De lach en de traan van Jofri en Milko

‘Aandacht is een obsessie’

Augusten, narren, harlekijnen en paljassen: lachen om onhandige capriolen en domme missers is van alle tijden. Toch is het voor clowns steeds moeilijker om het circuspubliek ontroerd te krijgen. ‘Mensen zijn harder.’

Medium clowns 1

Toen Patrick Boekschooten twee jaar oud was, trokken zijn ouders hem een clownskostuum aan en zeiden: ‘Hol maar achter je grote broer aan.’ En dat deed de peuter. Sindsdien staat hij in de piste en is hij nog steeds de clown. ‘Ik wil mensen laten lachen, laten denken over het leven, ontroeren…’ Jofri, de artiestennaam van Boekschooten (35), zit wijdbeens op een plastic stoel in het midden van een schuur. Zijn armen leunen op zijn ronde buik, af en toe haalt hij uit zijn colbertje een elektronische sigaret, neemt een paar trekjes en stopt hem weer weg. Hij zoekt naar de goede woorden. Waarom is hij clown? Wat wil hij?

Helemaal achter op het terrein van een oude garage in Nistelrode tussen afgedankte vrachtwagens, hijskranen en caravans staat Jofri’s woonwagen. Tien jaar geleden heeft hij deze vrachtwagen gekocht en er een woonkamer, slaapkamer, douche, keuken en kantoor in gebouwd. Op het balkon bloeien de geraniums. Samen met zijn vriendin, hun twee honden, acht parkieten en een papegaai reizen ze hierin rond. Nu is het vakantie en staan ze op dit terrein in Brabant. Vier kippen, een haan die kleuren kan zien, en twee witte eenden scharrelen in een ren voor de wagen. Omdat een van de honden niet tegen vreemden kan, zitten wij in de schuur.

Hier oefent hij zijn grappen, zijn goocheltrucs, zijn acts. Op een blok zet Jofri dan zijn filmcamera, later kijkt hij de opnamen terug. Of het werkt, of de timing goed is, of het beter kan. En het kan altijd beter. Elke dag schaaft hij aan zijn acts. Een fractie van een seconde eerder bewegen, net een ander geluidje. Hij voelt hoe het publiek reageert. Nooit is hij tevreden. De laatste voorstelling van het seizoen misschien, maar dan nog. Jofri oefent elke dag minstens twee uur. Ook vanochtend heeft hij een paar nieuwe goocheltrucs uitgeprobeerd.

Hij kent niet anders. Met zijn ouders en hun kleine, traditionele Circus Piste trok hij het hele land rond, een lange sliert beestentrailers vol lama’s, paarden, pony’s, geiten, duiven, aapjes en runderen achter zich aan. Hij zocht in elke plaats waar zij optraden naar de dichtstbijzijnde lagere school, pakte zijn tas met zijn eigen schoolboeken, klopte aan en zei: ‘Ik ben van het circus, mag ik hier een paar dagen naar school.’ De eerste paar uur bracht hij dan meestal door met het vertellen van circusverhalen. Voor hem was het gewoon. Hij deed zijn middagdutjes tussen de kamelen, speelde met de acrobaten, trad na school op in de voorstelling, mestte daarna de stallen uit, gaf de beesten te eten. En ging repeteren. Elke dag, jongleren, muziek maken, dansen, goochelen. Vreselijk vond hij dat, maar hij heeft er veel van geleerd.

Nog steeds teert hij daarop – daarom speelt hij nu zeventien instrumenten en kan hij van alles een beetje. Het moeilijkste was die discipline, dan moest hij leren om met vijf balletjes te jongleren, niet even, maar anderhalf uur lang. Pas achteraf besefte hij dat hij ook wel dingen heeft gemist. Schoolreisjes bijvoorbeeld, spelen met leeftijdgenoten, verjaardagspartijtjes – nu treedt hij daar wel eens op als clown. Hij werd ook wel gepest. Hij was anders.

