De klimaatconferentie

Aanpassen of verzuipen

Op de klimaatconferentie in Kopenhagen wordt hard onderhandeld over de kosten die ontwikkelingslanden moeten maken om zich aan te passen aan hogere zeespiegels, extreme buien of lange droogtes. Gaat het Westen een historische schuld aflossen?

DE WINTERTOERIST die in Scheveningen eens wat anders wil meemaken dan het vertrouwde tegen de wind in over het strand banjeren en dan een café in duiken, kan vanaf 6 januari terecht voor een bijzonder schouwspel. Vier weken lang zal met grote spuiten 2,5 miljoen kubieke meter zand op het strand worden uitgestort, een hoeveelheid die de Amsterdam Arena tot de nok toe zou kunnen vullen. In de zomer zal de badgast dan zeventig meter verder moeten lopen voordat hij een duik in zee kan nemen.
In het Kitui District, ten oosten van de Keniaanse hoofdstad Nairobi, wordt ook met zand gestrooid. Honderden kleine bassins van drie tot vijftig meter breed zijn er inmiddels verrezen. Ze liggen in de bodem van een rivier die regelmatig droogvalt. Resultaat is daar dat de bevolking juist minder ver hoeft te lopen.
Scheveningen en Kitui liggen duizenden kilometers uit elkaar en toch is er meer verband tussen de twee projecten dan alleen het gegeven dat zand het bouwmateriaal is. Het opspuiten van een deel van het Nederlandse strand en de aanleg van bassins in Kenia zijn beide maatregelen die de gevolgen van de klimaatverandering moeten opvangen.
In Scheveningen wordt een zwak deel van de Nederlandse kust aangepakt, zodat het achterland bij een stijgende zeespiegel beschermd is tegen de hevige stormen die vaker dan in het verleden zullen voorkomen. In het Kitui District gaat het niet om het tegenhouden van water, maar juist om het vasthouden ervan. Door de klimaatverandering regent het daar minder dan vroeger en de droogteperiodes zullen waarschijnlijk nog langer worden. De bassins zorgen ervoor dat de bevolking ook in die tijden veilig drinkwater heeft.

