‘Aan wereldburgerschap ben ik nog niet toe’

interview Robert Kaplan
Al twintig jaar reist de journalist Robert Kaplan langs alle potentiële brandhaarden van de wereld. In zijn werk paart hij reportage aan analyse, hetgeen hem in brede kring gezag heeft opgeleverd. Kaplan voelt zich geen kosmopoliet maar Amerikaan. Desondanks heeft hij zijn bekomst van eenzijdige interventies in de rest van de wereld.

Robert D. Kaplan schrikt. Was dat zijn eenheid? Waren het dezelfde special forces waar hij weken mee doorbracht in Afghanistan die een ongewapende burger executeerden en een Afghaanse militair doodmartelden? Hij kijkt ongelovig naar het stapeltje papier dat ik hem in zijn handen druk. Het zijn prints van artikelen op de website van de Los Angeles Times van 24 en 25 september waarin meervoudig Pulitzer Prize-winnaar Craig Pyes uit de doeken doet hoe oda 2021, een special forces-eenheid gelegerd in het Afghaanse Gardez, een privé-oorlog uitvocht tegen een lokale krijgsheer (zie De Groene Amsterdammer van vorige week). Met de grofste middelen die ze tot hun beschikking hadden. Kaplan (54) is kleiner en smaller dan gedacht. Deze man, zoon van een vrachtwagenchauffeur uit New York, heeft de afgelopen twintig jaar veel van zijn lichaam gevergd. Na een mislukte poging te aarden in de nieuwskamers van verschillende Amerikaanse kranten kocht hij een enkele reis naar Tunesië en begon hij rond te zwerven op zoek naar voedsel voor artikelen en boeken. Hij woonde in Israël, Portugal en Griekenland en dook op in zo’n beetje elke falende staat die de wereld rijk is. Hij doorkruiste de Balkan toen nog geen hond zich voor het gebied interesseerde. In Balkan Ghosts voorspelde hij grote ellende in het hart van Europa. Geen uitgever wilde het hebben, totdat de Joegoslavische oorlogen uitbraken. In 1993 werd Bill Clinton gezien met het boek onder zijn arm. Hij zou er zijn weigering op gebaseerd hebben om in te grijpen op de Balkan, een mening waar Kaplan zich van gedistantieerd heeft.

Hij schrijft niet voor de Amerikaanse regering, zegt hij, en een tegenstander van militair ingrijpen waar nodig en mogelijk is hij al helemáál niet. In de jaren tachtig reisde hij in Afghanistan rond met moedjahedien en was hij getuige van hun operaties tegen sovjettroepen. Hij beschreef zijn ervaringen in Soldiers of God, een van de weinige boeken die duidelijk maken hoe zwaar reizen en overleven in Afghanistan is. Verschillende reisboeken, een historische studie naar leiderschap en stapels artikelen volgden. Steeds paart Kaplan reportage aan analyse. Hij heeft een diep respect voor de geschiedenis en toont maar weinig vertrouwen in de maakbaarheid der dingen. Inmiddels heeft hij veertien boeken op zijn naam staan. Robert Kaplan is redacteur van The Atlantic Monthly en publiceert regelmatig in The Washington Post, The New Republic en de LA Times.

Invasie

Ik sprak hem enkele dagen na de publicaties over oorlogsmisdaden in Gardez. Kaplan was één dag in Nederland, op uitnodiging van de Nederlandse marine. Inmiddels is hij diep in de krijgsmacht gedoken. Voor zijn laatste boek, Imperial Grunts, dat vorig jaar verscheen, reisde hij twee jaar de wereld rond. Een reis langs de barakken en legerkampen van de Amerikaanse militairen die de basis vormen van wat volgens hem een ‘Amerikaans imperium’ is.

