White Privilege

Aantekeningen van een ervaringsdeskundige

‘De witte man vreest het afbrokkelen van zijn macht, nog voor daar sprake van is’, schreef Seada Nourhussen in het NRC-magazine DeLuxe. Kort daarop volgde het artikel ‘Witte mensen moeten eens luisteren’ in de NRC van 7 november. Sindsdien staat white privilege ook in Nederland ter discussie. In talkshows, op fora en podia halen gekleurde jonge professionals fel uit naar de middelbare witte mannen die de dienst uitmaken in de wereld van media en cultuur. Want ze hebben er genoeg van. Van de beledigingen en dreigtweets natuurlijk. Maar ook van de smoesjes, de onuitgesproken uitsluitingsmechanismes, de verontschuldigingen waarmee iemand zich persoonlijk van racisme wil vrijpleiten zonder aan het systeem zelf iets te doen.

Het lelijke gezicht van white privilege heet institutioneel racisme. En dat is een luxe die Nederland zich eigenlijk niet meer kan veroorloven. De bevolking verandert, zodat je nu talent in alle kleuren hebt. En voor het oplossen van echt brandende kwesties als de vluchtelingenstroom, het uiteenvallen van Europa, het klimaatprobleem en de crisis van het kapitalisme is alle talent welkom. Maar dan moet er wel iets veranderen. Protest alleen is niet genoeg. Dat gaat tekeer tegen de zittende macht alsof het een abstractie is. Alsof iedereen wel ongeveer weet wat ermee bedoeld wordt. Wil je die abstractie afbreken, dan moet je eerst weten hoe hij in elkaar zit. Wat betekent white privilege precies voor de ervaringsdeskundige, voor de middelbare witte man op zijn machtspositie? Hoe werkt een privilege dat je met je geboorte hebt meegekregen?

Eenvoudig te definiëren is het niet, voor de witte man zelf. Dat is namelijk het punt. Het is net als met zwaartekracht, zei gespreksleider Bahram Sadeghi onlangs tijdens een debat erover in Pakhuis de Zwijger: je ziet het niet maar je voelt het wel. Hij toonde een filmpje van gendersocioloog Michael Kimmel: Privilege is invisible to those who have it.

De Amerikaanse feministe en anti-racisme activiste Peggy McIntosh introduceerde het begrip in 1988 met een kort essay: White Privilege: Unpacking the Invisible Knapsack. Ze begon met het benoemen van een paar van de dagelijkse effecten van het witte privilege op haar eigen leven. ‘Ik koos die kenmerken die in mijn geval meer te maken hebben met huidskleur dan met klasse, religie, etnische status or geografische locatie, al zijn al deze factoren natuurlijk nauw met elkaar verbonden. Voor zover ik kan beoordelen kunnen mijn zwarte collega’s, vrienden en kennissen meestal niet op deze kenmerken terugvallen.’

Bijna dertig jaar later blijft haar lijstje akelig herkenbaar, ook voor mij als middelbare witte man die werkt in de werelden van media en cultuur. Om een paar voorbeelden te noemen:

‘1. Ik kan, als ik daarvoor kies, het merendeel van mijn tijd doorbrengen in het gezelschap van mensen met dezelfde kleur als ik.

  1. Ik mag er vrij zeker van zijn dat ik mijn stem kan laten horen in een gezelschap waarin ik de enige ben van mijn kleur.

  2. Ik word nooit gevraagd te spreken namens mijn hele etnische groep.

  3. Ik mag er vrij zeker van zijn dat een meningsverschil met een andersgekleurde collega schadelijker is voor zijn of haar kansen op promotie dan voor de mijne.

