Aan het scherm geplakt

Door de angst ‘het’ te missen zie je niet hoe je kind eenmalig dat bord pap verorbert.

Oliver Sacks herinnerde zich goed hoe zijn lievelingstante gemakkelijk had kunnen wennen aan alles wat er gedurende haar leven bij was gekomen, maar nooit aan de dingen die van het ene op het andere moment leken te zijn verdwenen. ‘Waar zijn alle paarden gebleven?’ vroeg ze zich soms hardop af.

In The Machine Stops, een essay dat Sacks kort voor zijn dood in 2015 schreef maar dat een paar weken terug opdook in The New Yorker, bekende de neuroloog zelf nog wel eens op een spoorviaduct te hebben staan talmen, stiekem hopend onder zich een stoomtrein te zien passeren. Ze reden al zeker veertig jaar niet meer.

Sacks ontleende zijn titel aan een toekomstverhaal van E.M. Forster. In Forsters The Machine Stops (1909) leven mensen ondergronds in geïsoleerde cellen en staan ze alleen met elkaar in contact via audiovisuele apparatuur. Anders dan zijn tante kon Sacks namelijk niet wennen aan wat zich voor zijn ogen bleek te openbaren als de toekomst. Hij gruwde van de aanblik van mensenmassa’s wier ogen aan schermpjes in hun hand geplakt blijven terwijl ze door de publieke ruimte manoeuvreren.

De speeltuin tegenover ons huis wordt een paar keer per dag overgenomen door leerlingen van een nabijgelegen basisschool. Het ene moment hangt er het soort diepe stilte dat je afhankelijk van je opvoeding als ‘gewijd’ of ‘post-apocalyptisch’ omschrijft, het volgende is er een hels kabaal losgebarsten dat de Thomas Rosenboom in ieder mens zou kunnen doen ontwaken.

Deze dinsdagmiddag is geen uitzondering. Maar net wanneer mijn innerlijke Rosenboom op stoom komt en tegen niemand in het bijzonder dingen mompelt als ‘vroeger werd ze nog fatsoen bijgebracht’ en ‘kunnen ze niet klassikaal feitjes stampen in plaats van stoeptegels kapot gooien?’ zie ik hoe het hele tafereel tegelijk vreemd tijdloos aandoet.

Ze zijn met z’n veertigen, schat ik. Ze duwen en trekken aan elkaar en alles wat verder los en vast zit. Ze werpen zich met ware doodsverachting op het hoogste punt van de schommel af en ze bekampen elkaar in half gefantaseerde, half echte gevechten. Ze spelen onnavolgbare variaties op tikkertje en staan in hoekjes van het plein te konkelfoezen over andere kinderen die ze met een schuin oog in de smiezen houden. Als om het beeld compleet te maken is de enige persoon die met een kleine glimlach om haar mond naar een scherm in haar handen staart de jonge blonde vrouw in het fluorescerend-oranje veiligheidshesje die, in theorie dan toch, alles en iedereen een beetje in de gaten zou moeten houden.

‘Kunnen ze niet klassikaal feitjes stampen in plaats van tegels kapot gooien?’

Als het droog is zit er buiten schooltijden ook altijd wel een vader of moeder naar een telefoon te kijken, terwijl ergens in de achtergrond een kind op het punt staat van een kliminstallatie naar beneden te storten.

Sacks schreef: ‘Ik ben het meest ontstemd door zulke onoplettendheid en zo’n gebrek aan aandacht wanneer ik jonge ouders naar hun telefoon zie kijken terwijl ze hun eigen baby’s voortduwen en negeren. Zulke kinderen, onmachtig de aandacht van hun ouders te trekken, moeten zich verwaarloosd voelen, en ze zullen daar in de toekomst zeker onder te lijden hebben.’

Het lijkt een sentimenteel en gemakzuchtig vijandbeeld dat de bejaarde neuroloog hier schetst. Is er iemand eenvoudiger te veroordelen dan een anonieme ouder die blind is voor de noden van zijn of haar kind? Maar onzin is het niet. Wie een tijdje naar een speeltuin kijkt beseft hoezeer de angsten die we op kinderen projecteren samenhangen met de problemen die we in onszelf en de volwassenen om ons heen herkennen.

De schok die Sacks ervoer toen hij voor het eerst werd geconfronteerd met het mensbeeld van David Hume (‘nothing but a bundle or collection of different perceptions, which succeed each other with an inconceivable rapidity, and are in a perpetual flux and movement’) stond voor altijd in zijn geheugen gegrift, schrijft hij. Het was niet zijn idee van wat een mens was, maar in zijn praktijk als arts zag hij soms mensen met een ernstige hersenbeschadiging die precies aan dit beeld leken te beantwoorden. Mensen die geen benul van verleden of toekomst leken te hebben, mensen die in een permanent vluchtig heden van altijd veranderende sensaties leken te verkeren. Nu scheen het hem toe dat hij tegenwoordig maar de straat op hoefde te gaan om eindeloos veel van zulke humeaanse mensen te zien ronddwalen.

Die man in die speeltuin, dat ben ik. Ik ben die jonge vader waarvan Sacks zo gruwde, de man die in het drukke stadsverkeer zelfs met een kind in een stoeltje voor op zijn fiets zichzelf ervan moet weerhouden zijn telefoon uit zijn zak te halen om handmatig e-mails binnen te halen, iets wat het apparaat uit zichzelf al iedere minuut doet. Ik ben diegene die terwijl er een bord pap wordt gegeten niet van zijn telefoon kan afblijven en die aan het ontbijt door nieuws en onzin scrolt en pas weer opkijkt als de pap door de hele kamer blijkt te zijn geslingerd.

De gevoelens van schuld en schaamte waarmee dit tekortschieten gepaard gaat uiten zich ironisch genoeg in precies dezelfde angst als die waar de genieën die onze apparaten ontwerpen en programmeren zo graag op inspelen: de angst ‘het’ te missen. De vrees terug te kijken en erachter te komen dat dat wat er gebeurde, ook al was het een tergend langzaam opgegeten bord pap, maar één keer gebeurde. En dat wanneer je het eenmaal hebt gemist, het voor altijd verdwenen is.