Hij is gaan houden van special forces en hun operationele methoden. Zij doen wat hij zelf het liefst doet: ze begeven zich zo dicht mogelijk bij de lokale bevolking. Eten hun voedsel, dragen hun kleding, verruilen hun semi-automatische geweren van de oer-Amerikaanse firma Colt voor kalasjnikovs. Commando’s gaan een beetje houden van de mensen in wier geur ze verkeren, net als Robert Kaplan. Maar om liefde is het ze niet te doen. Het gaat om informatie, om intelligence. Er moet een oorlog gewonnen worden, en vaak gaat dat een stuk beter zonder meteen iedereen hersenloos neer te maaien. Inlichtingen zijn het dodelijkste wapen van de commando. Ze stellen hem in staat de vijand te doorzien, en hem vervolgens te vernietigen. Toen het goedschiks niet opschoot met die inlichtingen greep Operational Detachment Alpha 2021 in Gardez naar misdadige middelen. Eén van hun slachtoffers was een achttienjarige jongen die de ‘versterkte ondervragingstechnieken’, zoals cia en special forces de aan foltering grenzende praktijken noemen die ze met presidentiële goedkeuring uitvoeren, niet overleefde.

Was het de eenheid waarbij u te gast was die gevangenen martelde en burgers doodde?

Robert Kaplan: ‘Nee, dat kan niet. Ik was er in de herfst van 2003. Die eenheid was er toen niet meer. Mijn eenheid was obd 2070.’

Hoe groot is het gevaar dat special forces misdaden plegen? Ze vormen hechte groepen en zijn bereid elkaar te dekken en geheimen te bewaren.

‘Dat gevaar is er. Ik voel me met hen verbonden. Ik leefde met die eenheden. Mijn verblijf bij oda’s leverde niets op wat ook maar in de buurt kwam van het overschrijden van de lijn. Het was bijna het tegendeel. De regels waren zo streng dat ze gevangenen nauwelijks konden ondervragen. Ik zeg niet dat het niet gebeurt, maar nergens waar ik was heb ik er iets van kunnen ruiken.’

U schrijft in ‘Imperial Grunts’ dat special forces-eenheden het soort militairen zijn die je nodig hebt om het imperium te behouden. Big Army, zoals u het reguliere leger noemt, werkt niet.

‘Ik ben een groot voorstander van kleine operaties. We hebben special forces en elite-eenheden van de mariniers nodig in tachtig, negentig landen voor het trainen van bevriende militairen en het uitvoeren van beperkte missies. Om toekomstige “Iraks” te voorkomen, moeten we ons ontplooien op méér plaatsen, niet op minder. Je moet voorkomen dat de boel ergens aan stukken gaat, want dan is het te laat en moet je een enorme militaire operatie uitvoeren.’

Vorige week werd in het Amerikaanse National Intelligence Estimate de oorlog in Irak een cause célèbre genoemd voor de internationale beweging van jihadi’s.

‘Het is heel simpel: de oorlog is misgegaan. Er komen daar steeds meer jihadi’s. Ik ben niet perfect. Ik heb vanaf eind 2001 de oorlog tegen Irak gesteund. Ik kende de verschrikkingen van het regime. Ik was er geweest. Je bent een fatalist als je beweert dat we hoe dan ook in deze situatie verzeild zouden zijn geraakt, simpelweg omdat we zijn binnengevallen. Technisch gezien heeft Rumsfeld goed werk geleverd met de invasie. Maar wat volgde is te wijten aan incompetentie en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel. Weet je nog, de zomer van 2003? Irak was geen nieuws. Alles was er rustig. Het grote verhaal was Liberia. Maar Rumsfeld kreeg toen al maandenlang e-mails van zijn generaals die smeekten om meer troepen. Het ging niet opeens mis in Irak. Rumsfeld had vier of vijf maanden de tijd om zijn fouten te herstellen, maar hij deed niks.

Mijn reizen naar Irak hebben me ertoe gebracht om veel zaken te heroverwegen. Ik vind nu dat de VS geen grote invasie moeten plegen tenzij dat gebeurt met een werkelijk grote coalitie. Een van de grootste operaties die we wellicht gaan doen de komende jaren, met de Chinezen en de Russen, zal zich afspelen op het Koreaanse schiereiland. Ik doel niet op een invasie om het Noord-Koreaanse regime ten val te brengen, maar op een operatie die zal moeten gebeuren omdat het regime verdwenen is. Er zal een enorme chaos ontstaan en daarom zullen we leiding moeten geven aan de moeder van alle hulpoperaties.’

Leiderschap

Nederlandse troepen vechten in Uruzgan. U bent vaak in Afghanistan geweest, u weet hoe moeilijk het is om daar een oorlog te winnen. Jaren geleden schreef u ‘Soldiers of God’, over de moedjahedien. Vechten de Taliban dezelfde oorlog als de oude moedjahedien?

