Aanstekelijke waarheden

Ets van Herodotus (ca 485-425 voor Christus), 1866 © Ann Ronan Pictures / Getty Images

‘Urineren doen vrouwen rechtopstaand, mannen zittend’, schrijft Herodotus over de Egyptenaren. De bewoners van de Nijldelta houden er niet alleen qua wc-bezoek afwijkende gewoontes op na. De Egyptische vrouwen gaan naar de markt om handel te drijven, terwijl de mannen juist thuisblijven om te weven. De mannen dragen zware lasten op hun hoofd, de vrouwen op hun schouder. Als we de vader van de geschiedschrijving op zijn woord mogen geloven, althans.

Voor de feitelijke juistheid van de Historiën, door Wolther Kassies opnieuw in het Nederlands vertaald met inleiding en noten van Michel Buijs, durven weinigen tegenwoordig nog hun hand in het vuur te steken. Maar ook zonder alles voor waar aan te nemen blijft dit boek fascineren: op macroniveau als kroniek van machtsstrijd en oorlog, op microniveau als onuitputtelijke bron van wonderlijke observaties en kleurrijke anekdotes, die vaak juist vanwege hun absurditeit boeien. ‘Zijn aantrekkingskracht berust ook op de afstand die hem van ons scheidt’, schrijft classicus en vertaler Gerard Koolschijn over de oudste Griekse proza-auteur, die rond 485 voor Christus geboren werd in Halicarnassus, het huidige Bodrum aan de zuidwestkust van Turkije.

Zo lezen we over de citerspeler Arion, die door zijn medepassagiers op volle zee overboord gegooid wordt, maar toch levend en wel opduikt op de plaats van bestemming, daar netjes afgeleverd op de rug van een dolfijn. En over twee pasgeboren baby’s, die de Egyptische koning Psammetichos op een verlaten plek laat opgroeien. Alleen een herder mag hen af en toe geitenmelk komen voeden, zonder een enkel geluid te maken, want de koning wil met dit experiment aantonen dat het Egyptische volk het oudste van allemaal is: in dat geval zouden de kinderen uit zichzelf de Egyptische taal leren spreken, is de verwachting. Maar helaas: het eerste woord dat de baby’s uitkramen is bèkos, dat na enig onderzoek het Frygische woord voor ‘brood’ blijkt te zijn.

Voor Jan Blokker was Herodotus de vader van de journalistiek

Jan Blokker stelde eens voor om Herodotus om te dopen tot vader van de journalistiek, in plaats van de geschiedschrijving, omdat hij minder systematisch en grondig te werk gaat dan we tegenwoordig van historische wetenschappers verwachten. Zijn aanpak lijkt inderdaad meer op die van een rondreizend journalist, met bijzondere belangstelling voor curiositeiten, geweld en seks, dan op die van een geschiedwetenschapper met een vooraf opgesteld onderzoeksplan en een strikte methode – al mogen we toch ook van journalisten hopen dat ze de feiten kritischer benaderen dan Herodotus regelmatig doet.

Behalve aan de basis van de geschiedschrijving en de reisjournalistiek heeft Herodotus ook getimmerd aan de fundamenten van een controversiëler modern fenomeen: het cultuurrelativisme. Hij beschrijft hoe de Perzische koning Darius op een dag enkele Griekse inwoners van zijn rijk bij zich roept. De koning vraagt de mannen voor hoeveel geld zij bereid zouden zijn om hun vaders, nadat die overleden zijn, op te eten. De Grieken, die hun doden begroeven of cremeerden, antwoorden dat ze dat voor geen goud zouden doen. Vervolgens roept Darius een paar Kallatiërs, een Indisch volk, bij zich. Hij vraagt hen voor hoeveel geld zij hun vaders na hun dood ‘met vuur zouden verbranden’. De Kallatiërs, die de gewoonte hadden om hun ouders op te eten, schreeuwen vol afschuw en vragen hem zoiets nooit meer te zeggen. ‘Gewoonte is aller Koning’, citeert Herodotus de Griekse dichter Pindarus, bij wijze van conclusie.

De nieuwe vertaling van Kassies is letterlijker dan de vorige uit 1995, door Hein van Dolen. Waar Van Dolen ervoor koos om naar de geest in plaats van de letter te vertalen en – soms op het flauwe af – te actualiseren met zinsneden als ‘boontje komt om zijn loontje’ of ‘je kan de pot op’, blijft Kassies juist heel dicht bij de originele tekst. Die keuze levert af en toe nogal stram gymnasium-Nederlands op: ‘Dan is er ook nog dit punt, iets wat u allen het allerbelangrijkst vindt.’ Of, omslachtig: ‘In zo iemand doet zich die neiging tot machtsmisbruik voor ten gevolge van alle rijkdom die hem ter beschikking staat’, waar Van Dolen veel directer is: ‘Machtsmisbruik groeit met de voorspoed die iemand ten deel valt.’

Voor wie de vertaling naast het Grieks wil leggen – leerling, student, classicus, historicus – is Kassies’ letterlijkheid een voordeel. De heldere in- en uitleiding, register, kaarten en eindnoten zijn uitstekend, en dragen bij aan de toegankelijkheid en leesbaarheid van de nieuwe uitgave. Het is bovendien prettig dat de hoeveelheid noten beperkt is; wat binnen een paar seconden online opgezocht kan worden, is er bewust niet in opgenomen.

De Egyptenaren draaiden trouwens niet alleen de man-vrouwverhoudingen om, maar worden ook het minst kaal van alle mensen, meent Herodotus, die zulke observaties niet alleen wil beschrijven, maar ook voortdurend probeert te verklaren. Dat de Egyptenaren niet kaal worden, zou bijvoorbeeld komen doordat ze van jongs af aan zelf hun hoofd scheren en daardoor een harde schedel kweken in de zon. De Historiën openslaan is niet helemaal zonder risico, want voor je het weet ben je verzeild in een eigen onderzoek naar de relatie tussen zon en kaalheid, reddingsacties door dolfijnen, of taalontwikkeling bij baby’s. Herodotus’ nieuwsgierigheid werkt, ook als ze ons niet direct dichter bij de waarheid brengt, nog altijd aanstekelijk.