Brieven aan de rest van Spanje © VPRO

Stef Biemans, voorheen filmer in en over Latijns-Amerika, maar met vrouw en kinderen gevlucht uit Nicaragua, maakte met Brieven aan Andalusië een prachtige, met de Nipkowschijf bekroonde reeks over hun nieuwe habitat. Nu gaat hij verder met brieven schrijven, maar vooral ook ontvangen, in het zesdelige Brieven aan de rest van Spanje. In de reeks Andalusië liepen het ontdekken van zuidelijk Spanje en het eigen lot als ontheemden (voor echtgenote Audrey en de kinderen nog veel zwaarder dan voor hemzelf) dooreen. Dat laatste speelt in deze reeks niet meer, althans niet expliciet. Hier is hij de journalist die het enorme land, met zijn vele pijnpunten in verleden en heden, verkent. En dat is, net als zijn vroegere werk over Midden-Amerika tot Vuurland, zeer de moeite waard. Door nieuwsgierigheid, betrokkenheid, eerlijkheid en een uitgesproken persoonlijke toon. Waar de lichte ironie, vaak kenmerk van zorgeloosheid, langzaam uit lijkt te verdwijnen door de ernst van de materie en wellicht die in eigen leven.

Brieven dus, een formule die hier meestal goed, soms wat kunstmatiger werkt. En die verklaart waarom, in de twee afleveringen die ik kon zien (Baskenland en Canarische eilanden) geopend wordt met de postbode – ouderwets woord dat geen recht doet aan de snelle outfit van deze gemotoriseerde koeriers. Met postman Pedro zitten we meteen in het hart van pijnlijke materie. Stef vraagt naar ‘het Baskisch conflict’. ‘Hoezo? Bij de post? Ik weet nergens van.’ En later: ‘Ongepast daarover te praten: politiek en werk moeten gescheiden’. Je voelt en ziet hoe ongemakkelijk, sociaal misschien niet ongevaarlijk dit voor hem is en dat hij spijt heeft ingestemd te hebben met een gesprekje met die toch zo aimabel lijkende Hollander. Het liefst liep/reed hij meteen weg, maar ja, er wordt gefilmd.

Dan krijgen we een exposé van Stef: het is tien jaar geleden dat de ETA de wapens neerlegde. Maar de naam van die organisatie wordt opvallend zelden uitgesproken. Zijn de wonden niet geheeld? Of is de strijd niet helemaal gestreden? Iedereen die een brief van Stef kreeg over ‘het conflict’ vroeg: ‘Aan welke kant sta je?’ Wat me inderdaad geen teken lijkt van Bewältigung der Vergangenheit. En alle reacties komen van slachtoffers, ‘omdat iedereen in dit verhaal zich dat voelt’. Extreem gezegd: zowel wie verminkt werd door een bombrief als wie een gevangen zittend familielid heeft vanwege betrokkenheid bij het versturen daarvan (of bij andere gewelddadige activiteiten). Gevangenen zelf geven al helemaal geen krimp inzake het verleden.

De eerste respondent die we uitgebreid ontmoeten is veiligheidsexpert Cesar. Hij gaf onder meer een cursus aan postbestellers over het herkennen van bombrieven. Die geeft hij nu ook, in detail, aan Stef. Dat laatste kun je ter zake of overbodig vinden, maar de man is niet alleen techneut, hij is ook de auteur van een indrukwekkende brief, waarin hij de zaak meteen ‘op scherp’ stelt. ‘Hoe druk je de omvang uit van een tragedie die meer dan veertig jaar duurde, 800 doden tot gevolg had, 7000 gewonden, 10.000 afpersingen en tien- tot honderdduizenden mensen die hun regio verlieten?’ Ook postbodes stierven, meestal niet als doelwit. Maar in 1985 werd een jonge postbode per bombrief vermoord omdat hij nauwe banden met de politie zou hebben. Cesar weet wel waarom: ‘Hij bezorgde de post bij het politiebureau, groette agenten, maakte misschien een grapje: voldoende om te sterven. En om sommige dorpelingen te laten zeggen: “Hij zal wel wat gedaan hebben”. Dus werd hij buiten het dorp begraven.’ Zijn conclusie: ‘De boodschapper doden, dat is de perverse metafoor waarin we zijn ondergedompeld.’ Dan snijden we in de montage terug naar het gesprek met Pedro. Of hij nooit bang was voor briefpakketjes. Maar hij wil er gewoon niet aan, aan Stefs vragen. Het wordt steeds ongemakkelijker. Wat trouwens ook aan Stef te zien is, die zelf lijkt te zitten met wat hij de man aandoet. Al was dat natuurlijk wel gepland. ‘Excuses, Pedro. Ik wilde je je niet ongemakkelijk laten voelen’. Als het gemeend is, is het wel naïef. Al heeft hij natuurlijk met zijn allereerste personage wel aangetoond hoe complex en beladen ‘het probleem’ nog altijd is.

