Aandacht

Nog steeds twijfel ik of één van de redenen die maakten dat ik jaren geleden Frankrijk heb verlaten niet mijn lengte zou zijn. Met een lichaam van bijna twee meter in een land waar het gemiddelde ruim vijfentwintig centimeter lager ligt, was ik gedoemd om op te vallen. Nooit heb ik me in de veilige anonimiteit mogen wentelen die een menigte verschaft, en in de rij voor de bioscoop of de klas kreeg ik water in mijn handen en een steen op mijn borst: een hele kop en een stukje schouders voorsprong op een tapijt van kruinen, permanenten en kuiven met een woud van blikken omhoog gericht naar mijn afwijkende gestalte. Vanaf mijn prille jeugd heb ik mogen ervaren hoe verstikkend en verlammend een overdaad aan aandacht kan zijn. Maar, beste traumatologen, geen paniek, want voor de rest heb ik van mijn opzienbarende lengte alleen maar voordelen gehad.

In het licht van het voorafgaande zal men begrijpen dat ik nogal perplex stond toen ik maandag een stukje in de avondkrant ontdekte onder de kop ‘Aandacht trekken’. De auteur - laat ik hem voor het gemak en om zijn persoon niet met een vracht aan ongewenste aandacht te overladen, de Avondcolumnist noemen - tracht in zijn bijdrage een definitie te geven van de motivaties van de stukjesschrijver om almaar stukjes uit zijn mouw te schudden. De eerste zin al deed me sidderen: 'Columnisten willen aandacht, voor een standpunt of voor zichzelf, meestal voor zichzelf.’ Even moest ik bijkomen. Is dit nou waarvoor ik mezelf al jaren wekelijks een maagzweer aanpraat, tot diep in de nacht op zoek naar een waardig onderwerp door het huis ronddool en dagelijks een enorme hoeveelheid onzin moet lezen? Om als egotripper een beetje aandacht te krijgen?
Die hang naar ongezonde belangstelling voor zijn ikkie van de kant van de stukjesschrijver zou, volgens de Avondcolumnist, zijn ontstaan door een niet te temmen verlangen naar eigen specificiteit. Columnisten zouden zich van elkaar willen onderscheiden omdat ze het te veel met elkaar eens zijn. En waarom zijn ze het met elkaar eens? Vanwege het feit dat het in het algemeen 'goed gaat met Nederland’ en in het bijzonder met de werkloosheid, het onderwijs, de criminaliteit, de etnische spanningen en het milieu. Dit vormt een 'tamelijk grote ramp’ voor 'ons als opiniemakers en meningboeren’.
Over de eigenaardige en als prozaïsch bedoelde vergelijking met leden van de agrarische sector zal ik maar zwijgen. Zelfspot en jezelf tot denigrerende proporties relativeren behoren in dit land tot de nationale bezigheden, die vaak niets anders dan hypocrisie en sluipend egotisme moeten verhullen. Maar vooral de stelling dat een succesvol poldermodel met florerende werkgelegenheid of een goed milieubeleid een algeheel en dodelijk consensusmoeras onder columnisten bevordert, lijkt me nogal restrictief en eenzijdig. Ik kan me niet herinneren ooit een stukje te hebben geschreven met de blik gericht op de cijfers van het CBS. Ik kijk liever of de irritatie, verontwaardiging of ontsteltenis die een onderwerp bij me veroorzaakt wel of niet authentiek is. Bij het stuk van de Avondcolumnist was dit, bijvoorbeeld, wel het geval.
Zeker toen ik begreep waarom hij zijn eigen werk vaak als een grove exercitie van aandachttrekkerij omschreef. Hij moest enige grond creëren van waaruit hij een collega, een omstreden ochtendcolumnist, zou kunnen bestoken. De Ochtendcolumnist had een maand eerder een mediarel veroorzaakt door homoseksuelen grof te beledigen. Maar de Avondcolumnist ging niet echt inhoudelijk in op zijn argumenten. Hij verweet zijn soortgenoot om de jackpot - echte aandacht - met oneigenlijke middelen - baldadigheid, sadisme, belediging, armoedige stijl en gedachten - te hebben gewonnen. Laat ik inderdaad maar bevestigen dat het gewraakte stukje van de Ochtendcolumnist aan alle kanten rammelt en dat ik niet tot zijn vriendenkring behoor. Maar het is met de bijdrage van zijn avondcollega niet beter gesteld, wanneer hij met een in kinnesinne gedrenkte pen stelt dat de relschopper 'de meest verwende columnist van Nederland is’ omdat hij ’(boze) brieven, abonnement-opzeggingen en een aanklacht bij de officier van justitie’ met één stukje heeft geoogst. Persoonlijk gruw ik van al die dingen die genoemd worden, want alleen de instemmende stilte is voor mij verwennerij. Ik begrijp ook dat ik niets te maken heb met de definitie van stukjesschrijvers als aandachtjunks. Dit moet door de auteur als een postmodern zelfportret bedoeld zijn geweest. Opgelucht kon ik maar één conclusie trekken: avond- en ochtendcolumnisten, één pot nat.