H.J.A. Hofland

Aan het feestmaal

Het is heel, heel slecht wat ze hebben gedaan! In en in slecht! De natie is door het oog van een naald gekropen! Bijna een constitutionele crisis! Je moet er niet aan denken wat er had kunnen gebeuren! Hoe vind je zo’n meisje?! En dan die man! Bah! Goed dat we staatsman Jan Peter hebben.

Dat kwam uit de grond van mijn hart. En dit gezegd zijnde, hoort het schouwspel van een kudde zeloten die zich met vrome bloeddorst op een prooi stort tot de weerzinwekkendste drama’s.

Ik vertel een herinnering. Het was mei 1945. Bij mij in de buurt woonde een meisje waarvan het gerucht ging dat ze een «moffenhoer» was. Een dag nadat de bevrijders waren gearriveerd, trok een vaderlandslievende voorhoede naar haar huis en eiste van haar ouders haar uitlevering. De vader weigerde. Ladders werden aangesleept, tegen de gevel gezet. De dappersten klommen naar de eerste verdieping, braken een ruit, verdwenen naar binnen. Een paar minuten later ging de voordeur open. Ze verschenen met hun buit op de stoep, een sidderende achttien jarige. Onder triomfgehuil van de menigte knipten de verzetsstrijders van na de oorlog haar hoofd kaal. Tja, eigen schuld! Dan had ze het maar niet met de moffen moeten doen.

Veel later. Nog zo’n voorbeeld. Matt Drudge die een internetkrantje had, waarmee hij allerlei oncontroleerbaar opzienbarends verspreidde, was erachter gekomen dat Bill Clinton een verhouding met Monica Lewinsky had. Het was waar. De rijkelijk aanwezige Clinton haters pikten het nieuws op. Eindelijk, na alle onzin hadden ze iets substantieels in handen. Het gerucht groeide, zoals Beaumarchais het zo mooi in zijn De barbier van Sevilla heeft beschreven, tot een vernietigende orkaan. De president was zo dom te ontkennen.

Had de president gelogen? Speciale aanklager Kenneth Starr ging de zaak tot de bodem uitzoeken. Dat intussen in Joegoslavië de moslims bij duizenden werden afgeslacht, dat kon wel wezen, maar deze waarheid ging boven alles. Het Starr Report werd meteen na het verschijnen tot een bestseller. «L’enfer c’est l’Amérique», schreef Le Monde.

Het schandaal is de traktatie der braven, en daarom een goudmijn. Vandaar dat we niet kieskeurig in onze middelen zijn als we zo’n fortuin proberen te bereiken. Het centrum is altijd een «hooggeplaatste» van wie het gerucht gaat dat hij, of zij, of haar man, of hun kind of huisvriend iets heeft gedaan «dat niet door de beugel kan». Daar moeten we meer van weten!

Het speuren begint. Als dit niet meteen door de aanstaande prooi wordt gezien, zodat die met kracht van argumenten of een bekentenis de aanval kan afslaan, is de zaak waarschijnlijk al verloren. De automaat van het volksgericht is in werking gesteld.

Redelijke verklaringen? Verontschuldigende omstandigheden? Wat als gerucht is begonnen, heeft zich al tot een «affaire» ontwikkeld. Dan is het ruimschoots te laat. De eerste deskundigen zijn verschenen. Die spreken elkaar tegen. Hun ruzies worden in praatprogramma’s nader bekeken. Stambomen worden erbij gehaald, historische misstappen en ontsporingen bestudeerd. De geheime dienst raakt ook nog in opspraak. Des te beter.

Alle media, alle instellingen en autoriteiten die zich er op wat voor manier dan ook mee bemoeien, dragen er nu toe bij dat de affaire groeit, tot een monster. Bij dit tafereel smullen de miljoenen der braven. Ze willen hun prooi op de mestkar voorbij zien rijden.

Wat er ook wordt opgedolven, de automaat maalt verder. De vraag naar schuld of onschuld verdwijnt in het hooggestemd tumult van het volksgericht. Ik ken één grote uitzondering, waarbij het triomfgehuil van de moralistische jakhalzen voorbarig was. Dat is de affaire-Dreyfus. Dankzij Emile Zola met zijn J’accuse! en de hoofd redacteur van het dagblad Aurore, dat zijn open brief aan de president van de Republiek wilde afdrukken, is het toen met de arme kapitein nog betrekkelijk goed afgelopen. Maar voor het zover was, moest hij nog gedegradeerd worden en toezien hoe zijn sabel voor het front van zijn aangetreden regiment werd gebroken. En in 1898 was er nog geen televisie.

Een promovendus die het al vroeg doorzien had — de roddel- en lasterpers stond nog in de kinderschoenen — heeft toen in zijn laatste stelling geopperd dat een koninklijk huis, niet alleen het Nederlandse, gefinancierd zou moeten worden door de daarin gespecialiseerde krantjes. Hij dacht aan Panorama en een orgaan dat Vorsten heette. Misschien bestaat het nog. De publiciteit is intussen met reuzenschreden vooruit gegaan. Of ze willen of niet, alle media zijn nu in hun berichtgeving gedwongen de ontwikkeling van een affaire te volgen. Trekken we de lijn waarvan het begin met deze stelling gegeven is verder, dan moet voortaan de monarchie door «de» media worden gefinancierd, dus door het publiek. Dat gebeurt al. De cirkel is rond.

Mabelgate. Gangsterliefje. Reservekoningin. Schei toch uit met je schijnheilig gebulk. Ik neem de vrijheid dit echtpaar een goede raad te geven. Emigreer, voor uw eigen bestwil. Ga naar een land waar de speurneuzen die voor de normen en waarden op de bres staan, ander wild op de korrel hebben, en leef daar nog lang en gelukkig, zoals sprookjesprinsen en prinsessen dat horen te doen.