De toekomst van Hala en Asma

‘Aan het einde zullen we vrij zijn’

Kort na de Eerste Golfoorlog verbleef Lieve Joris een half jaar bij haar vriendin Hala en haar dochtertje Asma in Syrië. Ze schreef er het boek De poorten van Damascus over, dat in 1993 verscheen. Nog steeds heeft Joris contact met moeder en dochter, die met vele anderen de straat op zijn gegaan.

Een halfjaar woonde ik in een volkswijk in Damascus en deelde er het leven van mijn vriendin Hala en haar dochtertje Asma. Hala en ik hadden elkaar ontmoet toen we 25 waren. Wij hadden dezelfde dromen, maar nadat haar man Ahmed om politieke redenen in de gevangenis was beland, raakte Hala verstrikt in de netten van het Assad-regime en werd zij teruggeworpen op haar familie.

Toen ik terugkeerde naar Amsterdam om De poorten van Damascus te schrijven, ondervond ik algauw dat zes maanden onder het alziend oog van de Syrische veiligheidsdienst Mukhabarat me niet onberoerd hadden gelaten. Ik woog mijn woorden als ik telefoneerde, luisterde instinctief naar geruis op de achtergrond. Wanneer op de kade tegenover mijn huis iemand langer dan normaal rondhing, dacht ik dat hij me stond te bespieden. De Mukhabarat keek over mijn schouder mee terwijl ik schreef. Ik veranderde de namen van mijn hoofdpersonages, sleutelde aan hun beroepen, wijzigde her en der informatie over plaatsen. Maar was dat genoeg?

Een jaar later reisde ik naar Damascus met het manuscript. Uit veiligheidsoverwegingen logeerde ik niet langer bij Hala, maar we zagen elkaar regelmatig. Ahmed, op wiens vrijlating we maandenlang hadden gewacht, zat nog steeds in de gevangenis. Asma was groter geworden, en opstandiger: een jongensachtige puber.

Ik was gekomen om Hala in grote lijnen te vertellen wat ik had geschreven en advies te vragen over eventuele verdere aanpassingen. ’s Middags zaten we op mijn logeeradres aan de tuintafel, ik met het manuscript voor me, Hala tegenover me. Telkens als ik begon te praten, was het of er een enorme vermoeidheid over haar kwam. Ze keek weg naar Asma, die in de verte met een voetbal speelde – ze luisterde niet.

Het waren moeilijke dagen voor onze vriendschap, onze stemmingen gingen wild op en neer. Ik had haar verhaal willen vertellen, maar nu was het alsof ik op het punt stond haar te verraden. De agenten van de Mukhabarat bepaalden indirect haar hele leven, klaagde ze, ze wilde niet opnieuw met hen geconfronteerd worden. ‘Ze weten hoe ik over dit regime denk, maar hebben daar geen bewijs voor. Jouw boek geeft hun dat bewijs. Het is alsof je een rapport voor de Mukhabarat hebt geschreven!’ De woorden galmden na als ze weg was, hielden me ’s nachts uit mijn slaap.

Op andere momenten was ze milder, zei ze dat het goed was dat ik het sociale drama had beschreven achter de rapporten die Amnesty International jaarlijks over Syrië publiceerde. Het probleem was alleen dat het verhaal over haar ging. ‘Kun je het hoofdpersonage aan het einde van het boek niet laten sterven?’ vroeg ze met een klein stemmetje.

De Syrische filmer Omar Amiralay, bij wie ik in die stormachtige dagen soms ging schuilen, lachte mijn bezorgdheid weg. ‘Hoe zou een vrouw kunnen houden van een regime dat haar man al twaalf jaar zonder proces gevangen houdt? Als iemand reden heeft om kritiek te hebben, is zij het wel. Ga maar vlug terug naar huis, de Mukhabarat is niet geïnteresseerd in dit soort boeken. Waarom ben je eigenlijk gekomen: wil je dat het hoofd van de Mukhabarat je boek goedkeurt, zal je dan gerust zijn? Je lijkt wel een van ons, met je angsten.’

