100 jaar De Stijl, De internationale avant-garde

Aanteekening bij kinderstoel

Het was vanuit Leiden dat Theo van Doesburg de wereld bestookte met zijn visie op een nieuwe kunst. In De Stijl vind je uiteenzettingen over zelf-kleptomanie en aantekeningen bij een kinderstoel.

Medium 01.01 doesburg van eesteren 1923 rkd bew
Theo van Doesburg en Cornelis van Eesteren, 1923 © Archief Theo en Nelly van Doesburg, RKD - Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Als zo’n beetje de laatste plek in het land hulde Leiden zich onlangs in de kleuren van De Stijl, verdeelde de ramen in het centrum in zwarte rasters met witte, gele, blauwe en rode vlakjes. Een speciale stadswandeling voert ‘in stijl’ langs de woon-, werk- en podiumplekken van de avant-gardistische kunststroming die hier in 1917 ontstond. Langs In den vergulden Turk, een monumentaal pand aan de Breestraat met het gouden hoofd van een man met baard en tulband in de nok van de gevel. Daar richtte Theo van Doesburg, samen met anderen, in 1916 de Leidsche Kunstclub De Sphinx op, daar hield hij een voordracht over de nieuwe kunst, met lichtbeelden, waarin hij volgens een ietwat sceptisch verslag in de krant terugging tot de dertiende eeuw, naar Giotto. Aan de architect J.J.P. Oud had hij in een brief geschreven: ‘Het was mijn plan om te Leiden, dat op artistiek gebied zoo achterlijk is, een gelijkgestemd genootschap op te richten. (…) Men waarschuwde mij echter te Leiden niet met de deur in huis te vallen, daar de Leidenaars van de nieuwe stroomingen nog zo goed als onkundig zijn.’

De wandeling voert langs het Kort Galgewater waar het atelier van Van Doesburg gevestigd was, om de hoek van de geboorteplek van Rembrandt, en waar het embleem van zijn tijdschrift De Stijl met klinkers in de straat is verankerd. En langs de drukkerij aan de Aalmarkt, waar het blad van oktober 1917 tot in 1928 werd gedrukt.

Natuurlijk was Leiden een achterlijke provinciestad. Van Doesburg, reeds een kennis van Piet Mondriaan en Bart van der Leck, bekend met hun werk en hun ideeën, had de plek ook niet uitgekozen als centrum van een nieuwe kunst maar was verliefd geworden op een van haar inwoners. Hij schreef wel dat het kunstleven ook voor een stadje als Leiden van de ‘hoogste betekenis’ was, maar eigenlijk deed de locatie er niet toe, niet voor de kunst die er bedreven werd. De Stijl was de juiste kunst om in Leiden te floreren, omdat zij zo makkelijk op transport kon.

De Stijl. Maandblad voor de Moderne Beeldende Vakken (1917-1932) vertrok in die eerste Leidse jaren vanuit de behoefte aan nieuwe woorden voor de nieuwe kunst. Van Doesburg schreef in Grondbeginselen der nieuwe beeldende kunst, een reeks voordrachten uit de jaren 1915-1918: ‘De moderne kunstenaar duldt geen tusschenpersonen. Hij wil zich rechtstreeks met zijn werk tot het publiek richten en indien dit hem niet begrijpt zoo ligt het op zijn weg hiervan een verklaring te geven.’ Lezend in diverse jaargangen van De Stijl, samen in een bruine map in de afdeling bijzondere collecties van de Universiteit Leiden, zie je de kunstenaars zoeken naar exacte bewoordingen voor hun bevindingen. Vilmos Huszár, J.J.P. Oud, Piet Mondriaan en G. Vantongerloo, ze distantiëren zich met hun teksten van de kunst uit het (recente) verleden en kiezen positie in de maatschappij zoals die, na de oorlog, in hun ogen zou moeten bestaan. In de korte bijdrage Aanteekening bij kinderstoel licht Rietveld de keus voor een bepaalde houtverbinding toe en neemt daarbij in acht: ‘Zij neemt weinig tijd, wat zich aanpast bij de moderne arbeidsregelingen.’

