‘aan het volk van nederland!’

Pamfletten schrijven, daar zijn Nederlanders altijd goed in geweest. Nooit verlegen om een onderwerp om over te klagen, zeuren, emmeren en jeremieren. Een overzicht van de Nederlandse aanklachttraditie van Multatuli tot Bart Croughs.
Met dank aan de Stichting Fonds voor Geld- en Effectenhandel voor hun financiele bijdrage
HOEWEL ZICH IN Nederland nog nooit iemand heeft aangediend als Louis Ferdinand Celine, de beruchte Franse schrijver van antisemitische schotschriften, kent de literatuur te onzent een rijke traditie van pamfletten en pamfletachtige boekjes. Belangrijke schrijvers hebben zich laten verleiden tot het schrijven van polemische geschriften: Multatuli, Hermans, Mulisch, Reve. Het is een traditie die teruggaat naar het einde van de achttiende eeuw. Patriot Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol publiceerde in 1781 Aan het volk van Nederland. Zijn ideeen werden in brede kring goed ontvangen; het pamflet beleefde vier drukken in een jaar en werd vertaald in het Frans, Duits en Engels. Prins Willem/V, een marionet in de handen van Pruisen, was woedend om deze anoniem verschenen aanklacht tegen zijn persoon.

Sindsdien verschenen tientallen publikaties met dezelfde titel - van een anonieme, op rijm gezette aanklacht tegen de Franse overheersing in 1813 tot een pleidooi in 1992 van Pim Fortuyn voor een zakenkabinet met hem aan het hoofd. Ook Multatuli schreef een Aan het volk van Nederland (1862): ‘Ik stel mij verkiesbaar voor die Tweede Kamer. Mijn program?… Men kent mijne tuchteloosheid. Ik heb geen program. Ik minacht die zoogenaamde partijen in den Staat.’ Het is een acht pagina’s tellende aanklacht tegen de toenmalige Nederlandse Staten-Generaal en aartsvijand Thorbecke, die 'den Javaan periodiek laat hongeren’. Multatuli schreef daarnaast nog pamfletten met fraaie titels als Wijs mij de plek waar ik gezaaid heb (1861), over de watersnood op Java, en De zegen Gods door Waterloo: gemoedelijke opmerkingen van A./Z. (medegedeeld door Multatuli) (1865).
De pamflettenproduktie van de Tachtigers bleef ver achter bij de vele polemieken die zij bijvoorbeeld via De Nieuwe Gids voerden. Frederik van Eeden schreef diverse brochures en pleidooien over psychiatrie, socialisme en mystiek; Lodewijk van Deyssel schreef het pamflet Over literatuur (1886) tegen de naturalistische schrijver Frans Netscher. In De onschuld van de socialist Van der Goes (1903) verdedigde de anti-socialist Van Deyssel deze gevangengenomen socialist en Tachtiger tegen beschuldigingen van ophitsing.
Willem Kloos en Albert Verwey dreven de spot met recensenten in De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek (1886). Zij onthulden de 'roman in verzen’ Julia: een verhaal van Sicilie, door Guido te hebben geschreven: 'Wij hebben, onder schaterlachen, - erop los gerijmd en gerijmd en gerijmd: wij hebben de dolste intrige afgesponnen in de onzinnigste verzen; wij hebben een hoop banaliteiten, obsceniteiten, opge schroefdheid en volslagen onzin bijeenverzameld tot een bundel; wij hebben dien bundel uitgegeven onder pseudoniem… en de critiek heeft algemeen dien bundel ten zeerste geprezen.’ De aangevallenen, vooral critici van De Gids, die Julia niet hadden besproken, verweten Kloos en Verwey, schrijvend voor concurrent De Nieuwe Gids, partijdigheid en smakeloosheid. Gerrit Komrij, die de literaire kritiek van zijn tijdgenoten bestreed in Dood aan de grutters, zegt terugblikkend: 'De onbevoegdheid is nog steeds actueel. Die schijn van objectiviteit rondom de literaire kritiek kan niet genoeg worden bestreden.’