Die zomer kwamen Hala en Asma naar Amsterdam. Zij had mij haar wereld laten zien, ik keek ernaar uit haar de mijne te tonen. Een van de eerste avonden nodigde ik een groep vrienden uit die betrokken waren bij de Arabische wereld. Na afloop bleek Hala verbaasd over al die Arabisch sprekende Nederlanders. Een van mijn vriendinnen deed onderzoek naar Arabische vrouwen in badhuizen. ‘Wat moet ze daar’, zei Hala, ‘misschien is ze wel een spionne.’

Argwanend betrad ze de Amsterdamse woning van een Arabische vriend die opgegroeid was in Israël. De Palestijnen over wie ze in Syrië hoorde, woonden in vluchtelingenkampen of vochten tegen Israël. Mijn vriend vroeg haar naar de recente verkiezingen in Syrië: Hafez Assad was de enige kandidaat geweest en hij werd herkozen met bijna honderd procent van de stemmen. ‘Dat kun je toch geen verkiezingen noemen?’ Ze begonnen heftig te discussiëren in het Arabisch. Plotseling richtte mijn vriend zich in het Nederlands tot mij. ‘Ik dacht dat haar man in Syrië in de gevangenis zat?’ Ik knikte. ‘Maar hoe kan zij dan het regime van haar land verdedigen!’ Hij was gekwetst: Hala had hem verweten te praten alsof hij niet wist wat er in de Arabische wereld gaande was – alsof hij geen Arabier was.

Een bevriende journalist die met vakantie ging, had me de sleutel gegeven van zijn Antwerpse woning. Ik dacht dat Hala gelukkig zou zijn in dit monumentale huis met kristallen luchters, wanden vol boeken en cherubijntjes op het tuinterras, maar wantrouwig liep ze van kamer naar kamer en zei: ‘Hoe kan een journalist zo rijk zijn? Hoe komt hij aan al dat geld?’ Tijdens een diner in het chique appartement van een Palestijnse diplomate in Den Haag keek ze stil en afwijzend om zich heen. Dus zo waren Palestijnse diplomaten behuisd – terwijl hun volk in tenten leefde!

Asma weigerde pertinent een museum binnen te gaan en was pas gelukkig toen we haar meenamen naar de Efteling. Al was ze nooit eerder in een pretpark geweest, ze wist precies wat het te bieden had en miste geen enkele attractie. Hala daarentegen liep bevreemd tussen de joelende kinderen door het Sprookjesbos. ‘Jullie in het Westen vervelen je’, zei ze.

Terwijl we naar de fakir stonden te kijken die op zijn tapijt door de lucht zweefde, begon ze ineens over Assad te praten. Ze vertelde een grapje, geloof ik, dat in Damascus over hem de ronde deed. Ik was verbaasd dat ze hem hier helemaal mee naartoe had genomen, maar uit de heftigheid waarmee ze hem in herinnering riep begreep ik hoe verweesd ze zich voelde in deze omgeving, waar hij geen enkele rol speelde. Ze haatte hem, maar buiten de smalle paden die zijn regime voor haar had uitgestippeld, was het alsof zij gewichtloos door de ruimte zweefde.

‘Jij probeert een deur voor haar te openen’, zei de Palestijnse diplomate toen ik me beklaagde over de geslotenheid van mijn Syrische gaste. ‘Maar zij wil dat die dicht blijft – hoe kan zij straks anders teruggaan naar Syrië?’

Het regende die zomer veel en soms lagen Hala en Asma op de zolderkamer tot ’s middags in bed en hoorde ik hen daar boven praten en lachen. Ze voelden zich net overwinterende beertjes onder het donzen dekbed, zei Hala als ze beneden kwam. Het liefst gingen ze met z’n tweeën naar de markt. Toegewijd werkten ze de lijst met cadeautjes af die ze voor 54 familie­leden en vrienden moesten meebrengen.