Een terugkerende kwestie is die van het individu ten opzichte van het universum en de verhouding tussen figuratie en abstractie in de kunst, tussen het organische van de natuur en het anorganische, in het beste geval het redelijke, van de geest. Tegenstellingen worden tegen elkaar uitgespeeld. ‘Het uiterste ééne en het uiterste ándere, dat in de Abstract Reëele Schilderkunst tot beelding komt (…), kunnen we zien als uiterlijkheid en innerlijkheid, als natuur en geest, als het individueele en het universeele, maar ook als het vrouwelijk en mannelijk element’, schrijft Mondriaan in nummer 18, 1918. ‘En, ook ten opzichte van de kunst, is het van belang de dualiteit van alle leven als zoodanig te zien, daar deze dualiteit dan van de zijde van het leven zelf aanschouwd en zoo dus de eenheid van leven en kunst in ons gereleveerd wordt.’ Bij zaken die nadruk verdienen staan de letters iets verder uit elkaar, krijgt iedere letter een eigen spatie. ‘h e t s c h o o n e’, ‘h e t u n i v e r s e e l e’.

Dwars door de eerste jaargangen heen voerde Mondriaan op de eerste pagina’s van De Stijl een diepgravende, bijkans hilarische verhandeling over ‘de nieuwe beelding’, die vandaag zo het toneel op kan. Opgetekend als een gesprek is er steeds één soort kunst die de andere van vorm en visie wil overtuigen. ‘Ik heb “De Stijl” wel eens ingezien, doch het was mij niet erg duidelijk’, doet een zanger een schilder een voorzetje. Later zijn het een ‘leek’, een ‘naturalistisch’ schilder en een ‘abstract-realistisch’ schilder die Mondriaan samen laat komen. Het laat zich raden wie van de drie overal steeds een helder antwoord op weet.

Vanaf het eerste nummer stond de schilderkunst echter in relatie met de andere kunsten en met de architectuur in het bijzonder. Het eerste manifest van De Stijl, gepubliceerd in 1918, werd ondertekend door zeven kunstenaars met achter hun naam hun professie vermeld: Theo van Doesburg (schilder), Robt. van ’t Hoff (architect), Vilmos Huszár (schilder), Antony Kok (dichter), Piet Mondriaan (schilder), G. Vantongerloo (beeldhouwer) en Jan Wils (architect).

‘Ik heb “De Stijl” wel eens ingezien, doch het was mij niet erg duidelijk’

Het tweede manifest, uit 1920, is gewijd aan de literatuur, want ‘het organisme van onze hedendaagsche literatuur teert nog geheel op de sentimenteele gevoelens eener verzwakte generatie’. Van Doesburg was zelf gaan dichten, maakte een vergelijking tussen de schilderkunst van Giorgio de Chirico en een stoel van Rietveld, als experimenteel vers. Zijn pseudoniem I.K. Bonset verschijnt op het toneel, eerst met x-Beelden (uit de reeks Kubistische verzen), dan met de begrippenrubriek ‘Het andere gezicht’. Duimstokmoraal, roem en zelf-kleptomanie – de kunst onder woorden gebracht die gedeeld konden worden, ging in een tijdschrift van hand tot hand.

Medium stijl vol 05 nr 04
Maandblad De Stijl

Op verschillende plekken in Europa ontwikkelde de avant-garde zich op hetzelfde moment in de isolatie van de oorlogstijd. Mondriaan was in Nederland, en misschien zo nauw betrokken bij De Stijl alleen omdat de oorlog hem weg hield van zijn huis in Parijs. Het einde van de oorlog ontketende een grote nieuwsgierigheid naar de nieuwe ideeën van anderen, tijdschriften en gedrukte manifesten bemiddelden.

