Aansporing

In de documentaire van Oeke Hoogendijk over het Rijksmuseum zit een fragment waarin de directeur collecties, Taco Dibbits, met collega’s bespreekt welke schilderijen wel en welke niet op de nieuwe zalen te zien zullen zijn. Zij hebben het dan toevallig over het grote portret van Michiel de Ruyter en zijn familie door Juriaen Jacobsz. uit 1662.

Medium zaal jan mulder cr groninger museum 2

Dat is een zeer groot doek (2,7 bij 4 meter) van een niet heel erg beroemde schilder; de vlootvoogd is wel een man van historische betekenis maar dat geldt voor die kinderen niet en dus wordt dit ding verbannen.

Bij het zien van die scène speet het me – ik had toevallig wél wat met dat doek, vraag me niet waarom – maar begrijpelijk was het natuurlijk allemaal wel, De Ruyter kréég al een hele zaal, met daarin zijn portret door Ferdinand Bol, en er was bovendien genoeg concurrentie.

Heel veel concurrentie zelfs. Van de 65 miljoen objecten in ‘Collectie Nederland’ is maar vijf procent op zaal te zien. Dat lijkt weinig, maar onder die 65 miljoen stukken zitten ook ettelijke miljoenen archeologische vondsten – spijkers, scherven, botten – en tientallen miljoenen naturalia, en die hoef je echt niet allemaal te zien. Politici van allerlei kleur én de Raad voor Cultuur roepen graag dat die collectie toch meer zichtbaar moet worden, maar de musea hielden de minister met succes voor dat zij best meer willen tonen, maar dat meer tonen ook betekent méér bewaken, méér beveiligen, méér verlichten en méér verwarmen.

En ze doen al hun best: het Van Abbemuseum bijvoorbeeld richtte een complete wand in met schilderijen uit de kelder, van allerlei slag en allure; datzelfde museum leende twee jaar geleden een heel pakket winkeldochters uit aan De Appel voor de tentoonstelling Bourgeois Leftovers. De vervoerskosten bedroegen toen meer dan de verzekerde waarde.

Vanwege het tienjarig jubileum van De wereld draait door tonen nu tien musea stukken uit hun depots, uitgekozen door tien bekende Nederlanders, in de zalen van het Allard Pierson Museum, Amsterdam. Op zich is die celebrity-factor niks nieuws, het Stedelijk Museum liet al tentoonstellingen maken door Harry Mulisch en Beatrix van Amsberg, maar DWDD heeft onmiskenbaar het vermogen de kunsten, ook de moeilijke, met enthousiasme ter tafel te brengen en de tien curatoren blijken met smaak te hebben gekozen. De een zet zichzelf daarbij meer op de voorgrond dan de ander. De selectie portretten uit het Van Abbemuseum, gekozen door Marc-Marie Huijbregts, is bijzonder divers, en leuk; de keuze van Jan Mulder voor speelse en grappige werken (Schippers, Rammellzee) uit Groningen evenzeer. Dat Joost Zwagerman erkende nog nooit van Floris Verster te hebben gehoord is gezien zijn ponteneur een beetje pijnlijk, maar de Twee dode roeken die hij koos zijn ongelooflijk mooi. Ook het weerzien met de ‘wilde’ Italiaanse schilderkunst uit de jaren tachtig (Schnabel, Cucchi, Clemente) uit het Stedelijk is prettig, al is Jasper Krabbé een beetje een zak dat hij daar zo nodig een eigen werkje tussen moest hangen. Soit.

Het verdient alles niets dan lof, dus, de zaak trekt tienduizenden bezoekers. Het lijkt mij vooral een aansporing aan het grote publiek om die kolossale Collectie Nederland toch vooral te zien als eigen bezit, iets wat toegankelijker en interessanter is dan je zou denken. Het is ook een aansporing aan de musea om misschien toch wat minder programmatisch te zijn, wat minder in blockbusters te denken, wat flexibeler om te springen met wat ze hebben en wat meer te zoeken naar directe aanknopingspunten met de gemeenschap. Dat doen ze al, maar toch.


DWDD Popup Museum, Allard Pierson Museum, t/m 25 mei; allardpiersonmuseum.nl


Beeld: Bluejeans van Ad Pieters in het Groninger Museum (Marten de Leeuw).