Zijn moeder werkte met de dieren, zijn vader was fakir, die liep op glas en spijkers. Dat heeft hij ook gedaan, maar hij wist al heel vroeg dat hij clown wilde worden en niets anders. Een acrobaat doet een kunstje, hij wil meer doen, hij wil spelen met de emoties van mensen. Toen op zijn twaalfde zijn ouders uit elkaar gingen, woonde hij voor het eerst van zijn leven in een huis. Hij ging met zijn moeder naar Nijmegen, waar hij na even op de havo te hebben gezeten snel overstapte naar het technisch onderwijs. Nadat hij op zijn veertiende zijn diploma timmeren en schilderen had gehaald, ging hij linea recta terug naar het circus. De muren kwamen op hem af, het huis voelde als een gevangenis. ‘Het circus is mijn manier van leven’, lacht hij.

Sindsdien, nu al achttien jaar, werkt Jofri bij het Magic Circus. Een modern stadscircus zoals ze zich noemen, met een tent voor driehonderd mensen, die vrijwel altijd uitverkocht is. Het Magic Circus is bewust niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen. Zoals overal in het buitenland trouwens, benadrukt Jofri. Er treden zo’n vijftien artiesten op, dit jaar uit Nederland, Polen, Hongarije en Peru. ‘Mensen hebben daar altijd een heel romantisch beeld van, dat we elke avond met z’n allen eten en zo, maar ik hou van lekkere Hollandse pot, de Hongaren eten liever goulash, dus na de voorstelling gaan we allemaal naar onze eigen caravan.’

Soms wordt hij midden in de nacht wakker met een idee. Een woord, een plaatje. Hij slaapt naast de computer, dan schrijft hij het op. Een act groeit. Het is er nooit ineens. Jofri maakt graag verhalen, zo ergerde het hem dat hij als clown nutteloos tussen de Russische acrobaten moest lopen. Toen verzon hij het verhaal dat hij een roos wilde geven aan het meisje dat door twee mannen de lucht in wordt gegooid. Hij loopt met die roos, de mannen weerhouden hem, maar aan het einde lukt het. Woordspelletjes, daar houdt hij van. Zoals ‘Esmeralda de levende kanonskogel’, waarbij een kip wordt afgeschoten. De plofkip. Die valt daarna als een rubberen kip uit de nok van de tent. Of die keer toen hij een groep loopeenden van een collega overnam, hij dacht aan wc-eend, toiletborstels, en uiteindelijk had hij een heel decor vol met gele toiletcabines en een act met die eenden. Hij wijst naar de hoek in de schuur: ‘Daar staan de gele wanden nog.’

Jofri is anderhalve maand geleden, samen met zijn gelegenheidspartner Hilbert, Nederlands kampioen goochelen 2013 geworden. Met ‘een schijnbaar authentiek goochelnummer’, zo schrijft de jury, ‘dat toch telkens heel anders verliep dan de vele professionele goochelaars op het festival hadden gedacht. Zeer verrassend, veel humor en zeer vernieuwend!’ Maanden hadden ze hiervoor gerepeteerd. Ze wilden iets doen met een hoed waar ze een lint uit zouden halen, maar aan dat lint zou geen einde komen. Tweeënhalve maand heeft hij gerepeteerd om vijfhonderd meter lint uit een hoed te laten komen. Dat vergt een ingenieuze truc waarbij het via de tafel steeds wordt aangevuld.

‘Maar toen ik hiermee optrad in het circus bleek het helemaal niet grappig’, vertelt Jofri. Hij haalt zijn elektronische sigaret weer te voorschijn. ‘Het was te lang.’ Honderd meter bleek genoeg. Dat hebben ze gebruikt voor het kampioenschap, samen met zes ringen die aan elkaar vast gaan zitten – ‘wat volgens echte goochelaars helemaal niet kon’ –, getover met vijf balletjes, en dat verpakt in een komisch jasje. ‘Dat maakte het verschil.’

