Armoede in Amsterdam

‘Aandacht geven is vaak genoeg’

Bij Stichting Meevaart in Amsterdam-Oost krijgen arme buurtgenoten de kans om hun problemen zelf aan te pakken en aan de samenleving mee te doen. ‘Je moet mensen niet te veel bij de hand nemen.’

Firoez Azarhoosh is groot, breed, heeft donkerbruine ogen en een vriendelijke en tegelijk gezagwekkende uitstraling. De Koning van Oost wordt hij genoemd. Tijdens mijn onderzoek naar de bestrijding van armoede in Amsterdam ben ik beland in de Meevaart in Oost. Azarhoosh (54) bedacht hier een onorthodoxe aanpak om achterstand aan te pakken, al is hijzelf bescheiden over zijn aandeel: ‘Mijn rol is opzetten!’

Negentien was hij toen hij vluchtte uit Iran, begin jaren tachtig. Het gezin waarin hij opgroeide had socialistische ideeën, ‘en in die tijd hoefde je geen hoge piet te zijn om in de problemen te komen’. Via Pakistan en India kwam hij in Nederland terecht. Hij is nooit meer terug geweest. Zijn ouders verhuisden later naar Amerika, sinds Trump heeft hij ze niet meer gezien omdat hij nu een visum nodig heeft. In Nederland studeerde hij informatica, trouwde, kreeg twee kinderen, ging werken bij de vng, vervulde een aantal gemeentelijke directeursfuncties in Den Haag en Amsterdam en had het toen ‘gehad met de overheid’.

Hij begon voor zichzelf. Hij bedenkt concepten, geeft advies en modereert bijeenkomsten. En raakte betrokken bij de wijk. In de Indische Buurt in Amsterdam-Oost leeft een kwart van de huishoudens onder de armoedegrens, zo’n 2500 huishoudens. ‘Negentig procent van hen leeft van een uitkering, tien procent zijn werkende armen, vaak zzp’ers’, weet Azarhoosh. ‘Zij vallen niet in de voorzieningen, kunnen wel een beroep doen op aanvullende bijstand, maar dat zijn enorme procedures, ze zijn liever arm dan dat ze een uitkering aanvragen.’ De helft van de armen heeft een chronische ziekte of is ouder dan zestig. Daarnaast is er een grote groep die voortijdig door stommiteiten in de schulden is geraakt. ‘Het duurt tien jaar voordat ze eruit zijn.’

Mensen van niet-Nederlandse afkomst vormen de grootste groep armen in de wijk. Eerstegeneratiemigranten en vluchtelingen, jonge mannen en vrouwen die het systeem niet snappen, de taal niet kennen, geen vangnet en geen netwerk hebben en daardoor in no time in de schulden zitten. Veel ouderen kunnen de digitalisering niet bijbenen.

Azarhoosh, inmiddels gescheiden, werkte bij een welzijnsproject in Den Haag samen met Nooshi Forozesh (45). Ook zij was gevlucht uit Iran, woonde van haar veertiende tot haar achttiende in Zweden en kwam als uitwisselingsstudent naar Nederland. Een stralende vrouw, hoge laarzen, kort rokje, rustig sprekend achter haar bureau. ‘Ik werd helemaal verliefd op Amsterdam’, vertelt ze, ‘dat was precies wat ik zocht in mijn leven, hier blijf ik. Omdat Zweden binnen de EU valt, mocht dat.’ De eerste zes maanden woonde ze alleen op een kamer, toen kwam ze Firoez tegen. ‘We wonen samen’, vertelt ze blozend.

Een gezamenlijk werkbezoek aan een gebouw in het Zweedse Uppsala dat ten dienste stond van de wijkbewoners inspireerde hen om zoiets ook in Oost van de grond te trekken. Samen met een aantal actieve bewoners ontdekten ze een groot oud schoolgebouw, waarin ooit een paar welzijnsorganisaties zetelden, maar waar indertijd niemand binnen durfde te komen. De gemeente had het gebouw voor twee miljoen euro opgeknapt. De initiatiefnemers wilden echter geen traditionele welzijnsorganisatie worden met het publiek als consument. ‘Het enige wat wij doen is faciliteren, wij geloven in het initiatief van de mensen zelf. Wethouder en gemeente gaven ons het vertrouwen. We zeiden: het is een experiment, als het niet lukt, geven we de sleutel terug’, vertelt Forozesh.