OP DE INTERNATIONALE klimaatconferentie van de Verenigde Naties die komende week in Kopenhagen begint, gaat het niet alleen over het voorkomen van klimaatverandering en de daarvoor benodigde terugdringing van de uitstoot van CO2. Een tweede belangrijk gespreksonderwerp voor de delegaties uit de deelnemende landen is, wat in het vakjargon heet, klimaatadaptatie: het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering. Het is én voorkomen én aanpassen. Ook als er in Kopenhagen succes wordt geboekt bij de mondiale aanpak van de CO2-uitstoot, zal klimaatadaptatie noodzakelijk zijn. Experts gaan ervan uit dat opwarming van de aarde met twee graden onafwendbaar is, ook bij maximale inspanning om de klimaatverandering tegen te gaan. Die opwarming heeft een stijging van de zeespiegel tot gevolg en extreem heftige stormen of juist extreem lange droogtes.
In een land als Ethiopië is van dat laatste reeds sprake. De temperatuur ligt daar gemiddeld al 0,6 graden hoger en het zal er deze eeuw nog warmer worden. Het heeft er nu al drie jaar niet meer substantieel geregend. Daardoor zijn in Ethiopië dit jaar ruim zes miljoen extra mensen afhankelijk geworden van noodhulp. Als het land zich niet weet aan te passen aan het veranderende klimaat, zullen dat er nog meer worden. Daar komt bij dat in de komende 25 jaar, zoals het World Population Fund onlangs bekendmaakte, de bevolking in Ethiopië groeit van vijftig naar tachtig miljoen inwoners.
In Kopenhagen is het de grote vraag of de deelnemende landen het erover eens kunnen worden om ontwikkelingslanden financieel te steunen bij de kosten van klimaatadaptatie. Nederland vindt dat dit moet gebeuren. Niet alleen uit welbegrepen eigenbelang, omdat natuurrampen kunnen leiden tot migratiestromen en oorlog. Maar ook omdat het Westen met zijn leefstijl het meeste heeft bijgedragen aan de klimaatveranderingen. Noem het een historische schuld.
Ter illustratie van de kosten van klimaatadaptatie: in de meest kwetsbare ontwikkelingslanden, zoals in Afrika ten zuiden van de Sahara, gaat het de komende tien jaar om 10 tot 24 miljard euro per jaar. Eerder dit najaar verscheen het Global Track Report, waarvoor onder meer is samengewerkt met de Wereldbank. In dat rapport is voorgerekend dat de klimaatadaptatiekosten in alle ontwikkelingslanden samen de komende veertig jaar ongeveer tachtig miljard euro per jaar zullen bedragen. Dat geldt dan voor het natste scenario, een droger scenario komt met een iets lager bedrag.
Behalve de angst dat er in Kopenhagen helemaal geen afspraken kunnen worden gemaakt over de financiering en verdeling van deze kosten over de verschillende landen, is er de vrees dat westerse landen zich onder een deal proberen uit te wurmen door geld dat ze zouden moeten steken in traditionele ontwikkelingssamenwerking over te hevelen naar het potje klimaatadaptatie.
Dat ligt gevoelig. Zeg in de wereld van de ontwikkelingssamenwerking dat volgens klimaatonderzoekers één euro besteed aan noodhulp meer effect heeft als deze wordt geïnvesteerd in klimaatadaptatie, en je hebt geheid ruzie. De klimaatonderzoekers willen met die uitspraak laten zien dat preventie beter is dan achteraf dweilen met de kraan open. Maar het ligt gevoelig omdat het gaat om wie het geld krijgt.
OOK DE DISCUSSIES over wat nu het beste helpt in de strijd tegen te natte dan wel te droge voeten kunnen hoog oplopen. Pleit de een voor infrastructuurprojecten zoals een dijk of een irrigatiesysteem, dan zegt een ander: nee, het beste middel is het terugdringen van de bevolkingsgroei zodat minder mensen bedreigd worden door overstromingen of droogtes. Waarop een derde zijn pleidooi begint voor onderwijs als het beste instrument voor een lager geboortecijfer, hetgeen bij een vierde leidt tot de opmerking dat dit dan vooral onderwijs voor vrouwen zal moeten zijn. Een vijfde meent dat het dus gaat om de rechten van vrouwen. Ook hier speelt de strijd om het geld een rol. Maar het geeft tevens aan hoe complex het probleem is.
De PVDA-ministers Jacqueline Cramer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer en Bert Koenders van Ontwikkelingssamenwerking gaan naar Kopenhagen met de intentie dat het geld voor klimaatadaptatie voor ontwikkelingslanden extra geld moet zijn. Daaronder verstaan zij extra ten opzichte van de afspraak dat een westers land 0,7 procent van zijn bruto binnenlands product besteedt aan ontwikkelingssamenwerking. Het kan in hun ogen niet zo zijn dat landen die nu blijven steken op bijvoorbeeld 0,4 procent van het bbp, van het resterende deel klimaatgeld maken.
Cramer en Koenders hebben voor hun insteek het Global Track Report aan hun zijde. Daarin is uitgerekend hoeveel mensen zullen overlijden dan wel nadelige gevolgen zullen ondervinden van overstromingen of droogtes. Het blijkt dat de algemene ontwikkeling van een land, waarop de huidige ontwikkelingssamenwerking zich richt, het aantal slachtoffers drastisch kan beperken. Als landen zich ontplooien, worden ze immers minder afhankelijk van traditionele landbouw. De resterende boeren putten hun grond met behulp van betere technieken minder uit en weten toch meer voedsel te produceren. Bovendien bouwt de bevolking op veiliger plekken steviger huizen en wordt de watervoorziening op betere leest geschoeid.

