Aanpassing en verzet

Wolfgang Koeppen, De broeikas. Vertaling Wim Platvoet, uitg. Thoth, 175 blz., 334,50
De broeikas is na Duiven in het gras het tweede deel van een trilogie die Wolfgang Koeppen (1906-1996) kort na de oorlog schreef. Bij verschijnen in 1953 veroorzaakte De broeikas nogal wat rumoer.

In Bonn stond bij de verkiezingen de herbewapening centraal en omdat de hoofdpersoon in Koeppens roman, de parlementariër Keetenheuve, als pacifist tegen herbewapening is en omkomt in de politieke slangenkuil, werd het boek onmiddellijk gezien als sleutelroman en als een van haat vervulde aanval op het hele politieke bedrijf. Met het begrip ‘broeikas’ typeerde Koeppen de toenmalige kanseliersdemocratie en de machteloosheid van het parlement, die bevorderd werd door de partijtwisten bij de sociaal-democraten. Zijn beschrijving met scherpe portretten van halfslachtigen en twijfelaars loog er niet om, maar daarmee was zijn roman nog geen politieke roman, en zeker niet alleen maar. Koeppen is daar altijd duidelijk in geweest, getuige de waarschuwing vooraf: 'De roman De broeikas heeft met de actualiteit, vooral de politieke, slechts in zoverre iets te maken dat deze een katalysator voor de fantasie van de schrijver is geweest.’ Wanneer hij, ook in verband met ander werk, de benaming 'politiek auteur’ afwees, was dat niet alleen omdat hij een bredere thematiek op het oog had, maar vooral ook omdat hij niet in termen van de politiek zelf beoordeeld wenste te worden. Dat is principieel iets anders dan niets met de politiek te maken willen hebben.
Als men de romans toen had gelezen, had men kunnen zien dat de verhouding aanpassing en verzet juist het belangrijkste thema was. In Duiven in het gras is de hoofdpersoon een journalist die midden in de woelige gebeurtenissen van de naoorlogse overgangstijd staat maar tegelijk als waarnemer een buitenstaander is. In De broeikas krijgt dit zelfportret van de moderne schrijver een vervolg in de figuur van de esthetisch ingestelde intellectueel die van zichzelf eist dat hij handelend optreedt in plaats van werkeloos toe te zien. In de derde roman, Der Tod in Rom, is ook de jonge componist Siegfried, van wie in Rome een moderne symfonie zal worden uitgevoerd, een buitenstaander die zich niet ongestraft aan de grote geschiedenis - dat wil zeggen het Duitse verleden - kan onttrekken. Voor alle drie geldt dat verzet alleen tot iets kan leiden door zich erin te mengen, maar dat vereist al zoveel aanpassing dat van verzet weinig overblijft en al helemaal niets van de radicaliteit van de ideeën. Nee, Koeppens diagnose van de restauratieperiode in Duitsland is nooit erg rooskleurig geweest, zoals ook zijn opvatting over engagement sceptisch bleef. Zo begint De broeikas met de aankomst van Keetenheuve in Bonn en eindigt hij met diens zelfmoord, als hij, wiens stem in het parlement er in het geheel niet toe blijkt te doen, in de Rijn springt.
Keetenheuve had in 1933 Duitsland verlaten, was via Parijs naar Canada gegaan en stond nog later in Engeland achter de radiomicrofoon. Na zijn terugkeer in 1945 wilde hij iets terugdoen voor zijn afwezigheid en ging hij in de politiek. Hij is weliswaar een 'betrokken waarnemer’ maar blijft eens en voor altijd een buitenstaander, wanneer alles vergeefs blijkt zelfs 'een buitenstaander van het gevoel’: in alles komt hij te laat. Treffend typeert Koeppen hem als een dilettant, in zijn liefde voor de poëzie evengoed als in de politiek, wanneer hij op zijn bureau de klaagbrieven van burgers opzijschuift om Baudelaire te gaan zitten vertalen. 'Hij wilde niet meer meespelen. Hij kon niet meer meespelen.’