`aan het kruis met hem!‘

Om de vijf jaar staat Tegelen in het teken van de Passiespelen. En iedere keer opnieuw zoekt men naar een frisse aanpak. Maar wat heeft het lijdensverhaal met Bosnie te maken? En kan een homoseksueel Judas spelen? ‘Er wordt nu al smalend gedaan over de scene waarin ik Christus een kus op de mond moet geven.’
De Passiespelen worden elke zondagmiddag vanaf 21 mei tot eind september opgevoerd in openluchttheater De Doolhof in Tegelen.
IN DE LIMBURGSE plaats Tegelen zitten mijn broer Geert en ik tegenover elkaar achter de permanente coulissen van het openluchttheater De Doolhof, waar een zomerseizoen lang de Passiespelen zullen worden opgevoerd. We zijn allebei in het katholieke Tegelse milieu opgegroeid; ik ben er geboren in 1950 en hij in 1956. We zijn dus allebei van kindsbeen af op de hoogte van de traditie van deze spelen en van het belang dat daaraan wordt gehecht in de gemeente. Onze moeder heeft als meisje meegespeeld als figurante. Naderhand was onze zus een seizoen lang engel. Zij was degene die mijn broer erbij haalde toen hij elf was. Nu doet haar zoon voor het eerst mee als figurant en inmiddels heeft mijn broer zich allang uit het volk, zoals dat heet, ‘losgemaakt’; twee seizoenen vertolkte hij de rol van de aanklager-farizeeer Kajafas. Dit jaar neemt hij de rol van Judas voor zijn rekening.

Mijn broer woont nog steeds in Tegelen, terwijl ik intussen al langer dan de helft van mijn leven uit die plaats weg ben. Voor mij hebben de Passiespelen vooral een nostalgische betekenis. Ik herinner me bijvoorbeeld dat ik op zomerse zondagmiddagen tussen de dahlia’s achter het ouderlijke huis speelde, terwijl geluidsflarden van het ‘Hosanna’ of 'Aan het kruis met hem’ roepende volk door de ligusterhagen drongen, en ik verbeeldde me dan, heel paradoxaal, dat ik een jongetje van bijna twintig eeuwen geleden was dat op zijn hurken met wat zand, takjes en een kevertje in een tuin in Jeruzalem zat te spelen, terwijl zich ergens verderop een geweldig drama aan het voltrekken was.
De Passiespelen en het Missiemuseum van Steijl zijn langzamerhand de enige overblijfselen van mijn kindertijd die zo goed als onaangetast zijn gebleven. Wellicht is dat ook het eigenlijke belang van de Passiespelen: het in stand houden van een soort getuigenis van vroeger tijden, van het rijke roomsche leven, van het missiewerk van de paters van Steijl. Voor mij zijn de katholieke kerk en de Passiespelen altijd min of meer een pot nat geweest. Ik meende zelfs dat de spelen ooit op touw gezet zijn door de SVD-congregatie, door de 'dienaren van het goddelijke woord’. Maar dat blijkt niet te kloppen. De oorsprong van de Passiespelen ligt in 1927, toen door Tegelse burgers een vereniging werd opgericht die openluchtspelen wilde gaan uitvoeren. Dat gebeurde los van de missionarissen van Steijl. Maar men wilde wel bijbelse thema’s nemen. Op zoek naar een geschikte locatie is men toen terechtgekomen in De Doolhof, in die tijd een bidtuin van die paters. In 1931 werd daar het eerste Tegelse passiespel opgevoerd. Dat was zo'n publiek succes dat men het om de zoveel jaar is gaan herhalen, en dat is tot op heden zo gebleven. Vooral de laatste seizoenen trekken de opvoeringen weer veel publiek. Dit jaar loopt de kaartverkoop zelfs als nooit tevoren. Dat is wel eens anders geweest. Ik herinner me voorstellingen uit de jaren zestig en zeventig waarbij er meer mensen meespeelden dan er op de tribunes zaten.
IN DIE PERIODE, toen mijn broer dus voor het eerst meedeed met de Passiespelen, verzette ik me heftig tegen het katholicisme waarmee ik was opgegroeid en waarin ik me, zeker thuis en op het Thomascollege van de Augustijnen in Venlo, gevangen voelde. En ik was niet de enige. Ik zette me af tegen alles wat ook maar in de verste verte naar religie rook. Als ik nu hoor dat de bezoekersaantallen weer sterk toenemen, vraag ik me af waardoor dat komt. Krijgen mensen opnieuw behoefte aan het religieuze? Of speelt er iets mee van de nostalgie waar ik het over had? Of is het vooral een kwestie van elke zondag iets te doen willen hebben, of dat nu het bekijken van een aangespoelde potvis, deelname aan een 'ontdek je plekje’-fietstocht, het bijwonen van een luchtmachtshow of het bezoek aan zo'n passiespel is?