IN HET PAMFLET Schoonheidswetgeving (1915) viel de toonaangevende literaire criticus P./H. Ritter jr. de reclame aan. Reclame was 'in overeenstemming met haar strekking’ 'vulgair’ en 'wansmakelijk’. Het verhinderde Ritter niet om later, net als vele andere literatoren, reclameteksten te gaan schrijven; in 1931 publiceerde hij zelfs een brochure over zijn ervaringen als reclame- adviseur.
In de jaren twintig verschenen af en toe politieke pleidooien en brochures van socialistisch georienteerde schrijvers als Herman Gorter (Revolutiebouw, Klassemo-raal), Pieter Jelles Troelstra (Inzake partijleiding, Sociaal christendom) en Henriette Roland Holst (Arbeiders en alcohol). Een echt politiek pamflet was aNti-schUnd uit 1928. Onder meer H. Marsman, Menno ter Braak, Jan Engelman, Albert Kuyle, Erich Wichman en A. den Doolaard keerden zich daarin tegen het socialistische tijdschrift Nu. Het pamflet kreeg ten onrechte een fascistische reputatie, omdat de samenstellers schreven 'het socialistische en semitische schrikbewind met gepaste minachting (te) willen behandelen’. Echter, alleen beeldend kunstenaar en schrijver Erich Wichman liet zich in zijn bijdrage lovend uit over het fascisme.
Uiterst curieus is Wichmans Het witte gevaar (1933), tegen het drinken van melk ('een infantiele regressie’): 'Melk is dus goed voor kalveren, en misschien onschadelijk voor menschen in min-of-meer kalverlijke staat: baby’s, zieken (maar geen zenuwzieken!), herstellenden, sommige zwakken en als ge wilt zelfs vrouwen. (…) Zeker is voor een volwassen man melk schadelijker dan jenever.’
IN DE JAREN VIJFTIG verschenen enkele weinig geruchtmakende pamfletten over literatuur. NRC-redacteur H. van Galen Last schreef Couperus en zijn kindermeisjes (1952), gericht tegen literatuurwetenschapper Garmt Stuiveling. Dit was een verdediging van de oorspronkelijke spelling die Louis Couperus gebruikte voor de uitgave van diens verzamelde werken. Journalist Alexander Cohen, wiens brieven binnenkort worden uitgegeven, richtte in Taal en stijl van een eere-doctor in de Nederlandsche Belletrie (1954) zijn pijlen op Victor E. van Vriesland.
De kritische jaren zestig waren een gouden tijd voor pamfletten. Naast schotschriften van en tegen de zestigers, onder andere van W./F. Hermans en Harry Mulisch, verschenen bij de pamflettenreeksen 'De kritiese bibliotheek’ (bij Van Gennep), 'Kwadraatpockets’ en 'Kwadraatpamfletten’ (bij De Bezige Bij). Redacteuren van de kwadraatpockets waren H./J./A. Hofland, Jan Vrijman en J./B. Charles. Hofland, nu: 'We wilden een ander geluid laten horen en daarmee de gevestigde orde dwarszitten.’ Samen met onder meer Hans Gruyters stelde hij Slaags met de politie (1964) samen, een selectie uit de Nederlandse pers over vier jaar 'politiele actie’ in Amsterdam.
Hofland produceerde nog meer pamfletten: Politiek, over de vervroegde verkiezingen van 1958, en onder de naam K. van Hippel Nederland een eigen bom (1965). Laatstgenoemd kwadraatpamflet bevat een ironisch pleidooi voor Nederland als atoommacht. Hofland: 'De reacties waren voornamelijk lullig. Geintjes worden niet gesnapt in Nederland. De naam Van Hippel heb ik van een intellectueel genootschap uit Berlijn in de vorige eeuw, dat zich Die Freien von Hippel noemde.’