We gaan op bezoek bij Baskisch journalist Gorka Landáburu, die door stom toeval een bombrief overleefde maar fysiek geschonden is. Geen psychische schade, in die zin dat hij even strijdbaar anti-ETA is als twintig jaar geleden: ‘Jullie hebben me gewond en beschadigd maar niet mijn tong afgesneden.’ (Hij is altijd blijven schrijven.) Elk jaar viert hij dat hij nog leeft, de laatste tien jaar dubbel omdat ETA ontwapend is. De twee daders kregen vijftig jaar en, zegt Stef, hun foto’s hangen nog altijd, samen met die van andere ETA-gevangenen, in de kleine cafeetjes die trouw blijven aan het Baskisch ideaal, dat ooit ook elders sympathie vond in tijden van internationale bevrijdingsbewegingen – Che, IRA. En je verzetten tegen fascistisch Franco-Spanje stond in onze linkse kring bepaald niet in kwade reuk. Maar na diens dood, toen Spanje democratie werd en het geweld eerder toe- dan afnam, nam ook die ‘internationale solidariteit’ af. (Zoals trouwens ook de sympathie voor Ortega’s sandinisme, waarvoor Stef en Audrey vluchtten, totaal verdampt is.) Cesar schrijft: ‘Dit was geen bevrijdingsoorlog van een onderdrukt volk; dit was onderwerping van een complete samenleving door een maffia van gewetenloze moordenaars.’

Natuurlijk horen we tegengeluiden. Van een theoretisch onderlegde kroegbaas die ETA-geweld niet in verhouding vindt staan tot eeuwen (‘sinds 1521’) structurele staatsonderdrukking. En als je zo een oorlog verliest gaat het geweld gewoon door, maar dan alleen dat van de onderdrukker. ‘Dat doet zo een pijn aan de ziel dat je wel iets moet doen.’ We leren een vrouw kennen die met een ETA-gevangene ging corresponderen, wat uitmondde in een huwelijk en kinderen, tijdens bezoek verwekt. ‘Heeft hij ooit spijt betuigd?’ ‘Ik zal hem er niet om vragen.’ De klacht is dat alle gevangenen ver van Noordwest Spanje opgesloten zitten, wat contact voor familie extra moeilijk maakt: de kinderen zien vader zelden. Stef zegt gefascineerd te zijn door de Baskische pony. Ik verbaas me over een hippisch uitstapje. Blijkt die pony (strak en breed, met veel zichtbare huid) het kapsel te zijn van vrouwen die de Baskische zaak onverminderd steunen. Schoolmeisjes doen er desgevraagd niet aan mee: geen mode, misschien wel in dubbele zin.

Twee oudere dames (ze lijken geen pony te hebben) plakken affiches voor de maandelijkse bijeenkomst om aandacht voor de gevangenen te vragen (vrijlating of overplaatsing naar ‘huis’). Het levert goedbezochte demonstraties op. Stef vraagt naar hun betrokkenheid. De partner van een van hen heeft 21 jaar gezeten. Waarvoor? ETA. Had hij een aanslag gepleegd? Ze lachen. ‘Dat zou je niet moeten vragen, haha. Dat zou je hem moeten vragen, haha. Of de Spaanse rechtbank, haha.’ Het is tamelijk absurd. Extreem ongemakkelijk wordt het als Stef op een terras een man spreekt wiens moeder is vermoord met een ETA-molotovcocktail, gegooid in het pand van de Socialistische Partij. Jarenlang heeft hij psychiatrische hulp gehad om te leven met ondragelijk verlies en met de krankzinnige situatie dat een deel van de dorpsbevolking hem altijd meewarig bekijkt en een ander hem aankijkt alsof het zijn schuld is dat de daders gevangen zitten. En beide groepen zijn waarschijnlijk op dat moment aanwezig op het caféterras. We lezen er hier niet meer over in de krant, misschien zelfs nauwelijks in Spaanse kranten, maar onverwerkt verleden is daar springlevend.

