Aandacht

Wanneer ik later beroemd en berucht ben – ik zie mezelf graag als een democratische dictator – dan ben ik voor een totale vrijheid van meningsuiting, maar verschijn ik zelf niet op de tv.
Wie op tv verschijnt, verliest aan gezag, tenzij hij geen macht heeft en niemand hem of haar kent, dan wint hij aan gezag.
Een onbekende schrijver moet dus wel op tv. Een bekende minister niet.
Laatst was er weer een zinloze debatavond met veel ministers en burgemeesters die vertelden hoe je Wilders moest bestrijden, en allemaal klaagden ze dat Wilders er niet was. Toen kwam Wilders via ‘een lijntje’ het debat binnen en mocht hij tien minuten onafgebroken voor zichzelf reclame maken. Men kon hem niet tegenspreken, de vloer was van hem alleen.
Stel je dat debat eens voor als een strijd op de apenrots, dan hoef je niet lang na te denken wie de aap was met het meeste gezag. Namelijk: de aap die er niet was, maar wel het meeste mediavoedsel kreeg toebedeeld.
Was ik een spindoctor, mijn advies aan de ministers zou zijn: we laten ons niet interviewen door Van Nieuwkerk, Pauw, Witteman, Knevel en weet ik het wie, maar, beste minister, we gaan een artikel schrijven, of we houden een redevoering voor ons eigen publiek.
Want wie al gezag heeft, krijgt meer gezag als hij schrijft dan als hij aan een tafel zit met een zangeresje, een cabaretier, een getreiterde leraar en een goochelaar.
Wie interviewt heeft altijd de macht, hij is altijd de meerdere, want hij stuurt, hij bepaalt, hij richt, hij nuanceert of veralgemeniseert, hij kan het gesprek naar zijn hand zetten. De geïnterviewde moet letterlijk wachten. Afwachten. Hopen dat er een vraag komt waar hij goed mee uit de voeten kan. En als hij dan eindelijk iets mag zeggen, wordt hij onderbroken, voor gek gezet, vernederd, berispt. ‘Dat meent u toch niet, mijnheer Balkenende?’ ‘Dat is toch flauwekul, mijnheer Bos.’
Ik doe dat zelf altijd met genoegen.
Politici gaan van het misverstand uit dat wanneer ze maar vaak op de tv te zien zijn ze populair bij het volk worden. (‘Wij zijn tegen het populisme, wil ik hier bij u in de uitzending nog maar eens zeggen.’)
Zo is het met schrijvers ook. Bekende auteurs die vaak op de televisie verschijnen… tja, ze verkopen misschien wel een paar drukken, maar… ze worden in de letterkunde niet echt serieus genomen.
Televisieaandacht werkt artistiek tegen je. Mijn goede vriend Bart Chabot zei dat hij stopte met Dancing with the Stars en dat soort programma’s waar hij niet was weg te slaan, omdat hij ‘niet serieus’ werd genomen door ‘de literatuur’. Ik zie Bart nog steeds overal opdraven – hij is nu iets van een nationale clown geworden (‘Redactie, neem Chabot, die zegt altijd wel iets leuks en hij trekt daar ook heel leuke smoelen bij’) – en ik vrees dat hij zijn literaire status wel kan vergeten. (‘Ik moest wel, de kachel moet roken’, zal hij zeggen. ‘Ik weet er alles van, Bart’, zou ik hem dan antwoorden.)
De Tweederangers kunnen vaak niet anders. Uitgevers oefenen druk op ze uit! (‘Ga bij Pauw en Witteman zitten!’) Maar het is dom. Je doet het om uit de beklemmende gedachte te geraken van: wanneer ik niet naar Pauw en Witteman ga, neemt de uitgever misschien m’n volgende boek niet meer, en ga ik wél naar Pauw en Witteman, dan moet ik iets doen wat niet mijn metier is, namelijk spreken in plaats van schrijven. Politici denken net zo. Ga ik niet, raak ik niet populair en kan ik de verkiezingen wel vergeten. Ga ik wel, dan ben ik de voetveeg van de interviewer, de cabaretier, het zangeresje en de goochelaar voor mij.
De televisie is voor het aan de man brengen van kwaliteit een slecht medium. Wie daar toch naartoe gaat, erkent dat hij omarmd wil worden door de middelmaat.