Dat was in 2011. Nu is ze sinds drie jaar algemeen manager van de Stichting Meevaart. Ze moet zelf lachen over hoe gewichtig dat klinkt, want ze heeft inclusief zichzelf twee betaalde krachten, een paar zzp’ers of payrollers, en de rest is vrijwilliger, zoals Azarhoosh.

Vrijwilligers dienden zich aan, uit alle sociale lagen van de buurt. Op dit moment werken er 88 mensen, bezoeken elke week vijftienhonderd mensen van tachtig verschillende nationaliteiten het gebouw, dat negentig uur per week open is. ‘We kregen eenmalig negentigduizend euro om het pand in te richten’, vertelt Forozesh. ‘Dat is erg weinig, dus Marktplaats bracht uitkomst.’

Gaandeweg werd een organisatiemodel ontwikkeld. ‘Niemand was hier eigenaar, het begon chaotisch, maar na verloop van tijd bleek het toch nodig een structuur op te bouwen. We konden niet uitgaan van een standaardmodel, want we hadden te maken met zowel analfabeten als hoogleraren en mensen met een totaal verschillende achtergrond en nationaliteit.’

De huidige werkwijze is pas na drie jaar tijd vastgelegd in een organisatieplan. De totale omzet is nu acht ton, met ruim drie ton subsidie van de gemeente, op voorwaarde dat het gebouw gratis ter beschikking wordt gesteld voor activiteiten in de Indische Buurt. Ruim een ton verdienen ze zelf, met catering en verhuur aan lokale overheden, VvE’s en woningbouwcorporaties.

Het gebouw is eenvoudig maar helder ingericht. Je voelt je welkom als je binnenloopt. Overal groepjes aan tafels. De activiteiten variëren van muziek- en taallessen tot computervaardigheden, cursussen empowerment, koken, theater, poëzie en literatuur. Ik tel er 28. Mohammed, een lange, zwijgzame man die alles in de gaten houdt, is er altijd, zeven dagen in de week, van ’s morgens acht tot ’s avonds negen, daarvoor krijgt hij 125 euro per maand. Vanmiddag ben ik bij het repaircafé. Drie woensdagmiddagen per maand en de laatste zaterdagmiddag, van twee tot half vijf, kun je er terecht om je oude pick-up, naaimachine of computer te laten repareren. Het is ontstaan vanuit het principe dat niets zomaar mag worden weggegooid.

Volgens Kim Zuiver (61), de gastvrouw, is op die manier vanaf het begin al 5700 kilo in Amsterdam bespaard op de afvalberg. Bovenaan op de lijst staan Senseo’s, Nespresso’s en föhns. Ook sieraden en oude transistors scoren goed. Monteurs zijn meestal gepensioneerde knutselaars, zomaar aangewaaid en vaak met een academische achtergrond. Hoofdmonteur Jan was ict’er bij een bank. Het is niet de bedoeling dat de klanten hun apparaat afgeven en weer ophalen. Nee, je moet er bovenop blijven zitten, want de reparateur moet van de klant horen wat er aan de hand is. Het is wel zaak op tijd te komen, anders kom je niet aan de beurt. Zuiver schrijft de mensen in, geeft ze koffie en koek, deelt de klussen uit en doet de boekhouding. Het kost niks, maar een vrijwillige bijdrage wordt op prijs gesteld. Daar wordt ruimschoots gevolg aan gegeven.

‘Een paar jaar geleden werd het café gerund door iemand die daarvoor subsidie had gekregen’, vertelt Zuiver. Daar hebben we nooit iets van gezien. Na die tijd zijn we met de opbrengst van de fooienpot naar de notaris gegaan, hebben een stichting opgericht en daarmee het eerste jaar achttienhonderd en het volgende jaar zestienhonderd euro subsidie kunnen krijgen. Nu draaien we zo goed dat we geen subsidie meer hebben aangevraagd.’ Van het geld wordt gereedschap gekocht en is onlangs een laptop aangeschaft.

