John Milton, Het paradijs verloren

Aanklacht tegen Satan

John Milton

Het paradijs verloren

Vertaald door Peter Verstegen, met alle prenten van Gustave Doré

Athenaeum-Polak & Van Gennep, 547 blz., € 49,95

Na de publicatie van Paradise Lost, in 1667, spraken tijdgenoten over de «matchless» John Milton en sloegen sommigen hem hoger aan dan Homerus en Vergilius. Voltaire schreef een enthousiaste studie over het epische gedicht, dat door onder anderen Chateau briand in het Frans werd vertaald. In de negen tiende eeuw werd Milton door de meeste critici geprezen wegens zijn sublieme literaire vorm, waarbij zijn ideeën en politieke rol over het algemeen verdonkeremaand werden. Romantische dichters als Shelley en Blake daarentegen vereerden hem vooral omdat ze in hem een rebel zagen. Zij kwamen met een bewust foutieve interpretatie van Paradise Lost, en stelden dat het epische gedicht in feite een lofzang was op de opstandige Satan. Hoewel Milton in de Engelse burgeroorlog de zijde van de Puriteinen had gekozen, verscheidene pleidooien voor burgerlijke vrijheden en democratische waarden had geschreven, in 1649 een principiële verdediging van de executie van Karel I had gepubliceerd, en een belangrijk adviseur van Cromwell was geweest, is het onzin om in hem een revolutionair tout court te zien.

Het paradijs verloren, zoals het werk in de uitstekend geannoteerde en bewonderenswaardig leesbare vertaling van Peter Verstegen heet, is een aanklacht tegen de rebelse Satan, die de argeloze en wilszwakke Adam en Eva een loer draait. Het boek opent met de revolte van Satan en de andere gevallen engelen tegen God, die hen op verpletterende wijze verslaat. In zijn residentie — waarvoor Milton het woord Pandemonium bedacht — overtuigt Satan de andere duivels ervan dat een rechtstreekse confrontatie met de hemelse heerscharen tamelijk zinloos is en dat het slimmer is het kort daarvoor gecreeerde paradijs te saboteren. Vanuit de hemel ziet God wat Satan van plan is, maar omdat hij de pas geschapen mens heeft uitgerust met een vrije wil, zodat hij de verleiding in beginsel kan weerstaan, grijpt hij niet in. Vermomd als slang haalt Satan Eva over om van de boom der kennis te eten, waarmee ze in één klap alle zeven hoofdzonden begaat.

In Genesis 3 wordt deze hele affaire in slechts enkele regels afgehandeld. Milton daarentegen pakt goed uit en bij hem beseft Adam onmiddellijk dat zijn vrouw verloren is. Even overweegt hij nog de mogelijkheid dat hij Eva laat vallen en aan God zal vragen een nieuwe vrouw te maken. (Miltons eigen huwelijk was ook zeer problematisch geweest, en zijn pleidooi voor het recht op echtscheiding had nogal wat aanhangers gekregen, die bekend stonden als de Divorcers of Miltonists.) Adams liefde voor Eva is echter zo groot dat hij solidair met haar is en ook zondigt. Aanvankelijk bevalt dat heel goed, omdat bij beiden plots de wellust ontwaakt. «Hij greep haar hand, leidde haar willig naar/ belommerd oevergras, rijk overhuifd/ met een groen loofdak, een bebloemde glooiing/ vol affodil, viooltjes, hyacinten, de zachtste en meest frisse schoot der aarde./ Daar laafden zij zich, zwelgend in hun liefde/ en liefdes lust, het zegel van hun schuld,/ troost in hun zonde, tot een milde slaap/ hen, door het minnespel vermoeid, bedwong.» Ze ontwaken echter met een kater, en ontdekken dat hun mooie leventje voorbij is. Voordat ze uit het paradijs worden gegooid laat aartsengel Michaël eerst nog zien welke ellendige geschiedenis hun nakomelingen te wachten staat alvorens de mensheid door Gods zoon zal worden verlost.

Dat het bovenstaande citaat niet rijmt, valt niet te wijten aan gemakzucht van de vertaler. Milton was er zelf van overtuigd dat rijm «de uitvinding van een barbaarse tijd» was, een hulpmiddel waarmee dikwijls werd gepoogd «een jammerlijke inhoud en een hinkend metrum goed te maken». Dat heeft hem in de loop der jaren veel kritiek opgeleverd. In zijn Lives of the Poets (1779) verwoordde Samuel Johnson het door velen gedeelde bezwaar dat zonder rijm de lezer al spoedig de weg kwijtraakt in die eindeloos voortslingerende zinnen. Vooral wanneer het werk wordt voor gedragen is dit gevaar groot. Johnson citeerde een criticus die had gesteld dat rijmloze poëzie «seems to be verse only to the eye».

De hedendaagse lezer zal echter vooral instemmen met de andere kritische kant tekening die Johnson plaatste. Hoewel hij erkende dat Paradise Lost een wijs boek en een literair meesterwerk was, was het een groot bezwaar dat het boek niet, zoals alle andere literatuur, handelde over de human passions. Vóór de zondeval bestonden die menselijke hartstochten immers niet, en zodoende moeten we ons door de eindeloze redevoeringen en beraadslagingen van God, zijn zoon, Satan en nog wat andere onnatuurlijke figuren heen worstelen. Van identificatie met de hoofdpersonen kan eenvoudig geen sprake zijn, zodat het eigenlijk een vermoeiende opgave wordt om het boek uit te lezen. Volgens Johnson betreurt geen enkele lezer het wanneer hij het boek uit heeft: «We lezen Milton om iets te leren, trekken ons daarna afgemat en overbelast terug, en zoeken onze ontspanning elders; we laten onze meester in de steek en gaan op zoek naar gezelschap.»