Voor kinderen van ezeldrijvers van J./B. Charles dateert eveneens uit 1965. Charles valt in dit pamflet de monarchie en vooral prins Claus aan: 'Wat wij van Von Amsberg zeker weten is, dat hij tot midden 1965 werkzaam was bij een van de bruinste instellingen van de Bondsrepubliek, namelijk het ministerie van Buitenlandse Zaken, een blok dat (…) zich in zijn activiteiten gericht houdt op het herstel van de grenzen van 1937.’ Charles uitte zijn bezwaren tegen het huwelijk van prinses Beatrix en Claus, tegen de monarchie, en tegen niet bij name genoemde damesbladen met artikelen over vorstenhuizen.
Dichter Rutger Kopland publiceerde in 1970 onder zijn echte naam R./H. van den Hoofdakker Het bolwerk van de beterweters. De psychiater richtte zich daarin tegen de medische ethiek: 'De medische stand is een van de machtigste bolwerken van het establishment, een van de machtigste verzorgers van de continuiteit van de conservatieve moraal.’ Van den Hoofdakker: 'Het bolwerk is nog steeds actueel. Mijn laatste boek, De mens als speelgoed, begint ermee. Neem bijvoorbeeld Prozac. De medicalisering van psychische kwalen getuigt van een enorm simplisme, hetgeen ik in Het bolwerk al aankaartte. Indertijd viel een groot deel van de medische stand over mij heen, omdat ik de verhoudingen onder de medici zou schaden. De meest extreme reactie was wel dat enkele chirurgen mij voor de medische tuchtcommissie wilden slepen. Daarop bood een anesthesist aan mij te vertellen met welke zusters zij het bed deelden, opdat ik hen kon chanteren. Ik ben daar niet op ingegaan.’
NA STOPZETTING VAN de kwadraatreeks in 1968 liet De Bezige Bij nog maar slechts sporadisch een pamflet van de persen rollen, zoals In 1970 Manifest voor de jaren zeventig van Peter Andriesse, Hans Plomp, Heere Heeresma en George Kool. Zij pleitten daarin voor een verbetering van de (financiele) positie van de schrijver, voor een leesbare literatuur en tegen het 'Hoornik-konsern’, de salon van Ed. Hoornik waar schrijvers als K. Schippers, J. Bernlef, Harry Mulisch en Cees Nooteboom bijeenkwamen. Met name de schrijvers rond de literaire tijdschriften Raster (onder wie Lidy van Marissing en Jacq Vogelaar) en Barbarber (K. Schippers, J. Bernlef) kregen ervan langs: 'Terwijl de heersende klasse zich in de zestiger jaren door middel van elektro nische wetmatigheden gebonden betekenissen nog meer aan de kontrole van de massa onttrok dan al het geval, deed de burgerlijke literatuur hetzelfde aan de hand van volmaakt onherkenbaar taalgebruik of anders aan de hand van alleen vanuit zeer vergevoerde abstrakties mogelijkerwijs nog te pruimen gedreutel over elastiekjes, dirigentenkledij en tafels. (…) En wij willen, godbetert, door domme en slimme en bange en geile mensen gelezen worden.’
Andriesse: 'Het was een grap, maar met een serieuze ondertoon. Een manifest, dat was iets uit de vorige eeuw. Plomp en ik hadden de ideeen, Kool schreef de tekst. Heeresma deed alleen mee voor de publiciteit. In die tijd ondertekende hij alles van jonge schrijvers. Ook ik ondertekende zonder de gehele tekst gezien te hebben.’ Heeresma: 'Wat Andriesse zegt, klopt niet. In die tijd ondertekende ik verder alleen nog het beginselprogramma van de Staatkundig Gereformeerde Partij. Ik had het manifest gezien en vond het verfrissend. Ik wilde die jongens een kans geven.’
