Howard Sounes

Aantrekkelijk en een beetje vies

Howard Sounes
Seventies: The Sights, Sounds and Ideas of a Brilliant Decade
Simon & Schuster, 472 blz., € 28,-

De ondertitel van Howard Sounes’ boek Seventies: The Sights, Sounds and Ideas of a Brilliant Decade was wellicht nauwkeuriger geweest wanneer ‘ideas’ vervangen zou zijn door ‘smells’. Het allitereert niet alleen beter, maar zegt ook meer over het sobere sensualisme van deze middeleeuwen van de moderne tijd. Terwijl de wereldpolitiek in die jaren de onwelriekende geuren van olie, napalm en traangas met zich meedroeg, overheersten binnen de culturele wereld – nadat de wietdampen van de jaren zestig eindelijk waren opgetrokken – de lichaamsgeuren.
Het was amodieus om een bad te nemen, schrijft Sounes. Tijdens een typisch jaren-zeventig-popoptreden in de Londense club Astoria hing er bijvoorbeeld een indringende geur van zweet, vermengd met walmen van gist, kauwgom en sigaretten. Deodorant was ook niet iets wat de fotografe Diane Arbus voorradig had in haar kleine New Yorkse appartement. Terecht, vond feministe Germaine Greer, naar wier overtuiging het gebruik van scheerschuim en deodorant alleen maar leidde tot ‘totale smakeloosheid’.

Niet iedereen was gelukkig met deze laissez-faire-houding jegens de persoonlijke hygiëne, en dat waren niet alleen zeepfabrikanten. Zo citeert Sounes een passage uit de dagboeken van Andy Warhol – wiens Piss Paintings uit de jaren zeventig stammen – waarin deze klaagde over de bouwvallige staat waarin de tanden van The Clash-zanger Joe Strummer verkeerden. En was het Gerard Reve niet die in zijn gedicht Roeping de ongewassen aap vervloekte, omdat deze het verkeer ophield met een bord dat hij vóór dit en tégen dat is?

Onze volksschrijver komt natuurlijk niet ter sprake in de verzameling essays waarmee Sounes probeert te bewijzen dat de jaren zeventig meer waren dan een sanitair oponthoud tussen de Beatles en de jaren tachtig. Sowieso komt de wereld buiten de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk er wat bekaaid af, afgezien van hoofdstukken over Solzjenitsyn, het Sydney Opera House en Le Centre Pompidou. Van de eerste twee verschijnselen kun je je meteen afvragen of ze wel typisch voor de jaren zeventig zijn. De Russische schrijver werd weliswaar in 1972 het land uitgezet, maar hij had zijn grote werken eerder geschreven, en het Australische operahuis was reeds in de jaren vijftig bedacht.

Pompidou is wél relevant. Het culturele centrum is een teken des tijds, omdat de ingewanden van het gebouw aan de buitenkant hangen. Later zou de architect, de Brit Richard Rogers, dit concept met een ruimer budget herhalen bij het hoofdkantoor van Lloyd’s in Londen. Als deze bouwwerken menselijke lichamen waren geweest, zouden ze danig hebben gestonken. De binnenstebuitenfilosofie past bij het rauwe naturalisme dat gaandeweg de jaren zeventig een leidraad zou worden in alle takken van de cultuur.

Volgens Sounes doken de eerste tekenen van dit naturalisme op in Easy Rider, een film met spontane personages van vlees en bloed. Doris Day had plaatsgemaakt voor Jack Nicholson, die met tegenzin moest huilen in de film. ‘Mensen wilden emoties zien’, vat zijn medespeelster Candy Clark het gemoed samen. Nicholson en Clark bezaten bovendien de jaren-zeventig_-look:_ aantrekkelijk maar niet bijzonder knap. Sounes ziet het naturalisme eveneens bij David Hockneys schilderij Mr & Mrs Clark & Percy, in de levende kunstwerken van Gilbert & George, de foto’s van Arbus, de zwarte komedies van Woody Allen, de schedels van Warhol en de kale tweelingtorens van het World Trade Center.

Het naturalisme was een uiting van desillusie omdat de hoop uit de jaren zestig dat de werkelijkheid op positieve wijze kon worden bijgesteld ijdel bleek te zijn. Dit is de thematiek van boeken als Fear and Loathing in Las Vegas van Hunter S. Thompson en Rabbit Redux van John Updike. Maar ook van Pink Floyds iconische plaat The Dark Side of the Moon, waarop wordt gezongen over dagelijkse strubbelingen: tijd, geld, en daarmee samenhangend waanzin. De zon uit de jaren zestig was verduisterd door de maan; Lucy in the Sky with Diamonds, een acid-trip, door The Great Gig in the Sky, de dood.

De dood is het hoofdpersonage in dit decennium. Het muziektijdperk werd niet voor niets ingeluid met de overdosis van Jim Morrison, het prijsdier van de flower power, en beëindigd met een soortgelijk heengaan van Sid Vicious, het prijsdier van de punk. De dood stond centraal in hét boek van de jaren zeventig, Norman Mailers The Executioner’s Song, over Gary Gilmores moorden. Of was het boek van die tijd Joseph Conrads Heart of Darkness, geschreven weliswaar aan het einde van de negentiende eeuw, maar tot leven gebracht door Francis Ford Coppola met Apocalypse Now? Typisch jaren zeventig trouwens: de tijd waarin verfilmingen van boeken veelal beter waren dan de boeken zelf: Jaws, The Godfather, The Day of the Jackal. Dat Sounes in zijn argumentatie veel aandacht schenkt aan film was geen keuze maar een noodzaak.

Het geografische middelpunt van de seventies was New York, de stad van Warhol, Arbus, Mailer en Allen, de stad waar Vicious aan zijn einde kwam. Het is geen toeval dat de redactie van Rolling Stone halverwege die jaren verhuisde van San Francisco naar New York. Dit boek eindigt toepasselijk op East 75th Street, waar Woody Allen een nieuwjaarsfeest organiseerde. The Great & The Good waren er, van Robert de Niro tot Mick Jagger. Het volgende decennium zou toebehoren aan Londen. De eighties waren een jaar daarvoor alvast begonnen met het opruimen van de puinhopen die in de Winter of Discontent en de daaropvolgende machtsovername van Maggie waren ontstaan. De stank was ondraaglijk geworden.