Aangetaste monumenten

Wereldkampioenschappen zijn niet beleefd. De camera’s wenden zich niet af op het moment dat iemand zijn aureool verliest. Sterker nog: ze herhalen het. Jongbloed die het rollertje van Müller voorbij ziet hobbelen. Rensenbrink en de paal, op het met confetti bestrooide veld in Buenos Aires. Maradona met de tranen in zijn ogen. Maradona met de doping in zijn ogen. De mannen die penalty’s missen: Zico, Waddle, Baggio. Achteraf blijken dat de fatale momenten te zijn geweest. Momenten waarop een loopbaan knakte. De wereldwijde, eindeloos herhaalde close-ups, de beelden die geen enkele televisiekijker vergeet, daar herstelt een voetballer niet van. De schaduw van dat moment schudt hij nooit meer af.

In de loop van de jaren is de cameravoering zelf topsport geworden. Ze staan aan alle kanten van het veld, hangen boven het stadion, rijden mee langs de zijlijn. Alles om de momenten van triomf in alle glorie te vangen.
Maar die camera’s registreren niet alleen geluk. Elke keer dat er een doelpunt valt is ook de verliezer in beeld. Van even dichtbij, en daarom juist zo ontzettend pijnlijk. Het besef van het onheil slaat voor onze ogen toe. Gezichten die schreeuwen van woede, verduisterde gezichten, het prachtig versteende gezicht van Warren Barrett, de keeper van Jamaica, bij het zoveelste tegendoelpunt. En terwijl vreugde een emotie is die iedereen ter wereld mag weten, is dit verdriet nu juist iets dat de eigenaar liever voor zichzelf zou houden.
Helemaal treurig wordt het op momenten waarvan duidelijk is dat er geen herstel meer zal volgen. Dat de weg hierna alleen nog maar omlaag leidt. Momenten waarop iedereen behalve de speler zelf beseft dat zijn mooiste actie in het verleden ligt.
Vorige week was het zo ver met Omam-Biyik, de spits en aanvoerder van Kameroen. Ik had hem al een tijd niet gezien, maar van de vorige toernooien herinnerde ik me hem als een zwarte Nanninga. Onverslaanbaar in de lucht, gehavend maar met een superieure kalmte. Nu, tegen Italië, kende ik hem niet terug. Hij verloor kopduels. Hij verwelkte nog ver voor de zestien meter. Een paar keer sjokte hij moedeloos met de bal aan de voet een vergeefse hoek in, een felle Italiaan in de rug, helemaal alleen op weg naar balverlies. Het gekke was dat hij bij deze acties geen camera tegenkwam. Hij werd alleen van achteren gevolgd. We kregen niet meer te zien dan zijn gebogen rug. Alsof hij zo het beeld uit zou sjokken, het stadion uit, het einde van een loopbaan tegemoet.
Er steekt schaamte in zulke beelden. Zoiets zie je liever niet. Het is bijvoorbeeld niet goed om Trifon Ivanov op zijn rug te zien vallen. En toch werd ons dat getoond, vorige week, twintig keer achter elkaar. Ikpeba, de watervlugge aanvaller van Nigeria, maakte een heel bijzondere lichaamsbeweging. Hij deed alsof hij de bal aannam, maar liet hem lopen en zette zo alle Bulgaren op het verkeerde been. Inclusief de oude Ivanov. De camera ving, in de draai naar de Nigerianen die weer aan zo'n dansje begonnen, nog net zijn gezicht terwijl hij overeind ging zitten. Er stond een blik van verwildering op.
Maar het ergste was Schmeichel. Een van de weinige zekerheden in de jaren negentig werd door een tiener uit Zuid-Afrika onteerd. Benni McCarthy schoot de grote blonde man door de benen. Geen hard schot, meer een haastig tikje. De verdedigers stonden er onthutst bij. Ze hadden liever met 5-0 verloren dan dit. Zoiets doe je niet met Schmeichel. Een monument speel je niet door de benen. En als het al gebeurt, dan zeker niet in beeld. Dan wend je de camera af. Dat is een kwestie van beleefdheid.