De schrijvers van het jaren-zeventigmanifest hadden het klimaat mee; in die jaren verscheen veel toegankelijke literatuur. Artikelen uit De Nieuwe Linie en Het Laatste Nieuws van voor het manifest noemen ook Jeroen Brouwers als een van de zeventigers. Maar die ontkent zijn betrokkenheid: 'Toen de tekst van het manifest mij werd voorgelegd, heb ik mij er onmiddellijk van gedistantieerd. Zij stonden een literatuur voor die de lezer als een soort wegwerp- consumptiegoed kon beschouwen. Die opvatting is strijdig met de mijne.’
In 'De Nieuwe Revisor’, het pamflet-achtige Tirade-nummer van november 1979, bestreed Brouwers dit soort literatuur en bond hij de strijd aan met de Parool-critici Guus Luijters, Wim Sanders en Henk Spaan en de schrijvers Peter Andriesse en de nu vergeten Olof Baltus. 'Dit was het decennium van Guus Luijters en zijn makkertjes: het decennium van onvolwassenheid en infantiliteit, “nostalgie” naar het voorbije, “jeugdsentiment”, het schooljongensgeschrijf, de “leesbaarheid”, de programmaloze grappenmakerij, het risicoloze “gewoon doen”. (…) Dit was het decennium dat zeer toepasselijk werd afgesloten met Het Jaar van Het Kind.’ Over een roddelachtige recensie van Henk Spaan schreef Brouwers, die zijn pamflet een politieke daad noemde: 'Van zulk geschrijf loopt een dikke kaarsrechte bloedrode lijn naar - fascisme.’
Er verschenen daarop twee tegenpamfletten, Een nieuwe Tirade van Frank van Dijl en De valse revisor, een bundeling van artikelen van onder anderen Henk Spaan, Piet Grijs en Bob Polak. Brouwers werd vooral verweten dat hij onbelangrijke mensen bestreed - een klassieke retorische figuur, reeds uitvoerig gehanteerd door Hermans in Mandarijnen op zwavelzuur.
DE VALSE REVISOR was deel 5 uit een literaire pamflettenreeks van uitgever C./J. Aarts. Die reeks was in 1979 gestart met De stankbel van de Nieuwezijds van Gerrit Komrij en omvatte een bonte mengeling van oude en nieuwe pamfletten. Onder de 'oudjes’ was, bijna negentig jaar later dan bedoeld, Lodewijk van Deyssels Nieuw Holland, dat al wel eerder in zijn Verzamelde opstellen was opgenomen. Tachtiger Van Deyssel maakte daarin onder meer een schrijver uit voor: ’/'n pier, 'n pa-pa-papzak, 'n salamander om mee uit vissen te gaan, 'n knollige alikruik.’
De pamflettenoogst in de jaren zeventig bleef verder beperkt tot Dirk Ayelt Kooimans De theorie van de opinierende identificatie-reflex, of: Kousbroek wast niet meer wit (1974) en Gerrit Krols De gewone man en het geluk, of waarom het niet goed is lid van een vakbond te zijn (1975). Kooiman bespreekt aan de hand van de toenmalige discussie over ethologie het fenomeen identificatie-reflex: het verschijnsel dat ideeen en standpunten geidentificeerd worden met de persoon of groep die ze uitdraagt. Hij vaart flink uit tegen Renate Rubinstein en Rudy Kousbroek: 'Kousbroek (…) is al jaar en dag het lustobject bij uitstek voor de opinierende identificatie-reflexen van de moderne welvaartsintellectueel die in hem de eruditie proeft die hij zelf vanwege zijn povere opleiding (“specialisatie”) moet ontberen. Geen verbouwde boerderij, riante woonboot of als tweede woning ingerichte klokketoren waar men niet een of twee van zijn bundeltjes aan kan treffen.’
