geen waaierfabrikant. Ik stel dan voor om de waaier uit te voeren in aluminium en rubber. Vervolgens hebben wij die productie begeleid. Ik hoef niet – in tegenstelling tot vroeger – naar de vaste waaierfabrikant van Akzo, die zijn eigen manier heeft om het ding in elkaar te zetten. Door de productie los te koppelen van die ene fabrikant heb ik als ontwerper de vrijheid om zelf te besluiten hoe de waaier gemaakt kan worden.’

Zal het vak zich in die richting ontwikkelen?

‘Nou, eigenlijk nog veel breder, veel maatschappelijker. Op de TU Delft ben ik bezig een nieuwe generatie industrieel ontwerpers op te leiden. Daar onderzoeken we intensief wat de impact van een product in de maatschappij is. Neem de mobiele telefoon. Onze manier van leven wordt onmiskenbaar anders door dat product. Die maatschappelijke component maakt het ontwerpvak veel meer en veel breder dan louter het ontwerpen van een plastic doosje. De ontwerper is veel meer de wéreld aan het creëren. Ik vergelijk de mobiele telefoon met een stad. Hoe kan ik waar komen? Hoe vind ik iets, hoe vind ik mijn weg, wat zit erachter? Ontwerpen doe ik vanuit een maatschappelijke overtuiging. Dat deed ik vroeger al.’

Is dat de essentie van uw werk?

‘Wat mij fascineert is de essentie van de dingen en het onderzoek daarnaar. Ik vind het in zekere zin ook wel jammer dat ik dit ben gaan doen. Ik had me ook met hart en ziel op de natuurkunde kunnen storten. Ik zie duidelijke parallellen, zoals mijn fascinatie voor materie en hoe de dingen op een bepaalde manier reageren.’

‘In wat ik gemaakt heb zit een grote samenhang. Dingen die ik als kind spannend vond om te doen, zoals mijn zeepkist maken, huisjes bouwen en apparaatjes uitvinden, doe ik in wezen nog precies zo. Gewoon een beetje prutsen, mooie dingetjes maken. Hoe kun je met behulp van techniek iets moois maken? Ik ben ook altijd gefascineerd geweest door biomechanica. Hoe werkt een botje van een kip, met die spiertjes? Hoe past dat allemaal in elkaar en hoe functioneert het? Dat is in wezen wat er in de techniek ook gebeurt. En bij de kip is het nog mooi ook, want er zit niks te veel aan.’

Waar zit u nu op te broeden?

Bruno Ninaber van Eyben: ‘Ik zou graag textielmachines willen bedenken die niet alleen een rechte lap breien, maar tijdens het breiproces het product al laten groeien. Uit zo’n machine verschijnt een kant-en-klare jurk. Stel je voor! Zo kom je tot producten die we tot nu toe niet konden maken. Een koffer, of een stoel. Ik merk dat ik veel dichter bij de kippenbotjes kom, bij de biomechanica, bij onze evolutie. Het hoeft niet meer rechtlijnig te zijn. Het gaat nu veel verder dan dat klokje maken, waar ik ooit mee begonnen ben.’