Robert Kaplan: ‘Het is dezelfde oorlog. Pakistan is opnieuw het achterland waarlangs de bevoorrading en de versterkingen voor de opstandelingen komen. Het is zelfs zo dat de plekken waar gevochten wordt dezelfde zijn als in de jaren tachtig. Toen controleerden de Russen het noorden. Ook nu is het alleen daar rustig. De situatie in Afghanistan baart me veel zorgen. De Taliban hebben volledige controle over plattelandsgebieden. De moderne geschiedenis van Afghanistan toont dat dáár het verschil wordt gemaakt, niet in de steden. Afghanistan is een van de weinige landen in de wereld die nauwelijks geürbaniseerd zijn. Vergeet niet dat de pro-sovjetregering in de late jaren zeventig de controle over de situatie verloor omdat er in de dorpen opstanden waren.’

Wat vindt u van de benadering van de Navo?

‘Wat de Navo zegt klopt: deze oorlog is niet te winnen met uitsluitend militaire middelen. Zorgen dat je de bevolking aan je kant krijgt, vechten zonder een schot te lossen, werkt. Dat is wat de Amerikanen doen in de Filippijnen en in Colombia. Maar het werkt alleen in combinatie met ongekende hardheid jegens de opstandelingen. Een mariniersgeneraal in Irak muntte de uitdrukking: wij zijn jullie beste vriend en jullie verschrikkelijkste vijand. Dat geeft het aardig weer. Het is de vraag of de Navo daarin slaagt.’

Is George Bush een goede leider?

‘Voorlopig luidt het antwoord: neen. In deze media-eeuw is communicatie een vereiste voor goed leiderschap. Maar deze regering kan niet eens het beleid uitleggen aan haar eigen bondgenoten. Het lukt Bush niet om Angela Merkel te vertellen waarom Duitsland aan onze kant moet staan. Kom op, help haar! Het is niet alleen Bush. Condoleezza Rice is een fantastische vrouw als je het met haar eens bent, maar als je haar tegenspreekt begint ze je te koeioneren. Ze overtuigt niet, want ze preekt. Je kunt mensen niet vertellen: ik ben Irak binnengevallen om er democratie te brengen en als je het daarmee niet eens bent, ben je dus vóór tirannie. Je moet iets subtieler te werk gaan, wil je mensen aan je kant krijgen.

Ik maak me zorgen. Er komen belangrijke beslissingen aan, beslissingen van oorlog en vrede. Iran bijvoorbeeld. In de Congres-verkiezingen in november zullen de Democraten waarschijnlijk winnen en een sterke oppositie gaan vormen. Maar een groot deel van de bevolking koestert wantrouwen jegens hen. Tegelijkertijd is er geen mens meer die de regering-Bush nog een nieuwe oorlog toevertrouwt. Maar de regering is nog wél tweeënhalf jaar aan de macht. Als de Democraten en de Republikeinse tegenstanders van Bush hem aan banden leggen zodat hij geen oorlog meer kan voeren, dan heeft onze diplomatie niet veel zin meer, want dan mist die de kracht van dreiging met geweld. Dat is het dilemma. Vergis je niet: Iran gaat deze situatie tot op het bot uitspelen. De Iraniërs zijn heel slim, heel subtiel en zeer toegewijd aan hun zaak.’

Wat is uw gevoel over de situatie rond Iran? Er heerst angst dat het weer tot een invasie kan komen.

‘Het is een ernstige zaak, hun streven naar een eigen nucleaire capaciteit. Maar we mogen niet overhaast tot oorlog overgaan. De experts zeggen dat we nog twee jaar de tijd hebben. Vijf jaar geleden zou ik gezegd hebben: ik vertrouw de experts. Maar dat deed ik ook toen ze zeiden dat er massavernietigingswapens in Irak waren.

