Aanpassen, niet omkijken

De Indische schrijver Tjalie Robinson, pseudoniem van Jan Boon (1911-1974), schreef in 1955 aan een collega: ‘Ik ben, mevrouw Dermoût, een blootvoetig kind van de vrije zeeën en de vrije bergen. Ook al zou men mij mijn dood voorspellen, ik blijf vechten tegen een onrecht dat mij niet persoonlijk bedreigt, maar ons cultureel geweten (als er zoiets bestaat).’

Eveline Stoel, Asta’s ogen. De levenskracht van een Indische familie. € 19,90

Medium d d eveline stoel asta

Tjalie Robinson was nooit zwijgzaam of bescheiden over zijn afkomst, hij schikte zich niet in heersende vooroordelen over de gedweeë Indo als marginale mengbloed. Landdier noch waterdier, volgens een ooit gangbare analogie, Tjalie gruwde ervan. Voor hem was de Indo sui generis. De kinderen van blank en bruin uit de voormalige kolonie moesten zich juist emanciperen, zich roeren en zich uitspreken om hun unieke geschiedenis niet verloren te laten gaan. Maar zelfs een verbale straatvechter als Tjalie was nooit helemaal zeker van zijn zaak (‘als er zoiets bestaat’), de uitkomst van zijn strijd tegen passiviteit en tegenwerking, en, nog erger, tegen de vergetelheid, beschouwde ook hij als ongewis.
Hoe moeilijk het voor Indische mensen is om hun verhalen vast te houden, blijkt uit het boek Asta’s ogen van journalist Eveline Stoel (1971). Stoel, zelf niet Indisch, beschrijft het riches to rags-verhaal van matriarch Asta Hoyer, geboren in 1917 in Soerabaja en gestorven in Oss in 2002. Ik loop overlijdensadvertenties altijd even na, een niet meer af te leren gewoonte, en mijn blik blijft altijd steken bij geboorteplaatsen in Nederlands-Indië. Banjoewangi, Poerworedjo, Buitenzorg, Pematang Siantar. Ik besef dat de dag dichterbij komt dat al die romantische namen, vaak in de oude spelling, niet meer zullen opduiken in de rouwkolommen. Asta Hoyers leven verloopt typisch: van idyllische jeugd naar de donkere oorlogsjaren en de hellevaart van de bersiap, tot de vlucht naar Nederland, dat nooit een land van het hart zou worden. Even typisch was haar neiging om over het verleden te zwijgen. Haar vele kinderen volgden hun moeder in deze houding. 'Niet klagen, maar dragen’ was het motto van deze gedecideerde vrouw en nieuwe generaties durfden niet verder te vragen.
Dat Asta’s levensverhaal nu toch openbaar is gemaakt komt door de inspanningen van Stoel, die door geduld en overredingskracht en haar eigen plaats binnen de clan - haar partner is een van Asta’s kleinzonen - stukje bij beetje de geschiedenis van deze bijzondere én exemplarische Indische familie heeft weten samen te stellen. Een voorbeeldige klus, Asta’s ogen is een vloeiend boek geworden, helder van opzet en fijn van detail, nuchter maar barmhartig. In interviews vertelt Stoel dat ze voor het eerst nadacht over het documenteren van haar schoonfamilie toen ze in verwachting was van haar eerste kind. Haar verlangen haar kind niet zonder verhalen van die kant van de bloedlijn te laten opgroeien gaf haar, een relatieve buitenstaander, een goed excuus om vragen te stellen en niet op te geven.
Behalve door nieuwsgierigheid wordt het boek voortgedreven door een aangename verontwaardiging. Duidelijk voelbaar is Stoels verbazing over haar onwetendheid over het leven op en de Nederlandse verbondenheid met de voormalige kolonie. De archipel, waar de eerste Nederlander al in 1596 voet aan wal zette, blijkt na navraag zo veel meer dan een schandvlek, blinde vlek of vergeelde ansichtkaart.
Nederlands-Indië. 'Dat het Nederlandse deel van die benaming waardevoller was dan het Indische, wist Asta als klein meisje al.’ Voor families van gemengd bloed geldt in de kolonie: hoe blanker, hoe beter. In de eerste helft van de twintigste eeuw is een Indische elite ontstaan, de leden ervan proberen hun positie te bestendigen door zo hoog en zo blank mogelijk te trouwen. Status is altijd precair, er wordt neergekeken op de Indo’s in de slechte wijken, vooral op de niet-erkende kinderen van blanke kolonialen. En de inlanders zijn helemaal verboden terrein.
Ook gedrag moet voldoen aan Europese standaarden. Goed onderwijs is een manier om de ballast van kleur wat te verlichten. Asta’s vader, van nette Indischen huize, zorgt ervoor dat zijn kinderen op de beste Nederlandse school van Soerabaya komen. Asta groeit op in een welvarend gezin dat woont in een 'groot wit huis met een rood houten hek eromheen. Een klapperboom, rozen en een katoenboom in de voortuin, en in de achtertuin nog een garage, verschillende bijgebouwen en een ruim paviljoen.’ Ze ontmoet de charmante George Hoyer, wiens Madoerees-Arabische achtergrond wordt gecompenseerd door zijn 'gedegen christelijke opvoeding’. Ze zijn een aantrekkelijk en spannend paar, ze houden van 'dansen, bokswedstrijden en motoren’. Het zijn de hoogtijdagen van het Indische Leven, met lome middagen op de veranda, dancings in het Kunstkringgebouw, het Soerabaiasch Handelsblad aan de ontbijttafel, Hoogezand-Sappemeer op het schoolbord, en 'picknicks op het witte zand van Pasar Poetih’.