Zijn goochelkunsten gebruikt hij ook in de piste met zijn clownsacts. Dan laat hij bijvoorbeeld een kind snoepjes pakken, steeds meer, voor zichzelf, haar broertjes, zusjes, ouders, opa, oma. Totdat ze een enorme bak snoepjes heeft verzameld. Dan zegt hij dat hij er één groot snoepje van gaat toveren. Maar er gebeurt niets. Totdat het kind de snoepjes mee wil nemen: dan zitten al die veertig snoepjes opeens aan elkaar vast, als een ketting. ‘Mensen voelen de verwondering van het kind. Dat is mooi, die verbazing over de wereld.’

Zijn eerste leermeester was acteur Jack Wouters, die destijds bij zijn ouders in het circus werkte als clown. ‘Jack zei, ik was een jaar of negen, dat ik aan het eind van mijn optreden in plaats van me om te draaien juist naar voren moest lopen en de halve cirkel moest volgen.’ Het werkte. Dat vergeet hij nooit meer. Hij kijkt ook naar andere clowns, bijvoorbeeld Oleg Popov, de beroemde Russische clown. Die kan uren bezig zijn met een klein detail uit zijn act. Dat doet Jofri ook. Heel precies. Hij leert nog steeds van andere clowns, maar het circuswereldje is klein, hij gaat daarom ook naar het toneel, straattheater, dans. En hij kijkt eindeloos naar gewone mensen. Terwijl hij op een terrasje zit, bestudeert hij bewegingen. Bijvoorbeeld twee mensen die een gesprek voeren op straat. Zo doet hij nieuwe inspiratie op. ‘Ik praat zelden in mijn voorstelling, maar door hoe ik beweeg, zeg ik dingen.’ Hij zoekt in zijn jasje zijn e-sigaret.

‘Je moet de emoties van mensen begrijpen om goede grappen te kunnen maken’, vervolgt hij. ‘En dat is heel hard werken.’ Veel beginnende clowns, die zo’n zeven, acht jaar bezig zijn, komen dan naar hem en hebben het gevoel dat ze klaar zijn. ‘Maar ze komen net kijken!’ glimlacht hij. ‘Dan begint het pas.’

Jofri is een perfectionist. Hij maakt alle kostuums en rekwisieten zelf. Hij wil zijn eigen ding doen. Daarom ook heeft hij geen ambitie om naar het jaarlijkse festival in Monte Carlo te gaan, waar de Gouden Clown wordt uitgereikt. Hij past niet in een zaal met vijfduizend mensen, vindt hij. Liever stopt hij zijn energie in mooie acts. Zoals die met dat straaltje water. Jofri en een kind uit het publiek nemen allebei een slokje water en spugen dat uit. Dat doen ze nog eens, met twee straaltjes, dan nemen ze een heel glas water. Het kind spuugt dan net vijf keer een straaltje, Jofri 120 keer. ‘Daar heb ik vijf jaar voor geoefend’, zegt hij met trots.

Clownshumor bestaat niet, vindt Jofri. Er zijn zoveel soorten. Hij is bijvoorbeeld niet een traditionele clown, draagt geen grote schoenen of een rode dopneus en een pruik. Dat zijn meer de klassieke Augusten, waarbij water huilend uit de ogen komt en de broeken afzakken. Jofri is meer een theaterclown, een beetje poëtisch. Hij houdt niet van clowns die mensen uit het publiek voor gek zetten en daarmee zelf grappig lijken, zoals de moderne trend is. Hij is juist clown geworden omdat mensen hém grappig vinden. Met hem beleeft het publiek een avontuur, dat is wat hij wil. Iets spannends, verwondering brengen.

