Aan en uit

Door de hoekige karigheid van zijn schilderijen blijft Thomas Scheibitz in onze egalitaire kunstwereld uniek.

Het best laat ik de titel, Ogden Roods, van het strak gekleurde schilderij van Thomas Scheibitz voor wat die is. Op een gegeven moment, mij lijkt in samenhang met minimal art, ontstond de gewoonte om kunstwerken met untitled aan te duiden - ‘zonder titel’ op z'n Amerikaans, want het is daar dat die extreme abstractheid (want dat is het) gewoonte werd. De kunstenaar, Donald Judd bijvoorbeeld, wilde het kijken niet belasten met een titel. Stel dat je een driedimensionale constructie van hem, bestaande uit kleurige rechthoeken, dofglanzend gespoten, met een titel als potpourri zou aanduiden, zou de kijker dan de formele strengheid van het werk niet ontgaan omdat hij zich door die vlotte titel op een dwaalspoor laat brengen en naar feestelijke vrolijkheid gaat zoeken? Omdat voor een andere minimalist, Sol Lewitt, untitled nog te suggestief en geheimzinnig was, hield hij het bij een droge beschrijving van wat je zag: een gouache met of van Vertical Wavy Brushstrokes, een licht soort gordijn van tegen elkaar golvende strepen kleur. Carl Andre daarentegen, die ook met woorden poëtische vormen construeert, geeft bepaalde sculpturen soms wel een titel, als, denk ik, de stevigheid van de vorm gevoelsmatig samenvalt met de statigheid van woorden - Bloody Angle bijvoorbeeld. Alle schilderijen van Alan Charlton zijn monochroom grijs en zo behoedzaam met een platte brede kwast geschilderd dat op het oppervlak geen penseelsporen achterblijven. Natuurlijk heten ze untitled, maar omdat de schilder het grijs, door bijmenging van een kleur, steeds een unieke toon geeft, spreekt hij in het atelier over: die gele, die roze, die blauwe.

In Ogden Roods van Scheibitz zien we spitse en ronde vormen - een abstract boeket bijna dat er in zijn formulering en kleurgeving vooral droog uitziet. Bij een strikt abstract beeld zou ik zeggen dat de vormen op het schilderij staan, maar hier bevindt het motief zich, optisch, in een koude, ondiepe ruimte - aangegeven door, rondom het motief, vlakke passages in donkerrood, muisgrijs en bovenin tweemaal olijfgroen. In die hoekige nis staat een vreemd robotachtig instrument, iets uit sciencefiction. Het lichtgrijze vlak, van boven gebogen, lijkt een scherm of een spiegel; de smalle, hoekige vorm rechts is misschien wel een scharende arm, ingedrukt, van een wandophanging. Weet ik veel - voor zover ik het werk van Scheibitz ken, zo'n tien jaar alweer, ontstaan de vormen uit onnavolgbare impulsen (van instrumenten, sierkunst of architectuur) die dan, als de vormgeving van een schilderij vervolgens zijn vrije weg zoekt, weer los van hun oorsprong raken en fantastischer en vindingrijker worden. Het ding dat ook het scherm van een computer kan zijn, staat op een soort standaard van kruisende latten met, in het rood, een driehoekige schaduw waardoor het lijkt te zweven. Een ornament, dat kronkelt als een sierplant, draagt ten slotte vier ronde schotels met glasheldere kleuren, op één na die bruin is en zich anders gedraagt. Die totem van cirkels lijkt ook op een stoplicht waarvan de lichten aan en uit gaan. Daar ligt dan de verbinding met de titel. Ogden Rood (door Scheibitz voor de lol in meervoud gespeld) was een Amerikaanse natuurkundige die zich bezighield met de optische effecten van kleuren in hun wisselwerking en daarover in 1879 een boek schreef (Modern Chromatics) waar de neo-impressionist Seurat veel aan had bij het uitvinden van zijn peinture optique. Scheibitz, weten we, verzamelde zulke namen, begrippen, woorden en anekdotes uit de vroege geschiedenis van de moderne kunst om ze, als hij zogezegd een gat zag, als titel te gebruiken - net zoals iemand impulsief een ansichtkaart aan de muur pint omdat het plaatje aan iets herinnert.

Ten slotte maakt de schilder iets wat zo vreemd verleidelijk en verbazingwekkend is dat onze ogen erin blijven ronddwalen omdat nooit helemaal helder wordt waar die vreemde fascinatie vandaan komt: kijken naar kleuren die onverwacht vorm worden en vormen die willekeurig kleur aannemen. De verbazing blijft tegenover een poppenkast vol bizarre voorstellingen die voortkomen uit de kunstenaar z'n geschiedenis en cultuur. In de DDR-tijd leerde Scheibitz voor instrumentenmaker, na de val van de Muur ging hij naar de kunstacademie in Dresden. In zijn werk is het knutselen steeds als handwerk aanwezig gebleven, en ook het droge en spitse in de vormgeving en de schraalheid in kleur. Dat is ook een typisch stijlkenmerk bij die andere Dresdense schilder, A.R. Penck, maar nog meer bij de vroege Saksische grootmeester en in Wittenberg vriend van Luther, Lucas Cranach. Al zijn grote naakten (waarvan hij in Duitsland een pionier was) zijn smal en mager. Natuurlijk kon hij ze ook mollig schilderen, maar dat paste niet bij zijn droge protestantse idioom. Roze, mollige rondingen zijn Italiaans, later Vlaams. Een Venus met Cupido van Cranach de Oudere is elegant in stand maar ook wonderlijk bleek en karig, zoals een late versie van na 1537 laat zien. Die hoekige karigheid zie ik ook bij Scheibitz, die daarmee in onze egaal geglobaliseerde kunstwereld met zijn dialect, net als Cranach, uniek is kunnen blijven.


PS Het schilderij van Scheibitz is, met nog een ander van hem, tot 15 mei te zien op de tentoonstelling van werken uit de Caldic Collectie (I Promise to Love You) in de Rotterdamse Kunsthal. De Cranach hangt in Kröller-Müller