In de jaren tachtig en negentig lijken pamfletten weer in zwang te raken. In 1981 verschijnt Alles moet anders, een nota van Kooiman over kunstbeleid; in 1983, in de reeks 'Amsterdamse Schotschriften’ De brandende kwestie van Emma Brunt: over de teloorgang van het hedendaags feminisme, waarin Brunt tegen de uitwassen van het feminisme tekeer gaat: 'Het gaat niet meer om feiten, het gaat om een religieuze waarheid. Als verkrachting, prostitutie en porno niet bestonden zou de vrouwenbeweging ze hebben uitgevonden.’
Criminologen C./I. Dessaur - de schrijfster Andreas Burnier - en Chris Rutenfrans publiceren in 1986 Mag de dokter doden? Zij waarschuwen voor het enthousiasme waarmee volgens hen in Nederland euthanasie op grote schaal, en vaak onvrijwillig, wordt toegepast. Ze bedachten hiervoor de nog steeds gebruikte term 'euthanasiasme’ en stelden: 'Straks komt er selectie halverwege op al diegenen die anderen niet gezond genoeg toeschijnen. Zo wint Hitlers geest toch nog de oorlog.’ Dessaur, anno 1996: 'Ik heb hen niet vergeleken met nazi’s, alleen geconstateerd dat hun ideologie mat die van de nazi’s overeenkomt.’ Het pamflet trok internationaal aandacht, maar er is weinig bereikt, vindt Dessaur: 'De wetgeving schuift steeds meer op. Wel zijn progressieven nu vaak kritischer en niet zomaar pro-euthanasie.’
REACTIES VAN schrijvers op critici gelden als niet chic. Vooral critici die zelf proza en poezie schrijven, zijn deze mening toegedaan. In de vorige eeuw doorbraken Kloos en Verwey deze code; de laatste jaren gebeurt het steeds meer, en opvallend vaak in de vorm van een pamflet. Anja Meulenbelt keerde zich in 1985 met In het huis van onze moeder zijn vele kamers tegen de feministische critica Carla Brunott. Deze had Meulenbelt verweten dat in haar roman Alba een lesbische liefde slecht afliep. Meulenbelt legt uit dat dit morele oordeel onzinnig is.
In het schotschriftje Het draaikontje van VN’s boekenbijlage (1988) vaart Hans van Straten uit tegen Diny Schouten van Vrij Nederland: 'Zij was niet lelijk, maar als Helena van Sparta er zo had uitgezien, was de Trojaanse oorlog nooit uitgebroken.’ Verder pareert hij haar kritiek op zijn De omgevallen boekenkast. Vrij Nederland maakte Van Stratens vorig jaar verschenen Multatuli- biografie met de grond gelijk. Maatstaf plaatste vervolgens Van Stratens commentaar op de recensies van zijn boek.
Adriaan Venema reageerde in zijn boek Aristo revisited op de critici van zijn werken over collaborerende kunstenaars. Een van de aangevallenen, Frank van den Bogaard, verdedigde zich in 1990 met Pissebedden, misbaksels en dolle honden, waarin hij Venema slecht lezen verweet.
Om de aandacht van een groot publiek te trekken is een pamflet niet noodzakelijk. De Maximalen bijvoorbeeld kregen vooral bekendheid door Joost Zwagermans roman Gimmick!, door hun manifestaties in de Amsterdamse discotheek Roxy, en door de criticaster van hun poezie Michael Zeeman in Delft onder vis te bedelven. Alleen Maximalen-godfather Dalstar (pseudoniem van Koos Dalstra) publiceerde enkele pamfletten. Maximale kunst (1984) is een reactie op Sentences on Conceptual Art van kunstenaar Soll Lewitt. Het manifest bevat tweehonderd, vaak cryptische en ironisch bedoelde stellingen over kunst en filosofie, zoals 'kritiek = de smaak van macht’, 'te veel filosofie = niet genoeg filosofie’, 'het post- modernisme = de asbak van ironie & satire’.