  4. Als er aan mijn leiderschap getwijfeld wordt mag ik erop vertrouwen dat mijn kleur niet het probleem is.’

Mijn recht van spreken staat eigenlijk nooit ter discussie. Ik mag overal naar binnen en overal over meepraten. En als ik onzin uitkraam wordt dat mij persoonlijk aangerekend, niet mijn etnische groep. ‘Willem was echt zo bot in die vergadering vandaag.’ Dat kan je rustig zeggen. Maar ook: ‘Surinamers worden altijd zo emotioneel als ze spreken. Ze denken gewoon niet na voor ze iets zeggen.’ Het witte privilege is een voorrecht van individuen. Het zwarte nadeel straalt af op de hele groep. En: mij staat het vrij om me te verdiepen in de cultuur van de ander. Omgekeerd is het voor de ander een kwestie van overleven.

Althans, zo is het al zo lang ik me herinner. Maar nu is er iets aan het veranderen. De kleurverhoudingen in Nederland, en zeker in de grote steden, liggen anders dan tien of twintig jaar geleden. En het hardop benoemen van white privilege zou wel eens de eerste stap kunnen zijn naar een maatschappij waarin de autoriteit van de witte man niet meer vanzelf spreekt. En waarin zijn standaard voor wat goed en mooi en juist is niet meer objectief mag heten.

Hoe vanzelfsprekend ik mijn eigen white privilege nam ontdekte ik in 1999, toen ik trots afscheid nam als directeur van de Balie, centrum voor cultuur en politiek in Amsterdam. Het gebouw was steeds meer een afspiegeling geworden van de Amsterdamse bevolking. Er zat meer kleur in de programmering, het personeel en het publiek dan ooit. Dat leek me niet meer dan logisch. Als je een huis hebt dat wil praten over de stad, dan moeten alle stemmen uit die stad ook kunnen meedoen aan dat gesprek.

Maar op mijn afscheidsfeest werd ik aangesproken door Özkan Gölpinar, toen verslaggever bij Trouw. Als je echt een groot gebaar had willen maken, zei hij, dan had je nu de sleutel aan ons moeten geven. Hij wees om zich heen in de massa, en daar stonden ze, de talenten die een actieve rol speelden in de verkleuring van de Balie: Shervin Nekuee, Naima Azough, Frank Siddiqui, Farhad Golyardi, Mustapha Oukbih, Harriet Duurvoort, Myriam Sahraoui.

Het was geen moment bij me opgekomen. Het gebouw openzetten voor mensen met andere namen, kleuren, geschiedenissen en visies? Zeker. Aan de deur staan en de meest uiteenlopende gasten welkom heten: het gaf me een diep bevredigend, want niet gecorrumpeerd gevoel van macht. Maar ze dan ook de leiding toevertrouwen… Besefte Özkan wel wat daarbij komt kijken? Daar had je toch witte, wereldwijze mannen als ik voor nodig?

Sindsdien is er veel veranderd. En veel ook niet. White privilege is wendbaar maar hardnekkig. Pas nu er mensen opstaan die er last van hebben én de codes ervan doorzien komt dat aan het licht.

Omdat nr. 1 uit de onzichtbare rugzak van McIntosh nog altijd geldt zijn het vaak niet de witte mannen aan de top zelf die als eerste het probleem zien. ‘Ik kan, als ik daarvoor kies, het merendeel van mijn tijd doorbrengen in het gezelschap van mensen met dezelfde kleur als ik.’ Het sleutelwoord hier is: kies. De leidinggevende posities waar white privilege je brengt zijn vaak al complex genoeg van zichzelf. Dan maak je al snel de instinctieve keuze om extra ingewikkeldheden uit te sluiten. Zoals de aanpassing die het werken in een veelkleurige omgeving van je vraagt. Als ik rondkijk op redactielokalen van kranten of omroepen, conferenties voor de culturele sector, theaterzalen, zomerfestivals of het Boekenbal, dan zie ik zo weinig zwarte gezichten dat ik niets in mijn gedrag, taalgebruik of gevoel voor machtsverhoudingen hoef aan te passen.

