Secularisatie onder moslims

Aan God vast

De angst van Europeanen voor de Europese moslims ‘zou in één klap verdwijnen als die moslims het tijdperk van het post-islamisme zouden binnentreden’, zei schrijver Fouad Laroui vorig voorjaar in De Groene. Maar Nederlandse moslims seculariseren niet.

HET ENIGE ECHTE strijdpunt in het Nederlandse integratiedebat is de islam. We maken ons op papier nog wel eens druk om verschillen in ras, taal en cultuur in dit land, maar de enige werkelijk brisante kwestie is de groei van de islam. Tegen een achtergrond van ontkerkelijking en geloofsafval bij alle andere gezindten vinden we het verontrustend dat Nederlandse moslims elkaar dwingen toch vooral aan hun god vast te houden en dat ze zich steeds ook meer op grond van hun geloof organiseren.
Zelfs als alle moslims bij toverslag veranderden in hoog gekwalificeerde, perfect Nederlands sprekende yuppen die nooit met justitie in aanraking zijn geweest, alleen een Nederlands paspoort dragen en expressis verbis het wereldkalifaat afzweren, dan nog zou het overgrote deel van de Nederlanders twijfelen aan hun loyaliteit. Het is hun geringe neiging tot geloofsafval die hen ogenschijnlijk buiten de samenleving plaatst, net zoals dat bij joden in vooroorlogs Nederland het geval was. Het maakt moslims in de ogen van de meerderheid geestelijk ongenaakbaar en daarom gevreesd, veracht en (heimelijk) bewonderd. Tegelijk bestendigt het hun imago van buitenstaanders, van een ‘vreemd lichaam’ in de maatschappij dat met afwijkend gedrag, samenzweringen en vijfde colonnes wordt geassocieerd.
Nederlandse moslims seculariseren niet, ze liberaliseren hoogstens. Dat is de voornaamste conclusie van zowat alle onderzoeken naar ‘kerkelijkheid’ onder Nederlandse islamieten. De islam is de snelst groeiende godsdienst van ons land en exclusief islamitisch onderwijs dreigt de voornaamste steen des aanstoots voor de onderwijsinspectie te worden. ‘Vrijzinnigheid en openlijk beleden geloofsafval liggen in het geval van de islam niet voor de hand’, concludeerde het SCP-rapport Secularisatie in de jaren negentig (2000) eufemistisch: ‘Gelovigen zullen niet zo gemakkelijk in het openbaar hun godsdienst en haar instituties kritiseren, laat staan afzweren, omdat de sociale omgeving tot ingrijpende sancties kan besluiten. Het “geval-Rushdie” getuigt daarvan in extreme mate. Tenslotte is er zelfs een begin van islamitische verzuiling te bespeuren, vooral in het onderwijs.’

VANWAAR die zelfsegregatie? De angst van Europeanen voor de binnen hun grenzen wonende moslims ‘zou in één klap verdwijnen als die moslims het tijdperk van het post-islamisme zouden binnentreden’, verzuchtte schrijver Fouad Laroui afgelopen voorjaar op een terras in Rabat: ‘En niets hoeft ze daarvan te weerhouden’ (De Groene Amsterdammer, 6 mei 2009). Helaas, er is nog veel wat hen weerhoudt van een vrije keuze. Onder hoogopgeleiden van islamitische komaf en ook onder jonge Turken en Marokkanen van beide geslachten blijft ongodsdienstigheid een vrijwel onbekend fenomeen, hoewel je op grond van trends bij alle andere gezindten het tegenovergestelde zou verwachten. Slechts een enkeling zet de ramen open en ervaart de vrijheid en innerlijke rust van een leven zonder almachtige kwaliteitsbewaker in den hoge. In de meeste gevallen wordt het verlangen naar zo’n leven verstikt in groepsdwang.
Onder Nederlandse moslims is artikel 6 van de grondwet een dode letter, concludeerde schrijver Michiel Hegener in 2007 in Justitiële verkenningen, het wetenschappelijk tijdschrift van het ministerie van Justitie. Alle berichten over geestelijke vernieuwing onder moslimjongeren ten spijt is die groepsdwang nog even sterk; wie het geloof openlijk afzweert, loopt gevaar voor zijn of haar leven. Het is een van de schandelijkste misstanden in het huidige Nederland. En het geeft een zeer wrange bijsmaak aan berichten over liberalisering en ‘modernisering’ onder moslimjongeren, die tegenwoordig zelf de koran gaan lezen om te zien of deze hoofddoekjes voorschrijft. Het is maar wat je vooruitgang noemt. Al mag een gevangene op verzoek van cel wisselen, hij zit niettemin in de gevangenis. Het afschuwelijkste is dat de Nederlandse overheid die groepsdwang steunt en mede financiert omdat ‘respect voor de islam’ een Haags geloofsartikel is en respect voor de gewetensvrijheid van migranten niet. De enkeling die ‘er uit stapt’, zoals Ayaan Hirsi Ali of Ehsan Jami, krijgt van autochtone politici en media zelfs een trap na; moslims moeten in hun hok blijven en vooral niet zelf gaan nadenken.
Er is nog een tweede voorname belemmering. Het islamisme – het streven naar een ‘islamitische staat’ – heeft andere, meer intellectuele en filosofische stromingen binnen de islam zozeer verdrongen dat de meeste moslims er geen weet van hebben. Niet alleen geloofsafval en ontkerkelijking komen in hun kring nauwelijks voor, dat geldt ook voor het soefisme dat God beschouwt als een majestueus wezen dat geen unieke profeten nodig heeft en zich niet bemoeit met ondermaans geneuzel als de vraag hoe en hoe vaak een mens moet bidden, wat mannen en vrouwen precies met hun lichaam doen of wie de tekorten van de Amsterdamse Noord/Zuidlijn moet aanzuiveren. Een islam die geen dwingende voorschriften kent, niet de openbare ruimte claimt en geen politiek bedrijft, is ook voor Nederlandse moslims, sinds drie generaties gepokt en gemazeld in een seculiere westerse maatschappij, nog nauwelijks voorstelbaar.

