Aanklacht tegen het leven

Binnenplaats van de Dossinkazerne in Mechelen, 1942 © JMDV / Fonds Kummer

‘De kerende oorlogskansen tegen het eind van 1942 zijn als een zwart gat. In alle stilte worden de sterren eromheen aangetrokken.’ ‘Vanaf november 1942 herijken de overheden in bezet België hun beleid.’ ‘Einde 1942 liepen zeer velen haastig het “witte kamp” in.’

Aldus drie zinnen uit de verrassende studie van de huidige rector van de Universiteit Antwerpen, Herman Van Goethem, over het oorlogsjaar 1942. Over dat jaar en in het bijzonder over de grote internationale gebeurtenissen daarin – El Alamein, Stalingrad, verschijning van de VS op het Europees toneel – is veel geschreven. Van Goethem richt zich op het effect van deze internationale gebeurtenissen op lokaal niveau, in het bijzonder Antwerpen. Hiermee komt hij tot de volgens mij juiste stelling dat eind 1942 een keerpunt plaatsvond dat niet alleen de koers maar ook het beeld van de oorlog veranderde, of beter vertroebelde, mooier maakte dan de werkelijkheid.

De buitenlandse joden waren twee keer kwetsbaar: als jood en als vreemdeling

De belangrijkste gebeurtenis van 1942 in Antwerpen (en in veel andere Europese steden) was de deportatie van de joodse bevolking. Van die deportatie was relatief weinig bekend tot Lieven Saerens in 2000 het boek Vreemdelingen in een wereldstad: Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944) publiceerde. Het was deze publicatie die jurist en historicus Van Goethem, toen voorzitter van de Antwerpse historische faculteit, tot de vraag bracht wat de rol van het lokaal bestuur, de eigen politie en collaborateurs bij die deportatie was geweest. Saerens had weliswaar gesteld dat de politie nauw betrokken was, maar ook dat het bestuur, met name in de persoon van burgemeester Leo Delwaide, slechts toegekeken had. Maar kon dat kloppen? Hadden de Duitsers zonder bemoeienis van het plaatselijk bestuur hun gang kunnen gaan? Nee natuurlijk. ‘Ten stadhuize werd in 1942 actief meegewerkt aan de voorbereiding van de Jodenrazzia’s’, schrijft Van Goethem. ‘Burgemeester Delwaide voerde einde juli een grondige reorganisatie van de politie door, waarbij de “zwarte” agenten zo veel mogelijk in de “Joodse” zesde wijk werden geconcentreerd.’ Resultaat: de razzia’s verliepen ‘vlekkeloos’.

Op het moment dat de Duitsers België binnenvielen, woonden er zo’n dertigduizend joden in Antwerpen. Slechts tien procent daarvan – en dat onderscheidt de situatie fundamenteel van die in bijvoorbeeld Amsterdam – had de Belgische nationaliteit. De overgrote meerderheid was buitenlander en verbleef pas sinds enige jaren in de stad. Zij waren vluchtelingen en dus twee keer kwetsbaar: als jood en als vreemdeling. Dat bleek ook tijdens de deportaties: de Belgische joden werden gespaard, zij kwamen pas in 1943 aan de beurt. De buitenlandse joden werden in de loop van een paar maanden, tussen juli en september 1942, opgepakt en naar de Mechelse Dossinkazerne, het Belgische Westerbork, gebracht. Volgens een spraakmakende stelling van Saerens was het aantal uit Antwerpen gedeporteerde joden veel groter (68 procent) dan dat uit andere steden (minder dan 40 procent). Van Goethem relativeert dit cijfer. Het ligt inderdaad boven het Belgisch gemiddelde van 45 procent, stelt hij (dat van Nederland ligt overigens op 75 procent), maar toch lager dan Saerens veronderstelde.

Het zijn niet dit soort stellingen die Van Goethems boek zo bijzonder maken. Dat heeft andere redenen. Om te beginnen is er de centrale stelling: dat niet alleen de Antwerpse magistratuur maar ook de in het buitenland (Vichy, Londen) verblijvende ministers en talloze anderen, van hoog tot laag, na de nederlaag van Rommel in El Alamein (november 1942) en Paulus en anderen in Stalingrad (januari 1943) beseften dat de geallieerden de oorlog zouden winnen en om die reden hun jasje keerden. ‘De Grote Ommekeer moest wel kundig worden versluierd’, schrijft Van Goethem. ‘Uiteindelijk ging het stilzwijgen zelfs over in vergeten.’ Vandaar, bijvoorbeeld, dat burgemeester Delwaide ook na de oorlog in Antwerpen een vooraanstaande positie kon innemen. Daarbij verkeerde hij op zo goede voet met de joodse gemeenschap dat hij het zelfs tot ereburger van Haifa bracht. Zijn dood in 1978 werd in het Belgisch Israëlitisch Weekblad dan ook diep betreurd. Van zo’n omkering van zaken geeft Van Goethem vele voorbeelden, zoals dat van de politiemacht van het stadsdistrict Deurne. Toen hier in 2017 de razzia’s van 75 jaar eerder werden herdacht, draaide de plechtigheid geheel om de manmoedigheid van het politiecorps dat inderdaad vrijwel collectief in het verzet was gegaan, ten koste van 35 slachtoffers. Hierbij hoort echter wel één kleine doch betekenisvolle kanttekening: dat dit verzet pas eind 1942 begon. Enkele maanden eerder was datzelfde corps, zoals heel de Antwerpse politiemacht, nog nauw betrokken geweest bij de razzia’s.

De wijze waarop Van Goethem de talloze stuitende zaken opschrijft is dermate uniek, gedurfd, begripvol en geladen dat 1942 wat mij betreft met kop en schouders uitsteekt boven het gebruikelijke oorlogsboek. Uniek is de vorm waarin een strakke chronologie vol kleine verhalen over individuele gebeurtenissen, gebaseerd op diepgravende archiefkennis, afgewisseld wordt met beschouwingen, actualiteiten, eigen herinneringen en familiegeschiedenis. Gedurfd is het boek omdat het niets schuwt, niets achterwege laat, ook niet de schijnbaar niet ter zake doende emoties van de auteur. Begripvol is 1942 omdat het weliswaar vooral mededogen toont voor de slachtoffers, maar ook de daders mensen laat zijn. En geladen is het boek omdat het op elke pagina blijk geeft van een onder historici zeldzaam engagement. Dit engagement maakt van 1942 veel meer dan een geschiedenisboek. Het is een aanklacht tegen het leven.