Geert Beurskens: 'Ik wil wel even duidelijk stellen dat de Passiespelen voor mij absoluut niet, zoals kennelijk voor jou, een levend museum zijn. Alleen al feitelijk: dat ik eraan meedoe, betekent dat het voor mij een dagelijkse realiteit is, het maakt zeker op dit moment een belangrijk deel van mijn leven uit. Daarnaast moet het een traditie zijn die in beweging is, iets wat zich kan vernieuwen. Voor mij is het belangrijk dat we met dat spel zoeken naar aanknopingspunten met de tijd waarin het wordt gespeeld. Dit seizoen hebben we heel bewust gekozen voor een speelwijze, voor een regie-opvatting die nogal confronterend is, die hard spel zal opleveren. Wij schrijven het woord traditie dan ook liever met een kleine beginletter.’
Huub Beurskens: 'Kom, moet dat nou echt steeds, al dat gemotiveer en dat zogenaamde geactualiseer? Het lijkt me uiterst respectabel als een groep mensen die het gezellig vinden om iets met elkaar te doen, een volksdansclub opricht, elk jaar samen in de carnavalsoptocht meetrekt of om de vijf jaar dat passiespel organiseert. Toevallig bestaat in Tegelen deze traditie, dus waarom daar niet op die manier gebruik van gemaakt?’
Geert: 'Natuurlijk mag de behoefte aan gezelligheid een drijfveer zijn. Maar ik denk dat je het thema van dit spel toch niet als iets inwisselbaars mag zien; als we opeens besluiten om over vijf jaar maar eens Shakespeare te gaan spelen, ligt alles op z'n gat. Het passieverhaal is het bindmiddel.’
Huub: 'Daarmee zeg je eigenlijk dat je een religieus standpunt inneemt of iets van religieuze aard wilt uitdragen…’
Geert: 'Eh, ja… Met die instelling ben ik overigens, dat klopt, als jongetje niet bij de Passiespelen gekomen. Wel is het zo dat ik dat verzet tegen de katholieke beinvloeding zelf minder heb ervaren, zeker in de jaren zestig. Voor mij is zoiets als een crisis, een twijfel over het wel of niet meer meedoen, pas later gekomen. En dat had ook heel sterk met mijn persoonlijke ontwikkeling te maken. Ik bespeur bij jou een sterk principiele afstandelijkheid tot de institutie kerk. Je zou kunnen zeggen dat jij er meer uit eigen beweging bent uitgestapt, terwijl ik me buitengesloten begon te voelen. En aangezien ik toentertijd ook zelf de Passiespelen met de kerk associeerde, ging ik me op een bepaald moment afvragen of ik hier nog wel mee door moest gaan. Indirect was er natuurlijk ook wel invloed vanuit de kerk, immers het bestuur werd gevormd door een aantal hoge heren uit de gemeente, snap je?’
Huub: 'Was het nu zo dat je een volgens de katholieke moraal onberispelijk leven moest leiden om een min of meer belangrijke rol te mogen vertolken?’
Geert: 'Eigenlijk viel dat ook destijds best mee.’
Huub: 'Misschien ook weer typisch katholiek…?’
Geert: 'Nee hoor. Ik zal je een voorbeeld geven. In 1975 wilde de toenmalige regisseur me gaan voorbereiden op de Christus-rol voor het seizoen daarna. Iedereen was daarvan op de hoogte. Maar de meesten wisten inmiddels ook al dat ik homoseksueel was. En dat terwijl ik me door met name mijn homoseksualiteit niet meer in de kerk thuis voelde. Zeker op dit moment laat men zich in het bestuur door niets en niemand de wet voorschrijven. Dat is voor mij ook wel een voorwaarde. Vroeger was zoiets wel een belemmering geweest.’
Huub: 'Waarom is er van die Christus-rol van jou nooit meer iets terechtgekomen?’
Geert: 'Het gegeven dat ik homoseksueel ben impliceert voor mij, ik bedoel voor mijzelf, dat ik die rol niet kan spelen.’
Huub: 'Mag Christus niet homoseksueel zijn?’
Geert: 'O, dat mag hij best! Maar ik durf het niet. Wat betreft het gevoel dat ik bij die rol zou moeten oproepen, zou ik het wel kunnen. Ik zou die crisis en worsteling die ik heb doorgemaakt daarvoor wellicht goed kunnen gebruiken. Zoiets is misschien zelfs interessant. Persoonlijk voel ik me nu, na alle toestanden, prettig. Maar als ik die ene rol zou gaan doen, zou oud zeer onherroepelijk voelbaar worden. Tegelijkertijd weet ik nu al bijna zeker dat ik er spijt van zal krijgen dat ik die kans niet heb benut, want op een bepaalde leeftijd kun je die rol gewoon niet meer spelen.’
