Aan gene zijde beeldende kunst

Of het retrospectief van Ferdinand Hodler in Den Haag geslaagd is als overzicht, doet eigenlijk niet ter zake. Kunsthistorisch zal het allemaal best verantwoord zijn, maar bij een schilderij van Hodler is vooral de confrontatie met jezelf allesoverheersend. Je kunt proberen Hodler kunsthistorisch ergens onder te brengen in of tussen de verschillende stromingen: late romantiek, Jugendstil, expressionisme, symbolisme, realisme, of hem te beschouwen als een voorloper van abstracte kunst, maar dat ontaardt vaak in geroutineerde onverschilligheid. Onderhoudend is ook het traceren van verwantschap met schilders als Friedrich, Munch, Schiele, Mondriaan of Lucian Freud. Maar Hodler zelf dwingt je tot minder vrijblijvende bespiegelingen.

Tot 2 mei hoef je sinds lange tijd geen genoegen te nemen met die ene Nederlandse Hodler, Studie voor De Dag (1899) van het Gemeentemuseum. Uit de in totaal honderd bijeengebrachte schilderijen en tekeningen kun je rustig een paar favoriete kiezen, die je meevoeren naar een gemoedstoestand waar tijd en ruimte even pas op de plaats maken. Ik blijf staan voor Opgaan in het Al (Aufgehen im All) uit 1892. Een lijkbleke, naakte vrouw staat op een zwarte lap, en heft haar samengevouwen handen in een klassieke smekende pose. Zij bidt de natuur, gesymboliseerd door het groene weiland, om verlossing. Niet uit het leven, want de dood heeft haar al aangeraakt en ligt nu als een uitgerolde, zwarte lijkwade op de grond, maar misschien om haar ziel, haar identiteit op te lossen in het Al en één te worden met de natuur. De contouren van haar lichaam zijn extra aangezet om de gestileerde concentratie van de smeekbede te accentueren. Zij lijkt kwetsbaar in haar verlangen, maar is onaantastbaar in haar intensiteit. Is dit gestolde ritueel de voorbode van de spirituele extase waarnaar Hodler op zoek is en waar hij toch ook voor terug lijkt te deinzen? Zijn betoverende kleuren neigen naar het Al, zijn grafische lijnvoering houdt hem nog Hier. Als schilder pur sang confronteert hij zichzelf in elk schilderij met zijn ambivalente verlangens naar overgave, naar dood, naar het Niets. Ook in dit schilderij wrikt hij zijn penselen tussen de rafelige grensovergang van leven en dood. In die tijdloze, lege tussenruimte werkt hij aan de choreografie van zijn eigen dodendans. Elk schilderij, elke tekening legt een beweging vast, een gebaar, een positie. Ik laat mijn ogen nog eens cirkelen over het schilderij en betrap de smekende danseres op het wiegen van haar heupen. Ik knipper met mijn ogen. Weg. Toch weet ik zeker: er wordt gedanst aan gene zijde. + De prehistorie van de Nederlandse fotografie in Asser - Pionier van de Nederlandse fotografie. De fascinatie van een enthousiaste heer van stand, Eduard Isaac Asser (1809-1894), voor de mogelijkheden van het nieuwe medium leidt een enkele keer tot een Lewis Carroll-achtige uitschieter. Zijn gerestaureerde oeuvre is eenmalig t/m 14 maart te zien in het Rijksmuseum. Stadhouderskade 42, Amsterdam, 020-6747000. + Een Nederlands staalkaartje van wat hedendaagse fotografie vermag in de tentoonstelling FOTO met mooie bijdragen van Paul Kooiker, Trudi van der Elsen, Piet Hein Stulemeier en Krien Clevis. T/m 7 maart. Arti et Amicitiae, Rokin 112, Amsterdam, 020-6260839, arti@arti.nl, http://www.arti.nl.