Er is iets wat makkelijk wordt vergeten. Er wordt gezegd dat Iran nu de touwtjes in handen heeft in de regio. Het land levert explosieven aan zowel sjiitische als soennietische opstandelingen en verergert zo de ellende voor ons in Irak. Maar wat als wij ons terugtrekken? Dan wordt Irak de nachtmerrie van Iran. Als wij de boel er niet onder controle kunnen houden, dan kunnen zij dat al helemáál niet. Onder Irakezen is de haat jegens Iraniërs snel aan het groeien. Ook zij worden gezien als buitenlanders die zich inmengen. Bovendien is dit regime niet populair in Iran. Het is economisch gezien een mislukking. Ik zie het zo: we zitten in een lastige fase waar we doorheen moeten. Het kan ten goede keren zonder oorlog.’

Amerikaans imperium

U bent nooit een fan geweest van het vestigen van democratieën overal ter wereld onder bezielende Amerikaanse leiding. Met de democratische overwinning van Hamas in de Palestijnse gebieden en de oorlog tussen Libanon en Israël, twee democratieën, lijkt u gelijk te hebben gekregen.

Robert Kaplan: ‘Toen ik eind 2001 vóór de invasie van Irak was, heb ik hierover flinke botsingen gehad met neoconservatieven rond Bush. Het ging mij juist niet om democratisering, zoals zij wilden.

Natuurlijk wil je in essentie de regimes overal ter wereld vrijheidslievender maken. We kunnen strenger zijn, wat dat betreft, jegens Egypte en Saoedi-Arabië, maar het zou een fout zijn om die landen te dwingen democratisch te worden. Dat zou zwakke, etnisch verdeelde regimes opleveren die ten prooi kunnen vallen aan amokmakers, zoals de Iraniërs of fundamentalisten. Als Egypte, Saoedi-Arabië en Syrië democratieën zouden worden, zou dat uitlopen op een ramp. Laat de zoons de macht overnemen van hun vaders. Die zijn veel moderner en opener van geest. In Syrië is het mislukt omdat Bashir al-Assad niet talentvol genoeg is. Maar de zoon van Kadafi schijnt erg begaafd te zijn, en dat geldt ook voor Jamal Moebarak in Egypte.’

In ‘Imperial Grunts’ stelt u dat de Amerikaanse strijdkrachten een imperialistische taak uitvoeren. Is er echt sprake van een Amerikaans imperium?

‘Absoluut. Ik bedoel dat niet op een triomfantelijke manier. Amerikaanse eenheden bevinden zich overal ter wereld en hebben te maken met uitdagingen en frustraties, precies zoals troepen van eerdere rijken. De dagelijkse bezigheid van elk modern imperialistisch leger is het trainen van lokale troepen. Dat deden de Britten, de Fransen en de Nederlanders. En dat doen wij ook. Je zou kunnen zeggen dat de invasie van Irak een perversie is van dat imperialisme, in plaats van een uitdrukking ervan. Toen de Britten op hun allerslimst waren, deden ze geen invasies. Zij heersten via anderen.’

Hoe lang zal het nog bestaan, het Amerikaanse Rijk?

‘Een paar decennia op z’n hoogst. De wereld verandert te snel. De neergang is al begonnen. We gaan steeds meer verantwoordelijkheden uit handen geven, en raken dus macht kwijt. Ik denk dat over twintig jaar de Indische marine veel actiever wordt in de Perzische Golf, en China komt op. Ik voorzie een nieuwe Koude Oorlog, ditmaal in de Pacific.’

U zegt vaak ‘wij’ als het over de VS gaat, ook al heeft u veel gereisd. Bent u een wereldburger of een Amerikaan?

‘Ik ben een Amerikaan. Aan wereldburgerschap ben ik nog niet toe. Ik begrijp dat er universele waarden zijn, maar ik geloof nog steeds in de natiestaat. Alleen die krijgt op wereldniveau dingen voor elkaar. Daarvoor heb je iets nodig wat ik “geografische rekenschap” noem. De regering legt verantwoording af aan de eigen bevolking en kan en wil troepen sturen naar uithoeken van de wereld om in te grijpen als dat nodig is. Ik heb te veel retoriek bij de Verenigde Naties gezien. Er is niets veranderd sinds Bosnië, want nu is er weer Darfur. Ik zet mijn kaarten op de natiestaat, want de wereldgemeenschap speelt het niet klaar.’

Met medewerking van Francine Wildenborg.

Imperial Grunts is vertaald onder de titel Aan de grenzen van het Amerikaans imperium en wordt uitgegeven door Spectrum, (445 blz., e 22,95)