White privilege verraadt zichzelf vaak juist als het zich klein probeert te maken

Pas als die zwarte gezichten er wel zijn begint het ongemak. Dat begint met de introductie. Laatst kondigde de vriendelijke gastvrouw van een bijeenkomst de aanwezigheid aan van een jonge theatermaker die twintig jaar geleden met zijn ouders uit Syrië naar Nederland kwam. Zijn Nederlands is vlekkeloos en hij maakt furore op de landelijke podia. Maar hij heeft donkere krullen en zwarte ogen. ‘George Tobal is er ook,’ zei de gastvrouw. En met een lieve glimlach: ‘Als ik je naam tenminste goed uitspreek.’ Aan die naam valt niets verkeerd uit te spreken. En de geste was absoluut uitnodigend bedoeld. Maar wie er binnen zat en wie er van buiten kwam was meteen duidelijk. White privilege verraadt zichzelf vaak juist als het zich klein probeert te maken.

Leiding geven in Nederland is evenwichtskunst. Zeker in de werelden van media en cultuur, waar je omringd wordt door zelfbewust en mondig talent. Je moet weten wanneer je een stap opzij moet zetten, om aan dat talent de ruimte te geven. En je moet weten wanneer je je breed moet maken, om bedreigingen van binnen of van buiten te smoren door je eigen autoriteit te onderstrepen.

De onrust die dat oplevert zie je nu in de journalistiek. De chefs en hoofdredacteuren van de Nederlandse media liggen onder vuur omdat ze bij elkaar, ondanks de ruimte die ze bieden aan alle mogelijke opinies, een te homogeen gezelschap vormen. Op de kritiek reageren ze defensief. Ze maken zich breed en sluiten de rangen. Hassan Bahara vat de situatie samen op zijn Groene-blog: ‘Dat is dus grof geschetst de journalistiek in Nederland: een milieu dat gedomineerd wordt door autochtone mannen, die zichzelf zien als objectief – en allochtonen als subjectief – en die een broertje dood hebben aan politieke correctheid en die niet willen beginnen aan ‘positieve PR’ voor allochtonen.’

Het is een onhoudbare positie, en dat weten die autochtone mannen zelf het beste. In eerste instantie zien ze het probleem niet. Een van de voordelen van white privilege is namelijk dat je je niet druk hoeft te maken over kleur. Ongelijke behandeling, dat is het probleem van de ander. Zelf kijk je eerder naar de bedreigingen die je herkent. Je werkt in een medium dat door andere media wordt ingehaald. Je ziet hoe concurrenten hun werk beter of in elk geval succesvoller doen. Je toekomst is afhankelijk van fusies en monopolievorming. Tot de dag komt dat je positie aangevallen wordt, steeds harder en steeds explicieter, door de bedreiging die je niet herkent: kleur. Diezelfde allochtonen waarvoor jij geen positieve PR wil maken blijken dat zelf als beste te kunnen. Ze verslaan je op je eigen terrein. En de aanval komt van precies degene die het minst op je lijkt: de jonge zwarte vrouw. Zie Seada Nourhussen, Anusha N’Zume, Mariam el Maslouhi en Arzu Aslan in de NRC.

Het antwoord kan zijn, in de beste Nederlandse traditie van inschikken zonder je eigen autoriteit op te geven: een beetje ruimte maken voor de nieuwe stemmen. Maar wel volgens de formule van Bahara: je ziet jezelf als objectief en de allochtoon als subjectief. Die krijgt recht van spreken over uitsluitend datgene wat hem of haar onderscheidt van de witte standaard: kleur. Oftewel, in het Nederland van vandaag: minderheden, radicalisering, achterstandswijken, vluchtelingen. Niet over het uiteenvallen van Europa, het klimaatprobleem of de crisis van het kapitalisme. Het bespreken van de scheuren en barsten in de wereld die rond white privilege is opgetrokken is zelf een white privilege.

Het antwoord kan ook zijn: je eigen smaak niet meer als objectief zien. Of liever: vaststellen dat die niet langer als objectief wordt gezien. Dat is een ingewikkeld proces. Maar het speelt nu wel in de wereld die ik het beste ken: de Amsterdamse culturele sector. Dat is natuurlijk geen toeval. Theater, muziek, beeldende kunst en literatuur leven van nieuw talent, en in een steeds kleurrijker stad heeft dat talent ook steeds meer kleur. Bovendien is dit de sector die meer dan alle andere draait om smaak.