De tweede aflevering speelt op een Canarisch eiland waar Afrikaanse bootvluchtelingen via de gevaarlijkste route in een Europese uithoek zijn beland, en dat in tijden van corona. Een dubbele aanslag op het toerisme waar een groot deel van de economie van afhankelijk is. Met klassiek gevolg: een deel van de eilanders heeft begrip voor en mededogen met die jongens die hun leven waagden voor een beter leven (wat varieert van vlucht voor burgeroorlog en vervolging tot vlucht voor economische uitzichtloosheid); een ander deel ziet hen als directe bedreiging voor werk, inkomen en rust – die van gemoed en die in letterlijke zin, waar latent tot openlijk racisme soms een rol bij spelen. Tot de begripvollen hoort postbode Nieves die de aflevering op haar motor opent en die het lot van de Afrikanen ‘zielig’ vindt. Maar ook de werksters van het viersterrenhotel dat als enige via een financiële deal met het Rode Kruis zijn kamers niet leeg laat staan, maar laat bewonen door jongens uit pakweg Mali. Deze middelbare vrouwen zullen aanvankelijk niet hebben staan juichen over die ‘vreemde gasten’, maar ze zijn inmiddels dol op hen. Van ‘gewone’ toeristen krijgen ze hooguit klachten, van de boys erkentelijkheid en hulp bij het werk. Waarbij natuurlijk komt dat hun loon niet in gevaar komt. Tot de hoofdpersonen behoren hoteleigenaars Calvin en Unn Tove, een Brits-Noors echtpaar (dat dan weer wel). Wie argwaan heeft over hun motieven (onorthodoxe continuering van het bedrijf) moet vooral kijken. Nog afgezien van het feit dat ze er zelf geen cent aan overhouden, de intense betrokkenheid bij het lot van hun atypische gasten is indrukwekkend. En betaalt zich uit in een zee van sympathie, liefde en, ja, dankbaarheid. ‘Mama Africa’ is Unn Tove voor hen gaan heten. Als de burgemeester (die herhaaldelijk geen tijd heeft voor een brief aan Stef, maar hem uiteindelijk wel te woord staat) haar zin doordrijft en hotel en appartementen vluchtelingvrij maakt om toeristen te kunnen ontvangen (wat een groot deel van haar bevolking ook eist want er moet brood op de plank), dan is het afscheid van de zwarte jongemannen (van wie we maar een enkeling beter leren kennen) van hun gastvrouw en –heer zowel ontroerend als uitgelaten. Ze blijven maar ‘Mama Africa’ zingen. Gastvrouw en –heer die op de valreep nog 300 koffers voor hen hebben gekocht, want ze kwamen uitgeput, doodsbang en met niets meer dan stinkende kleren aan het lijf aan wal. Nu kunnen ze tenminste met enige waardigheid verder reizen, waarheen ook (sommigen naar Spanje, een enkeling naar elders in Europa, velen, geweigerd, terug naar het ontvluchte thuis).

Stef staat voor honderd procent aan de kant van de migranten en het echtpaar. Voor de burgemeester en de taxichauffeur zonder klanten (en de velen waar die man voor staat) lijkt hij weinig begrip te hebben. Maar sterk is hoe hij arme eilandvrouwen, die zich beklagen over de verrassende invasie van gelukzoekers, zo lang de ruimte en het woord geeft dat je de verdenking van plat racisme steeds meer moet gaan nuanceren. Ook het uitgebreide verhaal van een van hen is uiteindelijk ontroerend. In haar ligt nog het meest de nuance.

De derde aflevering zal gaan over Galicië. Daarna volgen drie thema-uitzendingen over respectievelijk de dood (mede vanwege de pandemie); over het koloniale verleden; over het sluiten van de onmisbare kroegen die campagnemiddel in verkiezingstijd werden onder de leus ‘vrijheid of communisme’.

Stef Biemans, Brieven aan de rest van Spanje, VPRO, zes delen vanaf zondag 29 augustus, NPO 2, 20.20 uur