Op een middag kwamen ze ontdaan en giechelig thuis. Ze hadden een andere route genomen en het hoerenstraatje onderweg van mijn huis naar de markt ontdekt. Twee keer waren ze erlangs gelopen. Er kwam geen eind aan Hala’s verbazing. Hoe kon een vader toestaan dat zijn dochter halfnaakt voor het raam zat, hoe kon haar broer ermee instemmen? Ik was zelf ook niet zo gelukkig met de raamprostitutie in mijn buurt, maar voor ik het wist zei ik: ‘Sommige prostituees zijn getrouwd en worden door hun man naar hun werk gebracht. Er zijn er zelfs die kinderen hebben.’

Hala trok Asma beschermend naar zich toe. ‘Maar als de familie ermee akkoord gaat, waarom doet de regering er dan niets tegen?’ Ik lachte. ‘De regering! Die vrouwen staan ingeschreven in het landelijk prostitutieregister, ze nemen deel aan verplichte gezondheids­onderzoeken!’ Ongelovig keek ze me aan. ‘In zo’n land’, zei ze, ‘zou ik nooit willen wonen.’

We maakten elkaar die weken vaak ongelukkig en ik was blij als mijn vriend Marek het een dagje van me overnam. Hij vergezelde het tweetal naar Volendam, Marken en zat avond aan avond geduldig met Asma te kaarten en over haar grote held Jean-Claude Van Damme te praten. Zoals wel vaker gebeurde, kwamen gasten via mij het huis binnen, maar gingen tijdens hun verblijf van Marek houden.

Enkele weken na hun vertrek kreeg ik een brief van Hala. Ze dacht met heimwee terug aan haar verblijf bij ons, al had ze zich soms afgevraagd waarom ik haar zo nodig mee moest nemen naar Antwerpen terwijl zij net gewend was geraakt aan Amsterdam. ‘Ik zie mezelf in je woonkamer rond de tafel draaien’, schreef ze, ‘op een ochtend waarop ik weer te lang heb geslapen. Het regent, eigenlijk wil ik het huis niet uit en Asma nog minder, maar hoe moet ik je dat vertellen als jij je jas al aan hebt en ongedurig op ons staat te wachten?’

Omar Amiralay kreeg gelijk. De Syrische autoriteiten interesseerden zich niet voor mijn boek. Ook na het verschijnen van de Franse editie een jaar later gebeurde er niets. Tijdens voordrachten moest ik soms heimelijk lachen als lezers – of liever: lezeressen – me vroegen waarom ik Hala en Asma niet probeerde weg te halen uit het verschrikkelijke Syrië. Ook in die tijd klonk al de roep dat Nederland vol was, maar voor Hala en Asma wilden ze graag een uitzondering maken. Ik vertelde maar niet dat Hala helemaal niet wilde wonen in een land waar vrouwen op klaarlichte dag halfnaakt in een etalage zaten en gekeurd werden door passerende mannen.

Wat ik tijdens mijn verblijf in Syrië had geleerd werd tijdens Hala’s bezoek aan Nederland bekrachtigd: mensen mochten gekant zijn tegen het regime van hun land, het betekende niet automatisch dat zij het eens waren met het onze. Het was een les die mij ook in veel andere niet-westerse landen van pas zou komen.

In het najaar van 1995 kwam Ahmed eindelijk vrij. Hij liep het straatje in waar de Mukhabarat hem vijftien jaar eerder had opgewacht en belde aan bij het huisje waar hij zijn vrouw en pasgeboren baby had achtergelaten. Ze omhelsden elkaar, huilden. Maar toen hij een uur of wat later met de vijftienjarige Asma naar het huis van zijn ouders vertrok, ging Hala niet mee.

Ze was twee jaar eerder van hem gescheiden. Ahmed probeerde haar nog van gedachten te doen veranderen, maar zij had een verhouding met een andere man en was vastbesloten: er was geen weg terug. Pas de volgende dag ging ze naar Ahmeds ouderlijk huis, waar familie en vrienden waren samengestroomd.