Uitgever G./A. van Oorschot wilde in 1989 een pamflettenserie starten. Het bleef bij Een over oranje van Hans van den Bergh. De publicist en Parool-toneelcriticus betoogde daarin dat het koningshuis te veel macht heeft en deze misbruikt, vooral tijdens de kabinetsformaties en bijvoorbeeld door, zoals prinses Christina, in beschermd natuurgebied te wonen. Bovendien moet iedereen de mogelijkheid hebben staatshoofd te worden. Van den Bergh: 'ik wilde peilen of Nederland al rijp is voor de mijns inziens onvermijdelijke republiek. Ik kreeg positieve reacties van uiteenlopende mensen als Jasperina de Jong en Willem Oltmans.’
In 1990 verschenen twee politieke pamfletten van literatoren. J./J. Overstegen en Willem van Toorn werkten mee aan Attila op de bulldozer: Rijkswaterstaat en het rivierengebied. Met name Van Toorn haalde fel uit: 'Als je Lubbers milieu hoort zeggen, moet je de bomen in je buurt gaan tellen.’ Het pamflet pleitte tegen dijkverzwaringen die ten koste van het landschap zouden gaan. Van Toorn vertelde onlangs in De Groene dat mede door hun gedram de commissie-Boertien werd ingesteld, die voor landschapsaantasting waarschuwde.
In de wittebroodsweken van het nieuwe Duitsland, in september 1990, publiceerde A. Alberts Op weg naar het zoveelste Reich. Een uitspraak van Alberts uit die tijd ('De Duitsers gaan de lakens in Europa uitdelen met hun grote bek en eigenlijk kunnen ze daar niet eens iets aan doen’) en de op de voorkant afgedrukte Germaans-Gotische letters deden anti-Duitse gevoelens vermoeden. De inhoud is inderdaad heftig: 'Maar was ze zo normaal, die eenheid? Er zijn nog altijd Duitsers, die er niet zo erg in geloven. En ze hebben gelijk. De Duitse eenheid heeft pas in de loop van de negentiende eeuw gestalte gekregen: de gestalte van een droom, die in onze eigen eeuw door de smeerlap uit Braunau een nachtmerrie is geworden.’
Op weg naar het zoveelste Reich valt nogal uit de toon in Alberts oeuvre van voornamelijk introverte novelles. Mogelijk daarom werd het vorig jaar verzwegen bij de uitreiking van de P./C. Hooftprijs en bij zijn overlijden.
ENKELE journalisten/schrijvers startten in 1992 een nog onvoltooide kruistocht tegen de cultuur van de managers en de commercie. Voor Alles is te koop leverden Adriaan van Dis, Henk Hofland, John Jansen van Galen, Geert Mak, Hubert Smeets en Rene Zwaap ieder een bijdrage. Van Dis noemde architecten bunkerbouwers die niet voor kwaliteit kiezen en elke stad hetzelfde aanzien geven met slechte woningen. 'Onderling prijzen ze elkaar. Hun geweten sussen ze met geld. Want alles is te koop en het meeste nog de lelijkheid.’ Zwaap schreef over de commercialisering van de kunst: 'Het Amsterdams Concertgebouw is een soort recreatiezaal voor de raden van bestuur van dit land geworden, die als de nieuwe keizers van Rome in de glazen uitbouw van het pand met hun zakenrelaties eendeborst kunnen eten terwijl ze hun personeel in de zaal tracteren op een avondje Jaap van Zweden.’ In het vervolg op het pamflet, Het nieuwe Nederland (1993) ontvouwen onder meer Mak, Jansen van Galen, Anil Ramdas en Marjon van Royen hun toekomstvisie op Nederland. Gerrit Mollema en striptekenaar Gerrit de Jager (van De familie Doorzon in Nieuwe Revu) noemen in hun opvallende bijdrage de biobak 'het grootste milieuschandaal uit de Nederlandse geschiedenis. (…) Over twee jaar staat heel Nederland tot aan zijn enkels in de compost.’ Hun alternatief? De ijzeren vuilnisbak, net als vroeger.
