De coup van 1980

Aanbellen bij Bouta

Op 25 februari 1980 maakten militairen een eind aan de regering-Arron. Leider van de coup was een onbekende sergeant en sportinstructeur, Desire Delano Bouterse. Fotograaf Steye Raviez reisde destijds naar Suriname en ontmoette de bevelhebber.

Het bleek in Suriname behoorlijk spannend geworden. Met de machtsgreep werd Desi Bouterse er in een mum van tijd de sterke man. Twee strijdmakkers, de militairen Mijnals en Sital, werden, nadat zij kritiek hadden geleverd op het beleid, gearresteerd en in Fort Zeelandia gevangen gezet op verdenking van het smeden van plannen voor een contrastaatsgreep.

Een paar maanden na de staatsgreep stapte ik in een broeierig heet Paramaribo met camera-uitrusting het Torarica Hotel binnen. Collega’s aan de bar keken me meewarig aan. Een van hen zei: ‘Bouterse heeft een avondklok ingesteld en is niet van plan om ook maar een enkele fotograaf of journalist te woord te staan. We overwegen hier allemaal het vliegtuig te pakken. Hoewel het in dit hotel goed toeven is, hoor, er is airconditioning en een geweldig zwembad, maar Bouterse zul je waarschijnlijk niet snel te zien krijgen.’

Bij de balie informeerde ik de volgende morgen waar Bouterse woonde. Dat bleek niet eens zo ver van het hotel te zijn. De wandeling voerde mij stroomopwaarts, langs de Surinamerivier. Mijn plan was simpel. Gewoon bij het huis aanbellen en als hij open deed beleefd vragen of hij wilde poseren, al was het maar voor even.

Het huis waar Bouterse zijn intrek had genomen was van Sital. Sinds die opgesloten zat, moest hij verdragen dat kameraad Bouterse zijn plaats had ingenomen, misschien geïnspireerd door de gedachte dat het in links-revolutionaire kringen gewoonte was alle bezit met elkaar te delen. De vrouw van Sital was domweg uit het huis verbannen en verbleef volgens geruchten in het tuinhuisje.

De beste strategie leek me te doen alsof ik gek was. Ik had het geluk dat de gewapende militairen in de tuin geen rekening hadden gehouden met een uit Nederland komende, kennelijk door de hitte gek geworden fotograaf. Ze lagen te luieren onder een ficus en kregen te laat door wat ik van plan was. Ik drukte op de bel, en vlak voor de militairen mij wisten te bereiken werd de deur geopend. Het was Bouterse, die in trainingspak gestoken en met een verbaasde uitdrukking op zijn gezicht in de deuropening verscheen. Zodra de legerleider het tafereel onder ogen kreeg, hielden de soldaten de pas in en bleven op eerbiedige afstand. Verwachtingsvol loerden ze naar hun leider. Een reprimande kon hun deel worden ofwel ze kregen de opdracht mij ook maar eens een flinke aframmeling te geven.

Niets van dat alles. Desi Bouterse liet zich van zijn charmante kant zien. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Welwillend vroeg hij me wat de bedoeling van dit alles was.

‘Ik zou graag een paar foto’s van u willen maken’, bekende ik deemoedig.

Daarvoor ben ik dat hele kolere eind uit Nederland gekomen, dacht ik tegelijkertijd.

De bevelhebber in trainingspak leek een kort moment na te denken en zei toen: ‘Dat kan, maar je moet even geduld hebben. Ik zal mijn legeruniform moeten aantrekken en dan kun je een minuut of wat fotograferen. Daar doe je het maar mee, ik heb veel te doen, de auto komt me zo dadelijk oppikken, want ik ga mijn kleine meid van een feestje ophalen.’

Niet lang daarna verscheen Bouterse opnieuw in de deuropening, ditmaal gekleed als onberispelijk militair in een sportief ogend kaki uniform en een schuin op het hoofd geplaatste gifgroene baret met goudkleurig insigne. Tegelijkertijd draaide een grote zwarte limousine het terrein op. Hij keek op zijn horloge. De aan mij gegunde minuten gingen in. Ik deed als een razende mijn werk en schoot zoveel mogelijk beelden, tot Bouterse het welletjes vond, nog even in mijn richting wuifde en in de deftige limousine stapte om er als een haas vandoor te gaan. Zo, ik was tenminste niet helemaal voor niets gekomen.

Zijn koosnaam, Bouta, hoorde ik voor het eerst op een feestelijke manifestatie waar bijna alle kopstukken van het leger en van de nieuwe regering bijeen waren gekomen om Bouterse te horen spreken. Het zou een gedenkwaardige bijeenkomst blijken; ik prees me gelukkig dat ik als enige fotograaf aanwezig was. Een van de foto’s van Bouterse achter de katheder, met over zijn rechterschouder de uzi, werd door de jury van de Zilveren Camera beloond met de eerste prijs in de categorie portretten.

De manifestatie leverde veel materiaal op. Op de eerste rij zat minister-president Hendrick Chin a Sen met zijn vrouw, daarnaast André Haakmat, die minister van Justitie was geworden. Iwan Graanoogst met zijn grote bolvormige gazellenogen, de griezelige Paul Bagwandas, die, zoals tijdens het proces wel eens zou kunnen blijken, de wreedste deelnemer aan de moordpartij was. Niet te vergeten ook de sinistere, eeuwig boos kijkende Roy Horb, ook niet mals, de man die de aanzet voor de gewelddadige revolutie had gegeven en die door Bouterse vermoedelijk als grootste concurrent werd gezien. Na de decembermoorden werd Horb zelf gearresteerd. Op 2 februari 1983 werd hij dood in zijn cel aangetroffen. Zelfmoord heette het, maar iedereen wist beter. Ik besefte destijds maar half in wat voor slangenkuil ik terecht was gekomen. Als iemand mij verteld had dat luttele maanden later vijftien man op afschuwelijke wijze over de kling zouden worden gejaagd, had ik dat nauwelijks kunnen geloven.