HET WERELD NATUUR FONDS bracht onlangs het rapport Mega-stress for Mega-cities uit met daarin een ranglijst van de meest bedreigde kuststeden in Azië. De hoofdstad Dhaka van Bangladesh voert die lijst aan. In het in de delta van de rivieren de Ganges en de Brahmaputra gelegen Dhaka wonen nu dertien miljoen mensen, waarmee het de negende stad van de wereld is. Over vijftien jaar zal het inwonertal bijna zijn verdubbeld. Ondertussen stijgt als gevolg van de klimaatverandering de zeespiegel, zijn de stormen daardoor heftiger en is als gevolg van de extremere regenbuien de kans op een overstroming groter.
Er is uitgerekend dat als de zeespiegel een meter stijgt, er aan de kust van Bangladesh duizend vierkante kilometer land verloren gaat. Door het inklinken van het land zal het binnensijpelen van zout water tot op honderd kilometer van de kust gevolgen hebben voor de landbouw. Halverwege deze eeuw zal de rijst- en graanoogst daardoor mogelijk ruim dertig procent lager liggen dan nu.
Deskundigen wijzen er dan ook op dat klimaatadaptatie ook inhoudt dat een land zijn gewassen moet aanpassen aan de veranderende omstandigheden. In Nederland zei de Wageningse hoogleraar Climate Change and Flood Safety Pier Vellinga vorig jaar bij zijn oratie te hopen een ‘zoute Floriade’ tegemoet te kunnen zien. Want net als Bangladesh moet ook Nederland volgens hem zijn landbouw in delen van het land aanpassen aan grond waarin zout water is binnengedrongen. Hier overigens omdat er bewust voor is gekozen om Nederland niet met een grote dijk of duinenrij van de zee af te sluiten – met een scherpe scheiding tussen zout en zoet water – maar om in de delta van de rivieren mee te bewegen met het water.
Wat opvalt aan reeds gestarte projecten om Nederland aan te passen aan de klimaatverandering, is dat er steevast gesproken wordt over kansen. Behalve dat in Scheveningen het strand wordt opgespoten, komt er onder de boulevard ook een nieuwe, steviger dijk te liggen. De werkzaamheden daarvoor duren drie jaar, want eerst moet de oude boulevard met de daaronder liggende zeewering over de lengte van een kilometer volledig worden afgegraven en opnieuw opgebouwd. Maar daarna heeft Scheveningen een nieuwe boulevard die loopt van het Kurhaus tot de haven, met een mooie slinger en meer ruimte voor voetgangers en fietsers. Als het dan toch moet, zo is de filosofie, grijpen we het wel aan om de boel te verfraaien.
De toon die daaruit spreekt is een totaal andere dan als het gaat om de minst ontwikkelde landen. Hoewel het ook in Nederland uiteindelijk gaat om overleven, hebben wij hier het geld, de kennis en een institutionele infrastructuur om de problemen aan te pakken. In landen zoals die ten zuiden van de Sahara ontbreken alledrie veelal.
Spreken over kansen is ook veel moeilijker als de klimaatverandering niet alleen dreigt te leiden tot overstromingen, droogtes en hongersnood, maar ook nog eens zorgt voor een stijgende kans op malaria, diaree en sterfgevallen als gevolg van ziektes die samenhangen met hitte of juist koude. Ook de kosten die hiervoor gemaakt moeten worden zitten in de miljardenbedragen waar in Kopenhagen over onderhandeld wordt.
Die bedragen zullen stijgen, gelijk opgaand met een verdere stijging van temperatuur en zeespiegel, als in de komende weken geen ambitieus akkoord wordt bereikt over het terugdringen van de CO2-uitstoot. Daaruit blijkt hoe nauw de twee onderwerpen met elkaar samenhangen.
Volgens het hoofd van het Klimaatbureau van de Verenigde Naties, de Nederlander Yvo de Boer, moet het Westen uiteindelijk zeker tachtig procent minder CO2 uitstoten. Dat is volgens hem niet te doen met wat meer efficiëntie, isolatie, windmolens en elektrische auto’s. ‘Je moet echt fundamentele vragen stellen over consumptie, over energie en mobiliteit’, zei De Boer onlangs in een interview. Waarmee het er in Kopenhagen dus niet alleen over gaat of het Westen met geld wil betalen voor de klimaataanpassingen in ontwikkelingslanden, maar ook of het zijn levensstijl daarvoor wil aanpassen.