Voor de middelbare witte man die leiding geeft aan een culturele instelling is dit een verwarrende tijd. Hij weet als geen ander dat white privilege ook betekent dat je smaak voortdurend ter discussie staat. Want wie macht heeft krijgt verantwoordelijkheid. Om keuzes te maken. Om je smaak voor wat goed en mooi en juist is expliciet te laten zien. En dus om kritiek te incasseren. Daar heeft elke artistiek leider mee te maken. Het hoort bij je werk. Tot nu toe was het beste antwoord: je smaak nog verder verfijnen, de kwaliteit van je programmering nog verder verhogen, de criteria die je daarbij aanlegt nog duidelijker formuleren.

Maar nu krijgt hij kunst op zich af die hij niet binnen zijn smaak kan plaatsen. Het zoekt een podium, er is publiek voor, maar het leunt op tradities en inspiratiebronnen die hij niet kent, niet van binnenuit althans. En het aanbod waar hij mee groot is geworden lijkt opeens iets van zijn universele zeggingskracht te hebben verloren. Neem Kees Blijleven, directeur van theater de Krakeling. Al jaren voorziet hij veel Amsterdamse theaters van voorstellingen voor kinderen en jongeren. En dat doet hij goed: in Amsterdam wordt misschien wel het beste jeugdtheater van de wereld gemaakt. Maar onlangs kreeg hij te horen van Podium Mozaïek in Bos en Lommer, een van zijn vaste afnemers: ‘Het Nederlands jeugdtheater, al jaren van een hoog niveau, lijkt te lijden onder de wet van de remmende voorsprong. Te weinig zie je in het jeugdtheater makers met een andere achtergrond. Mozaïek wil hier iets aan veranderen. We hebben de contacten met scholen, kennen de kinderen, weten de thema’s – maar zien nog te weinig theatermakers die daarmee aan het werk gaan.’ Is Kees Blijleven nu een witte man die bang is voor het afbrokkelen van zijn macht? Nee, hij gaat er werk van maken, samen met Mozaïek en andere Amsterdamse theaters. Maar hij heeft wel moeten horen dat zijn smaak niet meer objectief is.

Zelf leerde ik, in de acht jaar dat ik aan het roer stond bij de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord, mensen kennen als Amal, Bamba, Massih, Sènami, Quinsy, Farnoosh, Alida, Bryan, Kevin, Angelo, Hesdy, Hadjar, Samar, Sahand en Yassine. Dichters, DJ’s, programmamakers, schrijvers, verhalenvertellers, choreografen, filmmakers en producenten. Ze hielpen me af van de vooroordelen die ik nog te vaak van witte collega’s hoor: Ze zijn welkom, maar ze komen niet! Er valt geen afspraken met ze te maken! Ze sluiten zich op in hun eigen hokjes! Ze hebben talent maar nog niet het niveau!

Eerst nam ik mijn vertrouwde positie in, aan de deur. Ik luisterde naar hun plannen en knikte bedachtzaam. Af en toe maakte ik een grapje of liet een naam vallen, zodat ze begrepen dat ik iets van hun wereld wist. Al luisterend overwoog ik of hun plan voldoende mensen zou trekken, of het niet dubbelde met iets anders, of we er financieel uit zouden komen. In stilte was ik er trots op dat ik met deze mensen aan tafel zat. Maar de constante was: zij hadden een vraag en ik was degene die ja of nee mocht zeggen. Anders gezegd: ik had een smaak en zij moesten daarin passen. White privilege schud je niet af. Je kan hem niet overdragen. Als je het al zou willen, zoiets als black privilege kan je niet aan iemand anders verlenen.