Het is druk vandaag. Acht monteurs zijn er, van wie één vrouw, zij hanteert de naaimachine. Meteen om twee uur zijn er al tien bezoekers. Massimo (45) was ingenieur, komt elke week en repareert alle elektra. Nu is hij intensief bezig met een cd-speler, nauwelijks tijd om te praten. Edward Tonino (61) is 23 jaar productontwerper bij Philips geweest – ‘ik ontwierp die rotzooi’ –, werd overbodig en leidt nu als zzp’er designteams, maar vindt het heerlijk om aan een oude staafmixer te prutsen. Bart, ook ict’er, kwam ooit om een batterij te laten repareren en is toen maar gebleven als reparateur. ‘Het is heerlijk om mensen te helpen.’ Bernhard is goudsmid geweest.

‘Ik wil hier anderen tegen­komen die in eenzelfde situatie zitten als ik, of erger. Dat je denkt: bij mij valt het nog mee’

De wachtrij wordt steeds langer. Een Surinaamse vrouw komt met haar stofzuiger. Plotseling ontstaat commotie. Een bezoeker wil een Senseo afgeven, maar dat mag niet, je moet erbij blijven. De man roept luid: ‘Ik doe het voor de dames van de viswinkel, die hebben daar echt geen tijd voor en ik ook niet.’ Zuiver zoekt het uit. Het blijkt dat reparateur Bernhard de belofte heeft gedaan dat de Senseo mocht worden gebracht en gehaald. Zuiver zwicht, maar eens maar nooit weer. ‘Kim, er is ruzie over de volgorde!’ roept een monteur. Iemand wil voorgaan. De kleine stevige vrouw staat op en roept luidkeels: ‘Nee, er is er hier maar één de baas en dat ben ik!’ Ze kijkt op haar lijst en wijst de vrouw aan die al een uurtje geduldig zit te wachten.

Links: het repaircafé in de Meevaart. De magnetron geeft kortsluiting. Rechts: festival 24 uur Oost in de Meevaart, november 2019 © Links: Dingena Mol/ANP; Rechts: De Meevaart

Kim Zuiver heeft de laatste jaren de sfeer binnen de Meevaart ten goede zien veranderen, vertelt ze later. ‘Toen ik hier voor het eerst kwam, was ik de enige vrouw en de enige Nederlandse. Ik had toen het idee dat de Marokkaanse gemeenschap hier de baas was. Oude mannen, lange jurken, huisvaders, ze zaten maar te hangen. Ik gun die mensen een plekkie, maar doe iets. Ik heb toen gezegd: het is hier multiculti, hoor! In het repaircafé hadden we toen ook voornamelijk Marokkaanse klanten, het was dubbeltjeswerk. Ze groetten ook nooit.’

Er zitten nog steeds een paar mannen tegen de muur, alsof ze de gang van zaken in het repaircafé in de gaten houden. Maar tegenwoordig komen ze eerst naar Zuiver toe, geven haar een hand en soms zelfs een kus op de wang. ‘Er komen nu ook Nederlanders, Engelsen, Joegoslaven. Officieel mag er alleen Nederlands gesproken worden’, zegt ze. ‘Maar dat is nog wel eens moeilijk.’

Badria (44) kookt regelmatig in de Meevaart. Zij is een van de weinigen die wil praten, want schaamte speelt bij velen een grote rol. Ooit werkte ze als baliemedewerkster bij een zorgverzekeraar, stopte toen ze zwanger werd, kreeg drie kinderen en kwam nadat de relatie uitging in een uitkering terecht. Huurschuld en boetes van haar zoon probeert ze nu in kleine bedragen maandelijks af te lossen. Onlangs is ze 360 euro gekort op haar uitkering, omdat haar zoon van 23 bij haar inwoont. ‘Wat denk je dat hij verdient in de bouw, dat hij zomaar vierhonderd euro huur aan mij kan betalen? Auto, kleding, hij rookt. Dan moet je hem uitschrijven, zeggen anderen, maar dat vertik ik, al zit ik nog zo in de penarie. Mijn zoon op straat zetten om hem op het verkeerde pad te brengen?’ Ze schudt vastberaden het hoofd.

