Aanraken is taboe

Zodra humor een doel wordt, vergaat mij het lachen. Een situatie kan absurd zijn, een geanimeerde conversatie kan aan de deelnemers geestige opmerkingen ontlokken, maar wanneer er welbewust grappen of moppen verteld worden, ben ik weg.

Medium het moeten eenhoorns zijn

Goede humor komt voort uit tragiek, gelatenheid en menselijk tekort, en ontstaat terloops, als surplus. Om een grap kun je maar één keer lachen, geestige treurnis is bestand tegen herhaling. Denk maar aan Gerard Reve, Hans Faverey en Nachoem M. Wijnberg.

Het gebeurt niet vaak dat ik van een boekomslag in de lach schiet, maar het ontwerp van Melle Hammer voor de tweede bundel van Floor Buschenhenke is buitengewoon grappig. In ‘Het moeten eekhoorns zijn’ is het wat voorzichtig gedrukte ‘eekhoorns’ in woedend zwart vervangen door ‘eenhoorns’, en daaronder zien we nogmaals hoe een opdringerige n een bescheiden k ongedaan tracht te maken. Het is vergeefs. Misschien delft de eekhoorn voorlopig het onderspit, maar de eenhoorn zal nooit de twijfel kunnen wegnemen dat hij zijn positie op onrechtmatige wijze verworven heeft.

Buschenhenke (1978) heeft haar best gedaan een geestige bundel te schrijven, en tot op zekere hoogte is ze daarin ook geslaagd. Het boek bestaat uit vier ‘hoofdstukken’ die elk tien gedichten tellen. Als in een negentiende-eeuwse roman geven de hoofdstuktitels een korte, nieuwsgierig makende omschrijving van wat er gaat komen, maar bij Buschenhenke wordt de lezer direct het bos in gestuurd: ‘Hoofdstuk I, waarin de liefde ondanks vele protesten en moderne technieken haar gang gaat, een bezoekster uit de ruimte een lift krijgt, mensen boven zichzelf uitstijgen, en huishoudens van liefdesenergie worden voorzien’. De titel van hoofdstuk II spreekt van engelen en dromen, bij het derde hoofdstuk worden maatschappelijke kwesties in het vooruitzicht gesteld, terwijl in het laatste hoofdstuk ‘de cirkel des levens personages nummer 11, 12 en 13 soort van geboren laat worden’ en ‘senioren elkaar het bed in lokken’. Het klinkt allemaal een beetje gewild, maar suggereert wel dat de dichter niet terugdeinst voor grote vragen.

Wordt die pretentie waargemaakt? Wanneer je de bundel voor het eerst leest, val je van de ene verrassing in de andere. Buschenhenke is inventief en bij vlagen briljant, haar beelden zijn scherp en haar formuleringen trefzeker, en de situaties die ze schetst zijn geladen met verbijstering, verlangen, paniek en ergernis. Heel knap is bijvoorbeeld we hadden woorden, waarin twee geliefden ontwaken nadat ze de vorige avond ruzie hebben gehad. Het openschuiven van de gordijnen klinkt ‘als het aftrekken van een pleister’, en je zit met iets in je maag ‘dat gretig ontkiemt wanneer licht/ je gapende mond in komt’. Dat ontkiemen heeft verstrekkende gevolgen:

in de prille bloesemfase

ril je bij de minste trilling

als de takken na een paar dagen

ingewandwandelen

je keel bereiken is de tijd rijp

Wie verwacht dat er nu een uitbarsting komt, heeft het mis: ‘je bijt door de zure appel heen/ en gaat in het klokhuis klaarliggen’. Dit is een beeld dat beklijft.

In dubbelblind wordt een vervreemdende exercitie uitgevoerd van het type waarin Tonnus Oosterhoff een grootmeester is. Het gedicht begint enigszins omineus met de voorspelling dat het zijn betekenis niet zal prijsgeven:

ik

weet niet wat ik doe en jij

weet niet wat ik doe

zwarte doos om later open te breken

lezers met koevoet kunnen zich melden bij de balie

Even later blijkt de ik een lezer te zijn, die zich bij de dichter beklaagt: ‘“ik heb er een hekel aan als de vierde wand van het gedicht doorbroken wordt,” zei ik tegen de schrijver van dit gedicht. als ik rechtstreeks aangesproken word of in een gedicht over “dit gedicht” lees, voelt het alsof ik op heterdaad betrapt word bij winkeldiefstal’. Het gedicht zaait verwarring ten aanzien van zijn eigen status en kwaliteit. Daarover kun je lang nadenken, maar het probleem is dat de lezer die hier aan het woord komt gelijk heeft. Gedichten die over gedichten gaan, deugen niet. Daarom is dit, uiteindelijk, een afstandelijke tekst waarmee je niets opschiet.

Is dat misschien juist het effect waarop Buschenhenke uit is? In het eerste gedicht spreken een ik en een jij af elkaar absoluut niet te zullen aanraken: ‘de onuitgesproken deal is:/ als jij mij niet aanraakt/ raak ik jou ook niet aan’. Er is wel toenadering, want ‘we navigeren voorzichtig/ onze tektonische platen/ over convectiestromen/ in de bovenste mantel’, en met enkele centimeters per jaar bewegen armen over de tafel naar kopjes en lepeltjes toe. Maar aanraken is taboe.

Indien we dit gedicht opvatten als een programmatische uitspraak over het contact tussen dichter en lezer is Buschenhenke in haar opzet geslaagd. Beide partijen komen wel iets nader tot elkaar, maar het contact blijft oppervlakkig. En herlezen vergroot de afstand, helaas.

In het laatste hoofdstuk lijkt de dichter haar ingewortelde spitsvondigheid te willen bedwingen om ruimte te scheppen voor existentiële kwesties. De afdeling begint met een schitterend gedicht over een bevalling:

ik ben een absurde held een voertuig

een tupperwarebakje met vacuümproblematiek

een obstakelparcours met zeepmuur

voor een toch al glibberige deelnemer

ik wil niet stuk, niet openbreken

In de gedichten die daarop volgen, spreekt de dichter van angst, eenzaamheid en sterven, maar op de een of andere manier werkt het niet. Zodra deze poëzie haar masker van intelligentie en geestigheid aflegt, blijkt daaronder helaas slechts een schim schuil te gaan.


modelwoning

druk op de tulp en het licht gaat aan

we hebben de woonkamer op organische wijze ingericht

hier zit een zoet klein deurtje

op zijn hobbelpaard

je kunt erdoor naar de toekomst gluren

de muren zijn exact waar je denkt dat ze zijn

het zorgeloze gevoel van nanotechnologie

en dit is elmar de aansteker. probeer het maar even

nee joh, dat is niet zielig, het is met

behoud van uitkering


Medium het moeten eenhoorns zijn

Floor Buschenhenke: Het moeten eenhoorns zijn_. Atlas Contact, 60 blz., € 21,99_