Huub: 'Daarmee zijn we toch weer bij dat repressieve, waarvan jij zojuist beweerde dat niemand zich daar nog iets aan gelegen laat liggen.’
Geert: 'Ik heb het alleen over iets voor mij persoonlijk. Ik zou het gewoon een te grote druk vinden.’
Huub: 'Denk je nu heus dat die toeschouwers die van overal komen, weten of zich afvragen wat de persoonlijke seksuele geaardheid is van de man die daar als Christus aan het kruis hangt? Ja, na de publikatie van dit gesprek! Je hebt je nu dus zelf aan het kruis genageld!’
Geert (lacht): 'Dan ben jij mijn Judas… Nee, zonder gekheid. Ontwikkelingen zijn in die zin nooit helemaal afgerond en je moet maar accepteren en respecteren dat het bij mij ook nog niet af is. Bepaald negatief commentaar van buiten kan ik gewoon niet of nog niet aan. Ik merk toch hoe er nu al smalend gedaan wordt over de scene waarin ik als Judas Christus een kus op de mond moet geven.’
Huub: 'In het Tegelse passiespel speelt de verrader Judas een prominente rol. Ik geloof hoe dan ook dat veel van onze tolerantie grotendeels schijntolerantie is. Kun je dan niet stellen, zo doorredenerend, dat je je nu juist schikt omdat je als homoseksueel een verrader speelt?’
Geert: 'Zo mag je dat natuurlijk niet zeggen! Wat ik overigens wel zie als parallel tussen die Judas en mij - en daarin vertoont hij in zekere zin eveneens overeenkomsten met de geisoleerde Christus - is dat niet binnen een groep willen of kunnen passen van hem. Ik heb er altijd moeite mee gehad me binnen groepen mannen te bewegen, ik bedoel binnen die zogenaamd typische, toffe en stoere mannelijkheid.’
Huub: 'Dat ken ik ook, daar hoef je niet homoseksueel voor te zijn. Maar ik zie een andere parallel tussen de Christus en de Judas in jullie spel: ze hebben allebei een sterke band met hun respectieve, uiterst toegewijde en bezorgde, bijzonder sterk op elkaar lijkende moeders. Dat past fraai in de relatie die Freud ziet tussen homoseksualiteit en het oedipale… Bij iemand als Pasolini, die zich meer dan eens met het passieverhaal heeft beziggehouden, zie je die relatie ook steeds weer opduiken. Tot de dood erop volgt. Maar nu een ander onderwerp. Het spel als drama en theater.’
Geert: 'Een van de cruciale aspecten in dit drama is nu juist die verhouding tussen Christus en Judas. We zijn ervan uitgegaan dat Christus Judas min of meer aanwijst om hem te verraden. Judas heeft dus een opdracht van hogerhand, zou je kunnen zeggen. Daarom zien we de kus in de Hof van Olijven ook niet als alleen maar een verraderskus, maar als een bevestiging van Judas’ trouw, trouw aan zijn opdracht.’
Huub: 'Op die manier ga je dus uit van een noodlotsgedachte: die Judas mag en kan gewoon niet anders. Zijn slecht zijn is goed doen en zijn goed doen betekent slecht zijn. Hoe christelijk is zo'n opvatting nog? Het lijkt wel een Griekse tragedie waarin het orakel iemand op dubbelzinnige wijze het onheil in jaagt. De Griekse tragedie drijft op het zoeken naar evenwicht en gerechtigheid, en daarvoor is wraak een beproefd middel. Je zult daar niet gauw iemand tegenkomen die ook nog zijn andere wang aanbiedt als hij al op de ene geslagen is, zoals ook vergevingsgezindheid ver te zoeken is. Die Judas heeft in jullie optiek dus geen schijn van kans om een goed mens te worden. Zelfs als hij inziet wat hij heeft aangericht, trekt hij daar nog de consequentie uit die, vind ik, Grieks is: hij verhangt zich, om op die manier het evenwicht te herstellen. Als ik het goed heb, zien de toeschouwers van jullie spel plotseling helemaal rechts tussen de groene bomen Judas hangen, terwijl tegelijkertijd aan de andere kant Christus op dood hout hangt te sterven om juist uit de dood te kunnen gaan verrijzen.’
Geert: 'Voor mij heeft dit aspect inderdaad niets meer met katholicisme te maken, althans niets met katholieke dogma’s. Vroeger was het bijvoorbeeld zo dat Judas bewust met het Sanhedrin over geld ging onderhandelen. Nu zou hij het ook voor minder doen, want zijn drijfveer is niet het geld maar zijn opdracht of lot. Tevens moet het passiespel vooral een heel concreet verhaal zijn, bestaande uit beelden waarin de Christus een mens van vlees en bloed is.’