De zeshonderd euro die ze nu ontvangt vult ze aan met het kinderbudget van de belastingdienst en met wat hulp van familie. ‘Ik wil niet dat mijn kinderen hetzelfde overkomt als ik, ik wil goede scholen voor ze, ik wil dat ze gelukkig zijn. Maar kinderen zijn anders in deze tijd, ze willen van alles, een telefoon, het doet pijn dat ik ze die niet kan geven.’

Tranen rollen over haar wangen. Ze wil dolgraag uit de uitkering, solliciteert zich een slag in de rondte, maar haar leeftijd, hoofddoek en Marokkaanse achternaam werken tegen. Via een vriendin kwam ze in de Meevaart terecht. Nu heeft ze zelfstandig de leiding over een groep vrouwen die voedsel inkoopt en maaltijden kookt voor de buurt, wie mee-eet betaalt drie euro vijftig. Wie een Makkie inlevert, een soort bon die elke vrijwilliger van de Meevaart ontvangt per avonddienst, kan zelfs gratis eten. Wat Badria aan de inkoop overhoudt, dient weer als aanvulling op haar uitkering, soms neemt ze wat eten mee naar huis.

Vooral mensen die alleen wonen, eenzaam zijn en normaal niet buiten komen, eten mee. Via mond-tot-mondreclame worden het er steeds meer. Haar eigen Makkies levert ze weer in bij Albert Heijn. Ze weigert naar de voedselbank te gaan, ze zou zich te veel schamen, maar ze ziet dat het voor velen noodzakelijk is. ‘Men houdt zich stoer, maar als je er eenmaal over begint… Vrouwen krijgen de klappen, die moeten alles doen. Meer geld is de oplossing, zodat je in ieder geval de vaste lasten kunt betalen.’

Ze heeft een scherpe visie op de huidige tijd en spaart daarbij haar eigen cultuur niet. ‘Vroeger was een hoofddoek geen probleem, maar sinds 9/11 en Wilders is alles anders. Via de sociale media is er haat gecreëerd. Een kleine groep moslims verpest het voor de grote groep, pak die mensen aan, ze hebben iets hier (ze wijst naar haar hoofd – ag) of het zit in het gezin. De Marokkaanse gemeenschap pakt het zelf niet op nee, die hebben schijt aan elkaar. Als hun eigen kinderen het goed doen hebben die anderen zeker een slechte opvoeding gehad.’

‘Wat moet de Marokkaanse gemeenschap dan zelf veranderen?’ vraag ik. ‘Alles!’ zegt ze. ‘Meer samen creëren. Je laten horen. Niet wegkruipen en doen of het goed gaat. Want het gaat niet goed. Mijn broer is met een Hollandse getrouwd, maar wil nu zijn achternaam veranderen. In de sociale media gaat het alleen maar over Marokkanen, dat wil hij niet meer.’ De Meevaart betekent veel voor Badria. ‘Hier kan ik even tot rust komen en alles even vergeten. Anderen tegenkomen die ook in zo’n situatie zitten of erger. Dat je denkt: bij mij valt het nog mee.’

Maandagmorgen negen uur is de Meevaart een leslokaal voor het tweede leerjaar mbo-2 bbl, de beroepsbegeleidende leerweg dienstverlening. Een opleiding met weinig lesuren en veel stage. Marij Pinxt, docent bij het regiocollege Zaandam, geeft alle lessen: Nederlands, rekenen, vaktheorie en digitale vaardigheden. De leeftijd van de leerlingen ligt tussen eind twintig en bijna zestig, de meesten komen hier via het uwv en wonen in de buurt. Een voor een druppelen ze binnen, een uur later ook nog.