42 was Ahmed intussen. De eerste maanden in de gevangenis was hij vaak gefolterd en de levensomstandigheden in de jaren daarna waren zo erbarmelijk dat hij erg verzwakt was. Sinds enige tijd voelde hij zich gauw moe en had hij onverklaarbare bloedingen. De gevangenisdokter had er zijn schouders over opgehaald, maar de dokters in het ziekenhuis van Damascus stelden vast dat hij leukemie had.

Hala en Asma bezochten hem regelmatig in de ziekenhuizen in Beiroet en Damascus, waar hij verpleegd werd. Asma was teleurgesteld: had ze eindelijk haar vader terug, lag die de helft van de tijd te slapen! Ahmed bleef de militant die hij altijd geweest was en maakte in zijn ziekenhuisbed notities over zijn gevangenistijd, over de folteringen die hij had ondergaan. ‘Ik heb de gevangenis verlaten’, schreef hij, ‘maar zij heeft mij niet verlaten. Haar sporen zijn teruggevonden in mijn bloed, maar mijn geest verlangt nog altijd naar vrijheid, waardigheid en rechtvaardigheid.’ Hala en Asma waren bij hem toen hij amper acht maanden na zijn vrijlating overleed.

Basil, president Assads oudste zoon en gedoodverfde opvolger, de aantrekkelijke cavalerie­officier met de volle baard en donkere bril op wie Asma als kind gek was, reed in 1994 met zijn sportauto door de mist naar het vliegveld van Damascus en had een dodelijk ongeluk. In 2000, na de dood van de oude Assad, volgde diens tweede zoon Bashar hem op. Honderden gevangenen werden vrijgelaten en er waaide een wind van verandering door het land. Intellectuelen verzamelden zich in huiskamers om te praten over politieke en sociale hervormingen, stelden een manifest op, vroegen om meer vrijheid.

Asma was net twintig geworden en volgde een theateropleiding. Samen met een vriend, wiens vader net als Ahmed kort na zijn vrijlating uit de gevangenis was overleden aan kanker, maakte ze een documentaire over Riad Turk, de stichter van de Syrische Communistische Partij waartoe haar vader behoord had. Zij stond achter de camera toen Turk vertelde hoe hij de zeventien jaren in zijn cel overleefd had door steeds nieuwe arabesken te maken met de steentjes die hij in de linzensoep aantrof. Zelf had hij zich gedwongen nooit aan zijn vrouw en kinderen te denken, maar anderen konden dat niet: elke avond wensten ze hun geliefden in gedachten goedenacht.

Lang zou de Lente van Damascus, zoals de hervormingsbeweging was gaan heten, niet duren. In het najaar van 2001 werden de kopstukken opgepakt en verdween ook de oude, zieke Riad Turk opnieuw achter de tralies. Hala had met enige reserve deelgenomen aan de beweging; ze meende het regime goed genoeg te kennen om te weten dat het niet bereid was tot concessies. Toch voelde ze zich na afloop terneergedrukt. Ze had de gave me aan de telefoon met één enkel beeld haar wereld binnen te halen. ‘Alles om me heen is donker’, zei ze, ‘het is alsof ik in een put leef.’

Inmiddels was ze getrouwd met haar geliefde Firas, maar de verhouding verliep moeizaam, begreep ik. Ze woonden niet samen maar zij pendelde tussen haar huis en het zijne. Asma en hij konden het niet met elkaar vinden; Firas was jaloers op de hechte relatie van Hala en haar dochter en ook Asma wilde haar plaats niet afstaan. Zo leek het in Syrië wel vaker te gaan: het regime beknotte de vrijheid van zijn burgers en die deden vervolgens hetzelfde met elkaar.