VOOR HET GESPREK met mijn broer las ik de toelichtende tekst die voor het programmaboekje werd geschreven. Daarin klinkt toch wel iets zalvends door, in de trant van: we moeten allemaal goed voor elkaar zijn, en ook vergevingsgezind, iedereen op zijn eigen wijze weliswaar, zoals dat hoort heden ten dage. Oude wijn in nieuwe zakken, denk ik dan. In die tekst wordt ook, hoe kan het anders, weer eens verwezen naar de oorlog in Bosnie. Ik vraag me wel eens af of men aldaar niet veeleer volgens de wetmatigheden van de Griekse tragedie denkt en handelt, terwijl men hier zit en staat te kwezelen met de christelijke waarden en zich, mede daardoor, totaal geen raad weet met de toestanden daar. Linke soep natuurlijk. Hoe dan ook, ik vind de opvatting van het passiespel iets tweeslachtigs hebben. Niet dat dat niet zou kunnen overigens, want voor zoiets als zuiverheid ben ik huiveriger.
De aantrekkingskracht van het katholicisme heeft toch ook altijd bestaan in het op de voorgrond plaatsen van juist dat hevige lijden van een in al zijn onderdelen als menselijk herkenbaar lichaam? Een van de stomste zetten van de katholieke kerk als organisatie is misschien wel het abstraheren van dat lichamelijke geweest. Als je denkt aan al die gestileerde en steriele, quasi-moderne mozaieken en glasramen in de naoorlogse kerken: geen lol meer aan! Totaal geen confrontatie, geen gesanctioneerd voyeurisme meer. Een tweede beeldenstorm, maar nu op eigen initiatief. Terwijl ze daar overal mee bezig waren, heb ik voor mezelf de oude religieuze kunst juist weer ontdekt. Niet in godsdienstige zin, maar als vaak fascinerend dramatische, want lijfelijke voorstelling. Wat daar allemaal aan letterlijk op te vatten folteringen te zien is! Je zou een mens wel op een christelijker manier aan zijn einde kunnen laten komen…
Wat mij als bijzonder emotionele ervaring bij het zien van het Tegelse passiespel is bijgebleven? Het is al een flinke tijd geleden, maar opeens zag ik daar dat een van de moordenaars die aan het kruis hingen, een krijtwit lijf had, op zijn armen, hoofd en hals na. Dat was aangrijpend, dat maakte die man en zijn rol daar zo volkomen levensecht! Want levensecht betekent toch dat je wat je waarneemt in een context ervaart? Opeens zag ik hoe die amateurtoneelspeler door de week had staan werken in de bouw of op het land. Daarom is godsdienst voor mij niet nodig: die komt altijd na het religieuze. Als ik nu weer ga kijken, hoop ik op een of twee van dit soort sensaties.
WAT MOGEN WE trouwens van de artistieke kwaliteit van het passiespel verwachten? Ik herinner me dat Loek Zonneveld vijf jaar geleden in De Groene verslag deed van zijn bezoek aan de Passiespelen. Niet bepaald opwindend toneel, vond hij.
Geert: 'Dat stuk van Zonneveld komt ook nu nog keer op keer ter sprake. Het is de beste kritiek die we hadden kunnen krijgen, want daardoor is de druk - die al aanwezig was - om tot veranderingen te komen zo toegenomen dat er een doorbraak mogelijk was. We zijn aan de tekst gaan werken.’
Huub: 'Het spijt me, maar die vind ik ook nu nog tamelijk archaisch en theatraal.’
Geert: 'Mogelijk. Maar dat proberen we dan met het spel te ondervangen. Tegelijkertijd was het zo dat veel spelers de taal van hun tekst gewoon niet begrepen; dat is nu niet meer het geval. En de meest ingrijpende breuk met de traditie is onze keuze voor een beroepsregisseur, met de bedoeling op die manier meer te bereiken dan hier en daar een nieuw effect. Door de visie van Richard den Dulk, verbonden aan het Werktheater in Amsterdam, kunnen we het spel nu plotseling met andere ogen gaan zien. Alle scenes worden opnieuw besproken en geanalyseerd. De veranderingen in de regie zijn dus heel groot. Wat blijft, is het gegeven dat zo'n regisseur werkt met amateurspelers.’
Huub: 'Ik moet nog maar eens aan Pasolini denken. Die maakte Il vangelo secondo Matteo in de jaren zestig eveneens met gelegenheidsspelers. Fantastische film, ben je dat met me eens?’
Geert: 'Ja, dat is voor mij ook het mooiste dat ik op dit gebied ken. Die kwaliteit moet je ook niet van ons verwachten. Maar het hoeft dus geen belemmering te zijn. In ieder geval zoeken wij ook naar het authentieke en willen we geen stereotypen.’
Huub: 'Mag ik hopen dat het niet te goed wordt?’