Max Niematz, Tweemaal Flip & een borsalino

Aannemelijk moralisme

Max Niematz

Tweemaal Flip & een borsalino

Uitg. Contact, 380 blz., € 22,50

Voordat ik het wist, was ik volkomen gewend aan de merkwaardige zinnen die Max Niematz ons in zijn roman Tweemaal Flip & een borsalino voorzet. Niet dat ze erg afwijken van wat men «normaal» taalgebruik noemt. Ook sloegen ze me niet om de oren met knalharde metaforen of met gewaagde woordvolgordes. Het eigenaardige is dat er niks mee aan de hand lijkt; ze brengen het verhaal wel degelijk steeds een stap verder, maar het gaat om de manier waarop dat gebeurt.

Niematz is erin geslaagd zijn uitermate merkwaardige verhaal op zo’n laconieke, luchtige wijze te vertellen dat de vreemdheid ervan geheel aan het oog onttrokken raakte en ik het aannemelijk begon te vinden dat een PTT-beambte en zijn vriendin ergens in de jaren tachtig naar Borneo vertrekken om daar een voormalige schoolvriend te bezoeken.

Maar vreemd blijft het. Neem de start van deze roman. Waar andere schrijvers uitvoerig zouden uitpakken over de puberteit van een jonge held, compleet met uitvoerige ruzie scènes met huisgenoten, slaagt Niematz erin alles in enkele geestige, ingehouden zinnen neer te zetten. «Waldo’s zussen hadden bij hen thuis de beste kamer, de grote op de eerste verdieping. Vroeger sliep hij daar ook, tot op de dag dat hij onder de kraan in de bijkeuken een emmer zag staan waarin bloederige pannenlappen dreven. Nieuwsgierig als altijd liep hij naar zijn moeder, die achter in de tuin bezig was, en vroeg haar wat ze zouden eten die avond. Ze gaf geen antwoord, maar terug in de keuken zei ze ineens: ‹Wat zou je ervan vinden om naar ’t zolder te verhuizen jongen?›»

Misschien ligt het aan mij, maar ik heb hier om geschaterd. Niet alleen om de terloopse en onzinnige verbanden die Niematz zijn held laat leggen tussen eten en tekenen van vrouwelijke vruchtbaarheid, maar ook omdat hij de evidente onnozelheid van zijn held niet expliciteert, maar haar feilloos demonstreert.

Zo werkt Niematz in zijn hele roman. Hij heeft het over kolonialisme, het existentialisme, over vrijwilligerswerk in verre landen, over vriendschap en seksualiteit omdat zijn roman nu eenmaal in de tijd speelt — vanaf de late jaren vijftig tot in de jaren tachtig — toen dit soort zaken in de middenklasse tot de gewone gespreksonderwerpen behoorde. En ik kan het weten.

Maar hij geeft er geen oeverloze explicaties bij, of zware terugblikken die alles in een helder en prettig licht moeten plaatsen, waarbij we ons met terugwerkende kracht alsnog prettig kunnen voelen en beseffen dat we allemaal een Hoger Doel aan het dienen waren. Bij hem vind je hoogstens uitermate geestige rationalisaties en observaties erover, die alles ineens op losse schroeven zetten.

Max Niematz is een ware meester in de banalisering van hoogdravende praatjes, waarbij hij de tragische kanten van menselijke illusies niet uit het oog verliest. De manier waarop hij theorieën over seksualiteit weerlegt door de praktijk ervan ongegeneerd weer te geven, is meer dan geestig.

Ontwikkelingshulp is bij Niematz een aaneenschakeling van misverstanden en verkeerde inschattingen over de ideeën van de plaatselijke bevolking. Zijn schets van een missiepost op Borneo is ongekend in de Nederlandse letteren en zijn weergave van pogingen van missiewerkers om ondanks alles in vreemde streken toch een Brabantse sfeer in stand te houden, is hartverscheurend.

Bij hem geen zware debatten over de zin van geestelijke opvoeding van koppensnellers op Borneo, maar wel puntige, concrete en geestige beschrijvingen van dwaaltochten door de jungle en van het doen en laten van paters in de jaren tachtig op Borneo, die de verpletterende verveling met ongein en onzin probeerden te bestrijden.

Wat doe je ’s avonds in de jungle wanneer er niks meer te doen valt? Welke spelletjes doe je? En hoe vaak moet je de priesterlijke werkkleding uitwassen? Hoe berg je ze op als er geen ruimte is? Voor deze platvloersigheden heeft Niematz een feilloos en ontwapenend oog. Bij hem verdwijnt zo ongeveer elk maatschappelijk idealisme van alle personages achter een wolk van huiselijke handelingen of onzinnige rationalisaties daarover. Bij Niematz wordt ieder menselijk handelen direct aannemelijk omdat hij geneigd is de logica ervan net zo lang te kneden tot ze volkomen aanvaardbaar is. Menselijk handelen is bij Niematz altijd vanzelfsprekend.

Wie voor de zekerheid nog eens wil weten of ontwikkelingswerk in verre en warme landen wel zinvol is of was, kan het beste alle sociologische handboeken daarover van de hand doen en in plaats daarvan zo snel mogelijk deze roman lezen. De lust vergaat je on middellijk omdat Niematz de tragische kanten ervan onbevangen concreet en licht weet te beschrijven, bijna logisch, zonder dat hij al te botte aanvallen doet op de idealisten die destijds met volle inzet dit soort werk deden.

Natuurlijk is Niematz een moralist, welke schrijver is dat niet, maar hij heeft een toon en een stijl gevonden die moralisme tot een must maakt; die moralisme zichtbaar maakt zonder dat je er gelijk over valt, omdat je er ook keihard om kunt lachen.