Die moet iemand zelf nemen. Om zelf degene te zijn die ja of nee mag zeggen. Dat getouwtrek om het recht van spreken maakte ik steeds vaker mee. Soms behoedzaam, soms brutaal, soms met prachtig resultaat, soms met slaande ruzie. Ik ontdekte dat nr. 10 van Peggy McIntosh’s lijstje nog steeds geldt: ‘Ik mag er vrij zeker van zijn dat ik mijn stem kan laten horen in een gezelschap waarin ik de enige ben van mijn kleur.’ Maar ook dat je stem laten horen niet langer automatisch betekent dat er ook naar geluisterd wordt. Want bij elke smaak hoort een eigen vocabulaire en als al die vocabulaires door elkaar heen klinken, dan is geen enkele autoriteit meer onweerlegbaar.

Marguerite Duras en Elias Canetti vormen je wereldbeeld anders dan James Baldwin en Fatima Mernissi. Tupac en Fela Kuti bezorgen je een ander zelfbewustzijn dan Nirvana en dEUS. Tanger en Paramaribo geven je een ander kleurenpalet mee dan Londen en Berlijn. Lars von Trier leert je anders kijken dan Spike Lee. In Beirut organiseer je een festival anders dan in Amsterdam. En maak je van al die invloeden je eigen mix, dan spreekt het niet meer vanzelf dat de middelbare witte man als arbiter optreedt. Het lijstje van McIntosh bleek na 26 jaar zowaar enige slijtage te vertonen. Voor mij gold in elk geval nr. 43 niet altijd meer: ‘Als er aan mijn leiderschap getwijfeld wordt mag ik erop vertrouwen dat mijn kleur niet het probleem is.’

Het grappige is: toen ik dat eenmaal begon te accepteren botste ik steeds vaker tegen soortgenoten op die mij meewarig bekeken. Het ene white privilege is het andere niet. Als de een begint te morrelen aan de vanzelfsprekendheden ervan, schroeft de ander ze juist wat vaster aan. Mijn motto was: in de Tolhuistuin is iedereen een uitzondering en dus niemand een buitenstaander. Maar al die uitzonderingen kregen de neiging hun territorium af te bakenen: de hipsters en de horecabazen, de rappers en de Noorderlingen, de hoofddoekjes en de kunstaficionado’s. Niets bijzonders, maar uitvergroot zie je dat ook terug in de hele stad. Amsterdam kent intussen zo’n scala aan grote en kleine culturele instellingen dat je, om punt 1 van Peggy McIntosh terug te halen, het merendeel van je tijd kan doorbrengen in het gezelschap van mensen met dezelfde kleur. Op het gevaar af dat de culturele plattegrond van Amsterdam segregeert, dat wel. Tussen de bezoekers van Podium Mozaïek en Frascati, van de Stadsschouwburg en het Bijlmer Parktheater, zit minder overlap dan je in een smeltkroes als Amsterdam zou verwachten.

Toen ik eenmaal genoeg had van het schaken op al die verschillende borden besloot ik op te stappen. Want ook het besluit om afstand te doen van de macht is vaak een wit privilege. Touria Meliani, met wie ik vanaf het begin samenwerkte, nam het van me over. En dat is ons allebei goed bevallen.

White privilege duurt net zolang tot je autoriteit niet meer vanzelfsprekend is. Als de kennis van de middelbare witte man niet meer de enige standaard is verdampt zijn privilege. En dat kan een hele opluchting zijn. Want hij krijgt er, als alles goed gaat, gelijkwaardigheid voor terug. Hij is weer op zichzelf aangewezen, zonder aangeboren privilege. En dus op de ander. Misschien gaat dat behoedzaam, misschien met slaande deuren. Maar het kan niet anders. Want in zijn eentje komt hij, zelfs als hij denkt dat hij zijn stem altijd en overal kan laten horen, nergens.


Beeld: Peggy McIntosh

Correctie: een eerdere versie van dit artikel schreef het citaat in de opening toe aan een interview in NRC Handelsblad. Het kwam uit een iets oudere column uit diezelfde krant, getiteld Slachtoffers.