‘Mensen zien zichzelf in een clown’, verklaart Jofri. ‘Iedereen valt wel eens van een trap. Als het jezelf overkomt, vind je dat vreselijk. Je kijkt snel om je heen of niemand het gezien heeft. Maar wij doen dat expres. Ik hoop juist dat zo veel mogelijk mensen het zien.’ Zijn acts zijn om te lachen, maar ook wil hij zeggen: ‘Mensen, neem jezelf niet zo serieus, respecteer een ander zoals die is.’

Milko Steyvers (51), de directeur en de clown van Circus Herman Renz, noemt zichzelf juist een echte August. Hij speelt graag de domme clown. Hij laat in de woonwagen waar het kantoor is van het circus het kleurrijke programmaboek zien waar hij samen met zijn partner Frenky op staat. Ze spelen al twaalf jaar samen. Een August is van oudsher de grappenmaker, met bijvoorbeeld enorme geschminkte rode lippen in een lach of de ogen in een permanente huilstand. Een clown was vroeger de lange, in dure witte kleren gehulde en wit geschminkte partner van de August. De clown is een heer, de August een knecht. Milko en Frenky spelen de traditionele clownsact. Frenky is de lange, magere clown, terwijl Milko de kleine, ronde is. Frenky is de witte clown, de aangever, de bijdehante. ‘Bij hem gaan ook dingen mis, maar dat komt door mij, ik doe domme dingen bij hem’, lacht Milko. ‘Frenky probeert het goed te laten komen, iets moois te doen, ik geef er een draai aan zodat het juist niet goed komt.’

Milko woont met zijn gezin op het terrein in Helmond, de thuishaven van Circus Herman Renz. Het is het grootste circus van Nederland, heeft een tent voor 1200 mensen en 85 artiesten treden elk jaar op. Nu het vakantie is, staan hier de rode wagens en de dieren in de stallen. Zijn hele familie werkt in het circus. Milko’s dochter doet de kassa en de boekhouding, zijn zoon studeert nog, maar wil later alle techniek gaan doen, zijn moeder was spreekstalmeester, koorddanseres en tourneemanager, nu is ze 72 jaar en ‘de moeder van alle artiesten’. De rest van de circusartiesten is voor deze maand naar huis, naar Argentinië, Colombia, Portugal, Hongarije… Twaalf nationaliteiten werken er bij Herman Renz. Zondag komen ze allemaal terug. Dan gaan ze met vijftig transportwagens, caravans en auto’s naar Woerden, bouwen het circus op en beginnen dinsdag met spelen. Ze zijn daarna tot januari volgend jaar onderweg.

Toen Milko zeven jaar was reed hij op zijn fietsje langs het toenmalige Circus Renz. De opa van Herman Renz, die over een hekje leunde, riep hem. ‘Hij zag dat ik een dwerg was, een klein mannetje, en zei: vraag eens aan je vader en moeder of ze met jou een voorstelling willen zien’, vertelt Milko, terwijl hij half op de bureaustoel zit, half staat, alsof hij weer die opwinding van het kind voelt. Hij fietste als een speer naar huis. Drie maanden later had hij zich samen met zijn moeder aangesloten bij het circus. ‘Voor mijn moeder was het een ontsnapping uit haar huwelijk’, zegt hij. ‘Voor mij was het een droom.’ Haar nieuwe man die ze in het circus ontmoette, voedde Milko verder op. Milko wist altijd al dat hij clown wilde worden. ‘Ik vond het leuk om mensen aan het lachen te maken. Ik vond die aandacht leuk, en dat vind ik nog steeds. Het is een obsessie. Er is niets mooiers dan bij 1200 mensen een glimlach op het gezicht te toveren.’

