Opheffer

Aan oorlog doen geen mensen mee

Mijn moeder is destijds gemarteld. Door de Jap, zoals zij vertelde. We kwamen erachter toen zij, in de vijftig, naar het ziekenhuis moest. Ik zag opeens allemaal strepen over haar benen. «Wat is dat, mam?» «Daar heeft de Jap me geschopt.» «Waarom?» «Omdat ik mijn naam niet wilde zeggen.» «Waarom wilde je je naam niet zeggen?» «Omdat ik mijn naam niet meer wist. Waarschijnlijk vitaminetekort of zo.» Mijn moeder had nog meer littekens. Ze is een keer drie dagen opgesloten geweest en steeds geslagen — ze had in het kamp eten uit de keuken gestolen.

Ze wilde het geen martelen noemen, dat vond ze overdreven. Ze zei dat zij trouwens ook had kunnen martelen. «Wat dacht je. Ik zag dat ze jongetjes van hun moeder hadden weggenomen. Die moesten dan naar het mannenkamp. Als ik later zo’n Jap in handen had gekregen, had ik hem zo veel mogelijk pijn gedaan als maar kon.»

Aan een oorlog doen nooit mensen mee, maar belangen, ideeën, politieke stelsels, naties, noem maar op. Het is De Jap en De Duitsers, zoals het ook De Amerikaan is of De Nederlander. Het is nooit mijnheer De Bruin die mijnheer Jansen martelt. Mensen martelen elkaar niet, hoewel het alleen mensen zijn die elkaar martelen.

Er is een aantal dilemma’s.

Mag ik één iemand martelen om daarmee het leven van miljoenen te redden? Ik heb altijd moeite met de mensen die zeggen: nee, dat mag niet. Die mensen vertrouw ik niet.

Mag ik een kind neerschieten om daarmee het leven van miljoenen te redden? Ik heb grote moeite met de mensen die dat zouden kunnen.

Toen ik vroeger pacifist was, had ik op al deze vragen mooie antwoorden, maar met de consequentie van mijn pacifisme waren mijn ouders niet levend uit de oorlog gekomen.

Ik heb eens gesproken met een verzetsheld die na de oorlog foute Nederlanders had omgebracht. Er was destijds — jaren zeventig — opeens een discussie op de krant waar ik werkte of dergelijke verzetshelden wel verzetshelden waren. Immers, ze hadden foute Nederlanders vermoord na de oorlog, toen de democratie al was hersteld. Men vond dat men deze verraders alsnog had moeten aangeven en een eerlijk proces had moeten geven.

Een groep journalisten, waaronder ik, vond de verzetsheld nog steeds een verzetsheld (ik had ook De Mandarijnen gelezen van Simone de Beauvoir, waarin dit dilemma ter sprake kwam), maar toch werd mijn interview niet gepubliceerd om redenen waar ik nooit echt achter ben gekomen. Daarom kan ik het niet meer nazoeken. Wel herinner ik mij dat de verzetsheld, 25 jaar na de oorlog, in een peilloze depressie was terechtgekomen. Hij had iemand vermoord, die weliswaar joden en verzetsvrienden had verraden, maar zelf net vader was geworden. Dat hij de verrader moest vermoorden, stond voor hem vast, maar hij begreep niet dat niet iedereen hem als een verzetsheld zag, maar dat er velen waren, en het werden er steeds meer, die hem zagen als een moordenaar. Hij had van de discussies op de krant gehoord.

Ik vertelde dit verhaal aan mijn ouders en mijn vader knikte. «Iedereen kan iedereen vermoorden», zei hij. Hij keek uit het raam — we woonden toen al op de Willemsparkweg — en zagen een man met een hondje. «Daar», zei mijn vader, «daar aan de overkant loopt Westerling. Kapitein Westerling. Die heeft heel wat gemarteld en overhoop geschoten.» Ik keek naar buiten en zag de man wiens hondje ik wel eens uitliet en wiens boek Mijn memoires bij ons in de boekenkast stond, maar door niemand was gelezen.

«Is hij goed of fout?» vroeg ik.

«Fout», zei mijn vader, «maar wel een heel aardige man.»