De Stijl had een bijzonder internationaal karakter, achtereenvolgens verschenen bijdragen in het Nederlands, Frans, Duits en Engels. Er waren moeilijkheden met Rusland (‘door de belemmering van het officieele verkeer met Rusland, Oostenrijk en Hongarije konden wij de novateurs aldaar niet met onze aesthetische bedoelingen en denkbeelden in kennis stellen. Ook na herhaalde pogingen bleek een uitwisseling van kunstperiodieken met Rusland onmogelijk’) maar verder was men gretig naar gelijkgestemde geesten. Er werd geadverteerd in elkaars tijdschriften en een redactioneel van De Stijl was zelfs gewijd aan de verschijning van het Italiaanse Valori Plastici. Maar ook was er een bewustzijn van wat zij noemden de ‘tijdschriftenvloed’. In 1919: ‘Het is niet altijd een gedachtenvloed, maar dikwijls niet meer dan een woordenvloed, die dezen tijd overstroomt. Het is geen hardop denken, doch meerendeels een hardop praten en zeer vaak een stotteren. Oorzaak: het toegeven aan de opwelling om te praten. En wanneer een “orgaan” wordt opgericht zonder dat hier een zeer b e p a a l d e l e v e n s h o u d i n g aan ten grondslag ligt, dan is een doorelkaâr-praten daarvan het onvermijdelijk gevolg, met als eindresultaat, dat er niets g e z e g d wordt.’

In de vaste rubriek ‘Rondblik’ kregen manifesten uit Duitsland, berichten uit België, Frankrijk en Italië een podium. Leiden werd in één adem genoemd met Antwerpen, Parijs en Rome: letterlijk in het nieuwe ontwerp voor de cover.

Maar het idee dat Van Doesburg ook werkelijk dacht aan die leek, aan die Leidenaar zo je wilt, is ondenkbaar bij het lezen van zijn blad. De discussies krijgen een steeds internationalere dimensie waarbij anderen, vooral, zo lijkt het, zij dicht bij huis, de maat wordt genomen. Een fragment uit het tweede futuristisch manifest, afgedrukt in het Frans, gaat gepaard met de opmerking: ‘De hollandsche imitatiekliek (de van Konijnenburgen, de Holstjes enz.) mochten dit wel eens ter harte nemen.’ Haaks op de rij plaatsnamen op de cover kwam vanaf nummer 5 in 1921 ‘Weimar’ te staan, de plek van oprichting van het Bauhaus als een nieuwe steen op het fundament van De Stijl. Van Doesburg vertrok uit Leiden voor een tournee door Europa en was er zelf ook terechtgekomen. Nog eenmaal keerde hij voor de kunst naar Leiden terug, in februari 1923, als onderdeel van de dada-veldtocht door het land met een optreden in de Schouwburg. Barthel Brussee, een Leidse kunstenaar, goot de chaos van die avond onlangs in een stripverhaal. Het publiek van Leiden, thuishaven van zo veel ideeën van Van Doesburg, was niet veel wijzer geworden, maar waar waren ze dat wel?

Op de cover van het laatste nummer van De Stijl staat zijn naam groot vermeld. Hij is gestorven, op 47-jarige leeftijd. Hans Arp eert hem met een gedicht in het Duits, er is een biografische schets in het Frans, een tekst van zijn eigen hand in meerdere talen. I.K. Bonset is vertegenwoordigd net als Aldo Camini, zijn andere pseudoniem. Het laatste woord in zijn maandblad is voor zijn kunstenaarsvrienden. Mondriaan (nu als Piet Mondrian) schreef vanuit Parijs, Evert Rinsema uit Drachten, Antony Kok uit Tilburg. En J.J.P. Oud schrijft: ‘Het lichamelijk bestaan van Van Doesburg leek wel een bijkomstigheid: geest was zijn leven. Zijn kritiek – in feite niet steeds te aanvaarden – was in sfeer van een helderheid, die nalichtte; de vitaliteit van zijn wezen beperkte zich niet tot tijd en plaats.’

Op 2 juni opent Museum De Lakenhal in Leiden de tentoonstelling 100 jaar na De Stijl. Op Het Gerecht te Leiden verschijnt een prototype van Maison d’Artiste, t/m 27 augustus; lakenhal.nl