Firas vond werk in Dubai en Hala ging met hem mee. Enige tijd later voegde Asma zich bij hen. Hala zag er afgemat uit toen ik haar in 2009 op doorreis naar China ontmoette. Haar ogen stonden dof, al het licht dat er ooit in gestraald had leek overgegaan te zijn op Asma, die, klein als ze was, in een grote zwarte auto door Dubai reed. Aanvankelijk hadden Firas, Hala en Asma samengewoond, maar dat had niet lang geduurd, waarna Asma een eigen onderkomen had gezocht. Hala had geen gelukkige hand in het kiezen van mannen, bedacht ik. De onstuimige liefde van destijds was gedoofd en veranderd in een hel van verboden en verplichtingen. Zij mocht niet werken van Firas en was financieel volledig afhankelijk van hem.

Ik had Hala nauwelijks met een man aan haar zijde meegemaakt en schrok als zij in de keuken voor gasten stond te koken en Firas vanuit zijn luie stoel in de woonkamer gebiedend haar naam riep. Tijdens het eten was Firas – die alleen Arabisch sprak – voortdurend aan het woord en vertaalde zij gedwee. Tussendoor verdween ze almaar naar de keuken om nog meer gerechten op de al overvolle tafel te zetten. ‘Blijf toch even zitten’, protesteerde ik, ‘waarom loop je de hele tijd weg?’ Ze lachte vermoeid. ‘Laat mij nu maar. Je weet hoe het is bij ons: je moet je gasten volstouwen, anders voelen ze zich niet welkom.’

Asma werkte voor een Arabisch tv-station. Ze was het stoere jongetje gebleven dat ik in Damascus had gekend. Sinds enige tijd had ze een verhouding met een vrouw; ze aasden op een Canadees paspoort – dan zouden ze gemakkelijker kunnen reizen. Naar Syrië wilde Asma nooit meer terug, al zou ze daar evenveel verdienen als hier. In het weekend lagen zij en haar vriendin met een koelbox vol breezers en chips aan het strand met hun vrienden, gingen ’s avonds naar de cinema in de Emirates Mall of rookten een waterpijp op een terras in de Dubai Mall. Soms vlogen ze een paar dagen naar Libanon – daar waren de nachtclubs beter.

Asma leek een grote vlucht vooruit te hebben gemaakt, maar gaandeweg begreep ik dat er nog heel wat Syrische klei aan haar voeten kleefde. Al woonde ze nu apart, de symbiotische relatie die ze altijd met haar moeder had gehad, was nauwelijks veranderd. Voer voor psychologen, was mijn eerste reflex, maar ik realiseerde me dat het Syrische regime ook daar een hand in had gehad: de buitenwereld was zo onbetrouwbaar dat iedereen zich had teruggetrokken in zijn familiecocon. Ook Hala betrok haar moeder tété nog steeds in al haar plannen en reisde regelmatig naar Damascus om haar te bezoeken.

Als ik alleen met Hala was, zag ik de opstandigheid van vroeger soms weer even in haar varen. Ze haatte het dure shoppingparadijs Dubai en klaagde over Firas, die haar had meegenomen naar deze stad, waar zij niemand kende. ‘Zodat hij mij eindelijk helemaal voor zichzelf heeft.’ Ze wilde een einde maken aan de relatie en teruggaan naar Syrië, maar de gedachte Asma hier achter te moeten laten, weerhield haar daarvan.

Dat haar dochter samenwoonde met een vrouw betreurde ze. ‘Het is in de mode’, zei ze, ‘net als de charleston. Ik hoop maar dat het overgaat, zodat ik op een dag grootmoeder zal worden.’

De avond van mijn vertrek naar China bracht ze me samen met Asma naar het vliegveld. ‘Maar hoe ga je daar je weg vinden als je niemand kent?’ klonk haar kleine stemmetje achter in de auto. ‘En hoe ga je daar vrienden maken? Je zal hen niet van elkaar kunnen onderscheiden, want alle Chinezen lijken op elkaar!’