TOCH IS DAT precies wat Laroui’s post-islamisme inhoudt, zo legt hij, inmiddels terug in Nederland, uit. Fouad Laroui: ‘Geloof is een particuliere zaak, zo intiem dat je er niet over kunt spreken, laat staan dat je het redelijkerwijs aan een ander kunt opleggen. Het vereist niet dat mensen in je omgeving zich aan jouw god aanpassen, evenmin dat de maatschappij jouw specifieke normen en grenzen sanctioneert. Dat is niet nodig voor het fatsoenlijk functioneren van een samenleving, ook al roepen islamisten het nog zo hard. Een goede samenleving ontstaat door onderhandeling, gebaseerd op omgangsregels die rationeel zijn uit te leggen. Daar komt geen god aan te pas. Elke idioot beseft dat je een medemens niet mag doden, daarvoor heb je geen god of geopenbaarde voorschriften nodig. En bijbel en koran hebben niets te zeggen over progressieve belastingen of de aanleg van de Noord/Zuidlijn, dus aan politieke kwesties komt ook geen geloof te pas.’
Het steekt Laroui dat de toekomst van de islam in Europa wordt voorgesteld als een keuze uit twee kwaden: of de traditionele prediking in de trant van sjeik El Moumni, of de quasi-vrijzinnige prediking door ‘mannen in pakken’ als Tariq Ramadan of Dyab Abou Jahjah die precies hetzelfde denken maar hun standpunt ‘rationeel’ inkleden. Laroui: ‘Een El Moumni is tenminste eerlijk als hij geen varkensvlees eet omdat de koran het verbiedt. Ramadan denkt hetzelfde, maar rationaliseert die keuze met prietpraat over het varken als ziektedrager. In beide gevallen blijft de islam een stelsel van geboden, een houvast voor domme of onzekere mensen die pas rust vinden als hun eigen leefwijze door de omringende samenleving wordt gedeeld. In mijn optiek is geloof iets zo persoonlijks dat het niemand aangaat, afgezien van mensen die ik in mijn persoonlijke sfeer toelaat. Europese christenen hebben geleerd zich daarbij neer te leggen, zij het tandenknarsend. In Nederland weet je vaak niet of je buurman gelooft en waarin hij gelooft. Het zal een zware dobber zijn om moslims ook zo ver te krijgen, maar het is de enige intelligente benadering van het geloof in een moderne, vrije samenleving.’

ONDER ISLAMITISCHE jongeren lijkt Laroui’s visie wel enige aanhang te hebben. Uit e-mails en brieven die hij van hen krijgt, spreekt een groot verlangen naar authenticiteit en een afkeer van de lege islam die ze vaak van hun ouders meekrijgen. Maar ze lijden nog vaak aan de typisch islamistische obsessie met regeltjes, uiterlijkheden en leergezag. Alsof God een streep aan de balk zet telkens wanneer een moslima een biertje drinkt of een huisvader niet op het voorgeschreven moment zijn voeten wast. En alsof de ene schriftgeleerde dichter bij God staat dan de andere, zodat zijn voorschriften zwaarder wegen dan die van de ander. Vergeet de fatwa’s, vergeet de oemma. Idealiter moet het gesprek over zulke kwesties helemaal verstommen, meent Laroui; pas dan leven we in een samenleving die de band tussen mens en God werkelijk respecteert.
Tegelijk is dat een volmaakt seculiere samenleving, want het uiterlijke verschil tussen atheïsme, agnosticisme en Laroui’s post-islamisme is nihil. Het verschil is louter een kwestie van innerlijke beleving, van het al dan niet bezitten van een intiem bewustzijn omtrent een opperwezen dat voor de samenleving geen consequenties heeft, ook al kan het voor het individu van allesoverheersend belang zijn. Je kunt je er iets bij voorstellen, ook al lijkt het in de omstandigheden van vandaag moeilijk. In Laroui’s maatschappij is het dragen van peperdure gymschoenen onder een armelijke djellaba geen salafistisch statement meer, geassocieerd met repressie, obscurantisme en een algeheel gebrek aan beschaving, maar slechts een herinnering van de drager aan zijn eigen sterfelijkheid waarbij ‘alles beneden de enkel is bestemd voor de hel’. Denk daarbij aan imam Gremdaat op televisie en het komt alsnog goed met de Nederlandse islam.