Opheffer

Aan ethiek hebben we niets

Laat ik eens twee historische gebeurtenissen van de afgelopen eeuw nemen.

  1. De Eerste Wereldoorlog.

  2. De Tweede Wereldoorlog.

Welke lessen hebben wij uit die oorlogen getrokken? Hadden we na de Eerste Wereldoorlog de les moeten trekken de Tweede Wereldoorlog niet te voeren?

Ik denk dat er voornamelijk nieuwe militaire lessen zijn getrokken uit beide oorlogen. Bijvoorbeeld het snel invoeren van moderne uitvindingen, zoals de trein en het vliegtuig (WOI) en de atoombom (WOII). De nieuwste uitvindingen zie je meestal als eerste in oorlogen.

Ethische lessen — gek genoeg hebben we het meestal over die lessen — trekken we nooit, en als we ze trekken, zijn ze zinloos.

«Nooit meer oorlog.»

Een mooie regel, voor op een monument of zo, maar in wezen redelijk gevaarlijk. Het doel van oorlog, het streven, wordt hier voorgesteld als een verplichte houding.

Alle ethische lessen (geen racisme, geen burgerslachtoffers, geen schade aan cultuurmonumenten) leren we wel allemaal — wisten we ook al — maar zijn zinloos als je werkelijk bedreigd wordt, onderdrukt wordt of zelf in aanraking komt met racisme.

Aan ethiek heb je, zo moeten we steeds weer vaststellen, niets.

Nooit meer racisme? Goed, daar hou ik me aan. Maar die Marokkaanse zionistenbestrijder niet. Oké, we zijn geweldloos en democratisch. Maar zij willen geen democratie! Zij willen hun eigen wet! En ze willen onze democratie omverschoppen als zij op democratische wijze de macht hebben gekregen. Mag ik daar alsjeblieft iets tegen doen?

Elke samenleving is altijd op zoek naar zijn eigen paradox.

Als de meerderheid van het volk in een democratie geen democratie wil, moet je dan democratie willen? Als een oorlog rechtvaardig is, om een andere, grotere oorlog te voorkomen, moet je dan oorlog voeren?

Als het goed is om zesduizend onschuldige moslims om te brengen, om daarmee de vrede te garanderen van je volk, moet je dan die moslims niet doden? Of, zoals die Arabier zei: «Dat wij joden haten is de schuld van de joden, want zij zijn hier op deze aarde. Als zij er niet meer zijn, haten wij ze ook niet meer.» Endlösung in het Arabisch.

Ethiek als doekje voor het bloeden. Ethiek is zelfs gevaarlijk, want ik kan nergens opzoeken hoe ik ethisch moet handelen, behalve dan in de bijbel en in de koran, in de boeken van Scientology en een beetje in het wetboek.

«Gij zult niet doden.»

Dat is een les die al heel vroeg werd getrokken. Een les als een advies. Maar heel vaak een verkeerd advies.

Onze beschaving hebben we gestopt in wetten. Dat is mooi. Maar nu komt er een zuiver ethische man. Hij heet Volkert van der G. Hij maakt zich oprechte zorgen over onze democratie, over minderheden, over dieren waar niemand aan denkt. Hij kent ethiek van binnen en van buiten, maar hij is, als jonge vader, bang voor de toekomst, bang voor alles. Hij ziet dat de wetten verkeerd zijn — er is altijd iemand die zegt dat de wetten niet deugen. Hij verplaatst zijn grote ethiek naar de beperkte ethiek van het wetboek en vermoordt Pim Fortuyn. Voor God, Nederland en Oranje. In sommige landen zou hij een martelaar zijn, in andere krijgt hij de elektrische stoel. Hier achttien jaar. Wat hij heeft gedaan, naar eigen zeggen, is een ethische moord gepleegd.

Hij zit zijn straf uit in het besef dat hij ethisch verantwoord heeft gehandeld.

Was Pim Bin Laden, dan zou Volkert een held zijn geweest. Dan hadden wij zijn daad rechtvaardig gevonden.

Wie overtuigt Volkert, en met welke argumenten, van zijn ethische ongelijk?