Brigitte (42), 22 jaar geleden uit Angola gevlucht, is uitermate trots dat ze na haar stage nu in vaste dienst is bij Hotel Casa, een plek met doordeweeks vierhonderd kamers voor studenten en in het weekend een hotel. Als facilitair medewerker regelt ze onder meer voorraadbeheer en controleert ze de hotelkamers. ‘Geen uitkering meer’, meldt ze, ‘en als ik het diploma haal krijg ik meteen opslag.’

De grootste motivatie bij alle leerlingen is het leren spreken van de taal. En dat is meteen het grootste struikelblok. Lerares Marij spreekt langzaam en nadrukkelijk en begeleidt zoveel mogelijk individueel. Mehran Maadani (47) vluchtte uit Iran en heeft nu drieënhalf jaar een legale status. Hij wil weer als salesmanager aan de slag – zijn oude beroep. Hij oogt representatief, spreekt Nederlands, maar lang niet goed genoeg om te solliciteren, vindt hij zelf. Hij woont in de Schilderswijk in Den Haag, maar is door Azarhoosh na het overlijden van een kok gevraagd een dag per week naar Amsterdam te komen om Iraans te koken. Zijn vrouw assisteert.

‘Ik wil wat doen, ik kan niet tegen mijn kinderen zeggen dat ze hard moeten werken terwijl ik zelf niets doe’

Samen leren zij Nederlands bij de Taaltafel in Den Haag. Zijn vrouw is in Iran afgestudeerd op gezondheidsleer, heeft tien jaar ervaring in de verzekeringssector en wil in Nederland in de kinderopvang gaan werken. Haar Nederlands is nog gebrekkig, Maadani is er vast van overtuigd dat hij de taal binnen een jaar vloeiend zal spreken. Hij wil uit de uitkering, die nu voor hen beiden twaalfhonderd euro bedraagt.

Hij grijpt alles aan, zoals koken in de Meevaart, voor het kleine beetje geld dat hij ermee verdient. En ook voor de contacten en de mogelijkheid Nederlands te spreken. Een complete maaltijd kost vijfenhalve euro of even zovele Makkies (voor elk uur vrijwilligerswerk in de Indische Buurt geeft het stadsdeel een Makkie, maximaal acht per week). Maadani koopt uit eigen zak de ingrediënten, wat hij overhoudt van de menuprijs is voor hemzelf. In de brandschone keuken wordt vandaag persian slow food voorbereid: groentesoep, chelo kebab of aadas polo (linzen met rijst), meestal voor zo’n 25 bezoekers.

Een week later, maandagmiddag twee uur. Marij zit samen met haar collega Tom Neervoort, docent Nederlands, klaar voor het examen presentatie, onderdeel van Nederlands spreken en burgerschapskunde. Melissa en de twee Saba’s hebben gezamenlijk een werkstuk gemaakt en zullen hieruit om beurten een onderdeel presenteren. Er wordt gelet op samenhang in het verhaal, goed samengestelde zinnen, grammatica, verstaanbaarheid en begrip. Onderwerp: de voedselbanken.

Melissa is het eerst aan de beurt. Lange, loshangende, donkere krullen, een zelfbewuste schoonheid. Waarom hebben ze dit onderwerp gekozen, hoe groot is het probleem, hoe is het ontstaan? Ze strooit een berg cijfers over ons heen, geïllustreerd met professionele sheets. Dan geeft ze het woord aan Saba, die verder gaat over de kernwaarden en de regels waar de voedselbanken zich aan horen te houden en de screening van wie wel en wie niet. Met een nauwelijks merkbare trilling in haar stem geeft ze de andere Saba het woord, die het onderdeel kinderen voor haar rekening neemt. Zij staat als enige met haar armen over elkaar, heeft een licht accent en moet af en toe op haar blaadje kijken, maar is verder even welbespraakt als de andere twee.