De hele wereld had het in het voorjaar van 2011 over de opstand in Syrië, maar toen ik Hala belde, sprak zij voornamelijk over tété, die net overleden was aan kanker. Ze had Firas verlaten en een appartement gehuurd in Damascus, maar na de dood van tété was ze naar de ouderlijke woning verhuisd om bij haar zuster Zahra te zijn, die een lichte verstandelijke beperking heeft. ‘Je kent mij’, zei Hala, ‘als ik niet voor een vijftiental mensen tegelijk kan zorgen, gaat het niet goed met me.’

Asma, die erg aan tété gehecht was, stuurde me vanuit Dubai een droevig berichtje. ‘Ik mis haar’, schreef ze, ‘ik denk dat ik haar altijd zal missen. Ik weet niet wat ik voel, soms voel ik niets – alsof ik over mijn verdriet heen wil springen.’ Maar de maanden daarna werden Hala en Asma onvermijdelijk de Syrische opstand in gezogen. Zij weten als geen ander hoe de spelonken van het regime eruitzien, zij kennen de zurige lucht in de gevangenissen, zij hebben het gekrijs gehoord van gefolterde mannen dat weerkaatst in de gangen.

Soms vertelde hun profielfoto op Facebook me hoe ze ervoor stonden. Uit de gehavende rode zuil van de rechtopstaande Syrische vlag stegen bebloede vogels op. Arabische pathetiek, maar wat kun je verwachten van mensen die opgroeiden in een stad, dichtgeplakt met foto’s en portretten van de president? Naarmate de opstand voortduurde, werden de profielfoto’s steeds zwarter.

Afgelopen najaar was ik opnieuw in Dubai. Asma kwam net terug uit Zwitserland, waar ze een door het ministerie van Buitenlandse Zaken georganiseerde bijeenkomst van Arabische jongeren had bijgewoond. Ze had VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon gesproken, maar was vooral onder de indruk van een jonge sjiitische vrouw uit Bahrein wier vader, een bekende tegenstander van het soennitische minderheidsbewind, tot levenslang was veroordeeld.

Enkele maanden later verscheen er een foto op Asma’s Facebook-pagina van een besnorde man met een sigaret in de hand die in een kamer met ouderwets behangpapier dromerig in de camera zit te kijken. Zomaar een kiekje, nogal donker, zonder enige uitleg. Het was Ahmed, zoals ik hem had gekend twee jaar voordat hij werd opgepakt en het gordijn om zijn leven werd dichtgeschoven.

‘Hoe breng je je dagen door?’ vroeg ik Hala laatst. ‘Ik help mensen’, zei ze. Dat klonk nogal vaag. ‘Ik ga ook de straat op om… hoe heet het als burgers de straat op gaan om te protesteren?’ ‘Demonstreren.’ Dat woord had ze nooit eerder nodig gehad. ‘Ben je niet bang?’ ‘Ja, natuurlijk, we zijn allemaal bang, vooral als er iemand geraakt wordt, als we bloed zien. Maar ik ben ook gelukkig als ik tussen al die mensen loop.’

Tijdens een van de demonstraties had ze een jongeman ontmoet. ‘Weet je wat hij zei? “We hebben duizenden mensen verloren en zullen er nog veel meer verliezen, maar aan het einde zullen we vrij zijn.”’ De tinteling in haar stem ontroerde me. Dat zij daar na zoveel sombere jaren, na zoveel klappen en teleurstellingen, nog in durfde te geloven! ‘Onze herinneringen komen tot leven’, zei ze, ‘we worden weer kinderen, ondanks onze leeftijd.’

Asma was net in Damascus geweest. ‘Ze wil een film maken over wat er gebeurt. Het is niet ongevaarlijk, maar…’ Op de achtergrond hoorde ik Zahra tegen niemand in het bijzonder praten. Hala pauzeerde even, luisterde. ‘Zahra groet je’, zei ze ten slotte.


Dit is het nawoord bij de nieuwe druk van De poorten van Damascus (Atlas/Contact, € 12,50) van Lieve Joris die deze week verschijnt.