Stoel beschrijft effectief de drastische veranderingen die zich tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in de kolonie voltrekken. 'Ieder verhaal dat Asta en George hun kinderen zouden vertellen over hun leven in Indië, lieten ze vooraf gaan door de woorden “voor de oorlog” of “na de oorlog”.’ De binnenvallende Japanners beschouwen de meeste Indo’s als Aziaten, waardoor ze niet in aanmerking komen voor internering. De Hoyers worden buitenkampers, om de bezetter te misleiden trekt George een sarong aan en spreekt alleen nog Maleis. Het gezin, dat inmiddels een aantal kinderen telt, trekt zich terug in een klein huis tussen de inlanders. De ontberingen van de oorlog gaan over in de chaos en het geweld van de bersiap. De Hoyers wonen in Soerabaya, waar een veldslag uitbreekt tussen de Britse bevrijder en de strijders van de kersverse republiek. Stoel schrijft: 'Tot tweemaal toe hadden ze zich in het epicentrum van de strijd bevonden en beide keren waren ze gered door een combinatie van geluk en het vermogen om als kameleons precies op het goede moment hun oosterse of juist hun Europese wortels de boventoon te laten voeren.’ Wanneer een Gurkha zijn geweer op hen richt, roepen de Hoyers: 'We’re Dutch, we’re Dutch! Don’t shoot!’
De Indo-Europese gemeenschap heeft zich nooit als inheems of Indonesisch beschouwd. Toch voert de Nederlandse overheid na de oorlog campagne om Indo’s vooral in Indonesië te houden. Sommige schrijven zich schouderophalend in als Indonesiërs, maar de meeste Indo’s schrapen hun laatste geld bij elkaar voor de overtocht naar Nederland. De Hoyers stellen zich aanvankelijk afwachtend op, George heeft een goede baan, Soekarno’s wurgtechnieken op de westerse invloeden in zijn land hebben hun hoogtepunt nog niet bereikt. Maar als George in 1952 in bed wordt doodgeschoten, besluit Asta om met het overgebleven gezin te vertrekken. Ze zijn deel van een Indische exodus, waarbij honderdduizenden Nederlanders van gemengd bloed hun geboorteland verruilen voor een plek die ze alleen kennen uit atlassen en plaatjesboeken. In 1955 komt Asta eindelijk aan in Hoek van Holland met haar zeven kinderen en kwakkelende moeder, ze is 37 jaar oud.
'Toen de eerste sneeuwvlokken vielen, dacht Asta Hoyer dat het brood was.’ In welk land ook, Asta’s grootste zorg blijft hetzelfde: de angst voor tweederangs burgerschap. Geldgebrek, ruimtegebrek, racisme, betutteling, vernedering: er moet veel overwonnen worden in Nederland. De Hoyers arriveren in het grauwe, provinciale Oss als een soort über-Hollanders. Ze spreken een formeel soort Nederlands en zijn geografisch beter onderlegd dan de plaatselijke bevolking. Ze zijn verbaasd over blanken die werken als vuilnisman, ondenkbaar in hun oude land. Door een combinatie van koppigheid, opoffering en discipline loodst Asta haar gezin de Nederlandse samenleving in. Haar kinderen moeten hoffelijk zijn, opleidingen volgen. Indië bestaat niet meer. 'Aanpassen, niet omkijken’, zoals Asta haar kinderen keer op keer voorhoudt. Ze verhuizen van contractpension naar krappe eengezinswoning. De familie moet bij elkaar blijven, koste wat het kost. Alleen het eten geniet een uitzonderingspositie, dat mag schaamteloos naar vroeger verwijzen en uitvoerig worden besproken.
Asta knoopt relaties aan, krijgt zelfs nog een kind, maar zal alle nieuwe mannen overleven. Haar kinderen trouwen met Hollanders, de nieuwe generatie wordt weer een tint lichter. Een van Asta’s zonen, Buddy, gaat als enige op reis naar Indonesië, de anderen hebben er geen behoefte aan. Hij wordt overal gastvrij ontvangen, geniet van het weerzien. 'Toch merkte Buddy dat hij er ook hier niet echt bij hoorde.’ Zijn broers en zussen slepen hun moeder mee naar de Pasar Malam in Den Haag. Aan het eind van de dag horen ze hun moeder mompelen: 'Zo zonde, zo mooi.’ Asta zal er nooit meer naartoe gaan.
Hoe boeiend en schrijnend de verhalen over Indische inburgering ook zijn, ze vormen slechts de coda van een cultuur, waarvan het einde werd ingeluid door de dekolonisatie.
De etnische geschiedenis van Nederlands-Indië is uniek. Er zijn bijvoorbeeld geen grote gemengde bevolkingsgroepen uit voormalige koloniën als India of Algerije gekomen, geen Brindos of Algérieaux. Indo’s, versnipperd maar verbonden, zijn een volk zonder land, een cultuur die niet meer thuis kan komen.
Tjalie Robinson: 'Misschien zal het zo moeten zijn: dat niet alleen een volk en een vaderland, maar zelfs zijn geschiedenis volkomen verloren zal gaan.’ Zwijgen is de eerste fase van vergeten. Met Asta’s ogen heeft Stoel die zwijgzaamheid doorbroken en bewezen dat Indische geschiedenis Nederlandse geschiedenis is. Het verhaal van de kolonie is simpelweg te groot om op te offeren aan schaamte of nostalgie. Er leven nog Indo’s die zich de witte stranden van Pasar Poetih kunnen herinneren, of de dodelijke straten tijdens de bersiap. Dus kom maar op met al die boeken, iedereen mag ze schrijven, Indo of 'Hollander’, ik wil ze allemaal lezen. Als ze maar Stoels koele oog hebben, en haar ruime hart.

EVELINE STOEL
ASTA’S OGEN
Nijgh & Van
Ditmar, 350 blz., € 19,90