Drie jonge moeders geven vol zelfvertrouwen hun presentatie. Na afloop stellen de docenten nog een paar vragen. Dan blijkt pas echt hoe goed ze zich in het onderwerp hebben verdiept, er volgen gedetailleerde antwoorden. Ook het publiek mag een vraag stellen. Wat vinden ze ervan dat er voedselbanken zijn? Melissa, fel ineens: ‘Het is een schande voor zo’n rijk land als Nederland. Er wordt wel veel geld ingezameld voor ontwikkelingslanden, maar in Nederland is de armoede ook groot. Steeds meer mensen kunnen niet rondkomen.’

Saba weet uit eigen ervaring hoe het is. ‘Als ik eraan denk, krijg ik nog steeds tranen in mijn ogen. In de klas uitdelen als een van de kinderen jarig was? Ik wist niet waar ik het geld vandaan moest halen.’ Melissa: ‘Vroeger kon je op chips of popcorn trakteren, maar tegenwoordig moet je minstens fruit uitdelen.’ Saba vertelt dat haar zoon het niet leuk vond om de kleren van zijn oudere broer af te dragen. ‘Daarom wil ik dit diploma halen, om uit de armoede te komen.’ Ze krijgen alledrie een 9,4.

Activiteiten in de Meervaart © De Meevaart

Een geciviliseerde samenleving komt op voor de armen, is de boodschap van Firoez Azarhoosh. Vanuit dat uitgangspunt wordt er gewerkt in de Meevaart. ‘Ik ben niet naar armen op zoek, ik zie ze op straat, ze komen hiernaartoe.’ Samen Vooruit heet het programma dat vorig jaar is ingezet, met drie speerpunten: via onderwijs ieder die de potentie heeft uit de armoede te komen een opleiding geven, het wantrouwen tegenover instanties wegnemen en financiële oplossingen op maat creëren. ‘We zijn nu begonnen met een opleiding voor vijftien vertrouwenspersonen die armen persoonlijk kunnen begeleiden’, vertelt Azarhoosh. ‘Zij gaan een kopje koffie met ze drinken, signaleren wat er speelt, en stappen dan eventueel samen naar ambtenaren of zorgverleners. We begeleidden vorig jaar vijftig mensen, dit jaar honderd en daarna tweehonderd.’

De instanties in Oost erkennen dat ze onderling niet communiceren en dat daardoor mensen van het kastje naar de muur worden gestuurd, vertelt Azarhoosh. ‘De vertrouwenspersoon blijft nu bij degene die hulp nodig heeft en we gaan alle problemen die buiten de instanties vallen aanpakken. Als iemand geen dak boven zijn hoofd heeft bijvoorbeeld. Of een acuut geldprobleem, dan zoeken we naar een oplossing.’ Met een fonds dat in oprichting is, kunnen de vertrouwenspersonen snel bijspringen.

In gesprekken met de gemeente krijgt Azarhoosh te horen dat zijn aanpak helemaal niet zo vernieuwend is. ‘Er is nu op het stadhuis een club “democratisering” opgericht met twee miljoen budget’, vertelt hij. ‘Allemaal mannen en vrouwen van Nederlandse komaf, hoogopgeleid en boven de 45. Wat vernieuwend is, is voor hen sexy. Maar ze zien de echte armoede niet, omdat ze niet in de wijk zitten.’ Hij is fel tegen de industrie die leeft van de armoede. ‘Schuldhulpverlening maakt van jouw schuld een schikking, dat betekent drie tot vijf jaar leven van vijftig euro per week. Dat leidt tot inactiviteit. Maak een plan en zeg: wij vereffenen de schuld als gemeente, die moet je wel terugbetalen, maar je gaat werken. Een bewindvoerder is vernederend. Kijk per persoon of je van de regels kunt afwijken.’

Maandagmorgen. Vandaag begint de eerste les van de cursus dienstverlening. De speelplaats van de school tegenover de Meevaart is een weerspiegeling van de buurt, kinderen met alle culturele achtergronden spelen met elkaar. Boven zitten twaalf vrouwen en een man, die twee jaar lang deze opleiding gaan volgen, waarna ze bijvoorbeeld in de ouderenzorg kunnen werken. Twee halve dagen per week les, 640 uur stage binnen de Meevaart of elders, ziektedagen moeten worden ingehaald. Ze zijn uiterst gemotiveerd, ze willen graag werken, maar zonder enige kwalificatie lukt dat niet.