De ode van Nicolaas Matsier (pseudoniem van Tjit Reinsma) Was Sinterklaas maar een gracht (1995) sluit wonderwel aan bij Alles is te koop: 'Kerst is het feest van de mensen met geld te veel en tijd te weinig. Het feest van de niet-dichtende managers, het inspanningsloze feest.’
LEON DE WINTER en historicus Chris van der Heijden publiceerden in 1994 Handleiding ter bestrijding van extreem- rechts. In dit hoofdzakelijk op middelbare scholen verspreide geschrift poogden zij via een vraag-en-antwoordspel met een fictieve vertegenwoordiger van extreem-rechts diens standpunten te weerleggen. 'Nederland is niet vol’, aldus de schrijvers, 'nog geen acht procent van de totale oppervlakte bestaat uit gebouwen. De rest is landbouwgrond, natuur en water.’ Theo van Gogh verweet De Winter vervolgens morele zelfgenoegzaamheid, maar anti-fascisten sloten de schrijvers in hun armen.
Na de weinig invloedrijke pamfletten tegen het koningshuis van Charles en Van den Bergh volgden vorig jaar Willem Oltmans’ welgemeende adviezen aan de vorstin. In Bon Voyage, Majesteit! raadde hij koningin Beatrix haar voorgenomen reis naar Indonesie ('Suharto’s fascistische politiestaat’) af. Oltmans: 'Beatrix was woedend en had geen zin meer om naar Indonesie te gaan.’ De journalist kreeg vervolgens geen visum voor Indonesie. In juni 1995 kreeg Wim Kok tijdens zijn wekelijkse persconferentie Bon Voyage aangereikt, maar dat 'werd onmiddellijk “spinnijdig” van tafel geveegd, schreef Oltmans in Welkom Thuis, Majesteit!.
In dat laatste geschrift maakt hij de Nederlandse regering veel verwijten: 'Evenals bij Wim Kok is de kennis van de heer Van Mierlo inzake Indonesie nihil.’ Oltmans, verwikkeld in een langdurige rechtszaak tegen de Nederlandse staat: 'Den Haag werkt mij al veertig jaar tegen in de uitoefening van mijn vak. Geen blad wil mijn artikelen nog plaatsen. Daarom schrijf ik nu pamfletten. En ik heb gelijk gekregen: de koningin werd vernederd in Indonesie. Had ze maar naar mij moeten luisteren…’
Ongeveer tegelijkertijd met Oltmans laatste pamflet verscheen in september nummer ¾ van het inmiddels bijna opgeheven blad Zoetermeer. Het redactioneel stelde nogal polemisch: 'Voor ons is de polemiek een roestig, bijna ouderwets genre, een met nostalgie omgeven overblijfsel van de literaire cultuur die achter ons ligt.’ Vooralsnog denken sommigen daar anders over. Erik Bindervoet en Robert-Jan Henkes polemiseren al jaren met hun blaadje Platforum. Gerrit-Jan Zwier probeert momenteel een pamflet over de literaire kritiek te slijten aan een uitgeverij.
Ook Bart Croughs, polemist tegen progressief-intellectueel Nederland, blijft in het genre geloven. Croughs: 'Veel van die zogenaamde pamfletten in de Nederlandse letteren zijn tamelijk veilig. Ze zijn eigenlijk geen pamflet, omdat ze bevestigen wat velen vinden. Om mijn opinies verder te verspreiden heb ik inmiddels een website op Internet (http:// www1.tip.nl/ users/ bart.croughs). Daar kun je al een kwart van mijn boek op vinden. Ook de website The Libertarian Alliance is een podium voor politiek- incorrecte meningen.’
Gaan we inderdaad een toekomst tegemoet waarin pamfletten voornamelijk op Internet te lezen zullen zijn?