Twee jaar nadat hij en zijn moeder zich hadden aangesloten bij het circus vond de broer van de directeur en tevens de clown dat hij de piste in moest. Milko was toen een jaar of negen. Zijn moeder had een klein gestreept truitje voor hem gemaakt, met een geruit broekje. Hij werd geschminkt en hij toen moest hij rondjes lopen en roepen: ‘Het is waar, het is waar…’ ‘Wat is er dan waar?’ vroeg de clown. ‘Op mijn vaders knikker groeit geen haar’, antwoordde hij. Milko lacht. ‘Toen vond ik dat geweldig. Die man was een grote leermeester voor me, de beste clown die er is’, vindt hij nog steeds. Maar zijn allergrootste voorbeelden zijn toch Laurel en Hardy. Hij heeft ze zelfs groot op zijn rug laten tatoeëren. Stomme humor. ‘De mimiek van de dunne, wat hij alleen al met zijn lippen uit kan drukken’, zegt Milko. ‘Dan lach ik al. Die humor is tijdloos.’

In 1996 nam hij, nadat Herman en Diana Renz waren omgekomen door een koolmonoxidevergiftiging in hun woontrailer, het circus over. Maar hij bleef daarnaast altijd werken als clown. Er valt al zo weinig te lachen, voor hem is dat de sport: mensen alles te laten vergeten. Het publiek in de maling nemen. Dat vindt hij leuk. Milko grinnikt. Dit jaar doen ze een gooi- en smijtnummer, met veel zeep en schuim. Tien minuten lang, hij geniet er elke keer van. Acts die het goed doen, gebruiken ze na vijf jaar weer. Zij vullen samen de pauzes op, als het decor verwisseld wordt en opgebouwd. Dat is Milko’s sterke kant, vindt hij. De nummers aan elkaar praten, tijdens de tweeënhalf uur durende voorstelling. ‘Korte dingen vind ik heerlijk.’

Vroeger lachten mensen al als hij zich liet vallen – grappig, een dwerg die valt. Nu moet hij zich meer bewijzen. Hij moet er harder voor werken. Maar een act repeteren, dat doet hij niet. Pas in de piste proberen Milko en Frenky een idee uit en merken ze aan de ‘lachers’ wat wel en niet werkt. Zo bouwen ze een act verder op. Soms is hij de verdrietige clown. Zo is hij heel blij met een speeldoosje waar Vader Jacob uit komt als je het opendoet. Maar Frenky maakt het doosje kapot en gooit het in de vuilnisbak. ‘Dan moet ik echt huilen’, vertelt Milko. Hij laat zich uit zijn stoel zakken. ‘Maar het moet natuurlijk goed aflopen, als ik dan mijn zakdoek in de vuilnisbak gooi, speelt de vuilnisbak Vader Jacob. Dat is poëtisch.’

Een clown die ontroert, doet hetzelfde als een clown die laat lachen. Maar ook dat is moeilijker geworden, vindt Milko, mensen ontroerd te krijgen. ‘Mensen zijn harder.’

Toch vindt hij het circus nog steeds het mooiste wat er bestaat. Hij houdt vooral van het applaus na de voorstelling. ‘Daar doe ik het voor’, erkent hij, en hij loopt de trailer uit. ‘De wereld zit vol problemen, in tweeënhalf uur laten wij mensen even alles vergeten.’ Als in een sprookje.

‘Maar het is in feite keihard knokken’, besluit hij terwijl hij langs de paardenstallen loopt, de wagens met kostuums, de oude reclameborden van optredens die in de hoek van de grote schuur staan, naast een oud hobbelpaard. ‘In de piste ben ik clown, maar als directeur heb ik veel zorgen voor de toekomst.’ Circus Herman Renz krijgt vaak de enorme tent niet meer vol. Milko Steyvens is opeens veranderd, hij kijkt serieus. ‘Ik denk dat ik volgend jaar zo’n vijftien man minder kan aannemen. Het zijn moeilijke tijden. Mensen gaan niet meer zo vaak naar het circus.’


Beeld: (1) Patrick Boekschooten alias Clown Jofri van het Magic Circus tijdens een optreden in Amsterdam-Noord. Foto Privécollectie Joffri; (2) Milko Steyvers (links), clown en directielid bij Circus Renz, tijdens een optreden in Westmaas Foto Arie Kievit / HH