Een deelnemer zegt: ‘Ik wil wat doen, ik kan niet tegen mijn kinderen zeggen dat ze hard moeten werken terwijl ik zelf niets doe.’ Een ander, sinds een jaar in Amsterdam, getrouwd met een Nederlander, worstelt nog met het inburgeringsexamen. De vrouwen, de meesten rond de veertig, komen uit Ethiopië, Kameroen, India, Marokko, Afghanistan, Ivoorkust, Oeganda, Eritrea, twee vrouwen zijn Nederlands. Allen moeten een contract tekenen. Niet iedereen spreekt goed Nederlands, hoewel dat een eis is die binnen de Meevaart wordt gesteld. Proberen, durven en doen, zegt algemeen manager Nooshi Forozesh.

Adrijana Girgic (46) sprak ook nauwelijks Nederlands toen ze in 2015 in de Meevaart terechtkwam. Ze vluchtte uit Bosnië, kreeg in 1994 een verblijfsvergunning en woont na omzwervingen in Duitsland en Amerika sinds 2001 definitief in Nederland. In 2015 volgde ze de opleiding dienstverlening die ze nu vier dagen per week coördineert, gedeeltelijk betaald en gedeeltelijk als vrijwilliger. Ze is trots dat ze na jaren geen uitkering meer heeft. Daarnaast is ze elke dag mantelzorger voor haar moeder. ‘Iedereen komt binnen met bagage uit het verleden, maar wordt hier gezien. Dat maakt verschil’, zegt ze. ‘We zijn allemaal familie van elkaar geworden, verantwoordelijk voor elkaar en voor het gebouw. De deur is altijd open, er is hier nog nooit iets gestolen. Je kunt elkaar desnoods ’s nachts bellen voor hulp. Ik ben ervan overtuigd dat de beste manier om mensen te laten groeien is ze iets te laten doen wat ze zélf willen, niet wat de instanties willen.’ Nooshi Forozesh onderstreept dat. ‘Ik zie hoe studenten al na drie maanden opleiding veranderen, hoe blij ze zijn.’

Op talloze plekken in Amsterdam wordt veel gedaan om armoede te bestrijden, ook door veel betrokken hulpverleners. Honderd miljoen euro per jaar besteedt de stad eraan. Het unieke van de Meevaart is dat mensen een duw krijgen om hun problemen zelf aan te pakken en dat ze steun hebben aan elkaar. ‘Je moet mensen als hulpverlener niet te veel bij de hand nemen’, benadrukt Forozesh. ‘Aandacht geven is vaak genoeg. Dan kunnen ze heel veel zelf.’

Vanaf 16 maart ging ook bij de Meevaart de deur dicht, drie maanden lang. Stilzitten was geen optie. Onmiddellijk ontstond het initiatief om maaltijden te verstrekken aan kwetsbare bewoners, de voedselbanken waren ook dicht. Ineens werkten organisaties samen die dat eerder nooit deden. Via crowdfunding werd 13.500 euro aan schenkingen van buurtgenoten bijeengebracht, aangevuld met negenduizend euro van het Oranjefonds. Ingrediënten konden worden ingekocht tegen inkoopprijs, horecagroep 3WO, drie eigenaren van twintig horecaondernemingen, zetten hun koks aan het werk en in drie maanden werden zeventienduizend maaltijden verspreid via zeven uitgeefpunten. Nu de Meevaart weer gedeeltelijk open is, gaan ze daarmee door.

Inmiddels zijn de leerlingen mbo-1 en -2 geslaagd en hebben vier van hen al een baan. Van de gemeente mag de Meevaart de educatieve activiteiten uitbreiden. Een basis voor na de zomer. Alle hens aan dek nu voor verdere uitbreiding van activiteiten om straks door te gaan in de anderhalvemetersamenleving.