Het dilemma Irak

Aanval of inspectie?

Met geen enkele zekerheid valt te zeggen hoe het precies is gesteld met de Irakese wapenvoorraden en –fabrieken. Op wie je in dezen kunt vertrouwen, is al even onduidelijk: alle partijen houden er een eigen agenda op na.

Nu de Verenigde Staten een aanval op Irak voorbereiden, duiken voortdurend nieuwe «bewijzen» op die moeten bijdragen aan hun casus belli. Amerikaanse bronnen melden dat Irak grote hoeveelheden verrijkt uranium op de zwarte markt koopt. Volgens het Britse International Institute for Strategic Studies (IISS) is Saddam Hoessein al jaren in staat een kernbom te maken; het ontbreekt hem enkel aan dat uranium. Verder zou Bagdad nog altijd beschikken over een groot arsenaal aan chemische en biologische strijdwapens. Volgens een rapport dat de Britse regering dinsdagmorgen op haar website publiceerde, heeft Saddam zijn geheime wapenprogramma hervat. Dit zou worden bevestigd door geheime bronnen in Irak en zelfs door naaste familieleden van Saddam.

Washington en Londen zijn niet onder de indruk van het keurige briefje van Saddam aan VN-secretaris Kofi Annan, waarin hij aankondigde weer internationale wapeninspecteurs toe te laten. De Duitse krant Welt am Sonntag meldde enkele weken geleden dat de Amerikaanse defensieminister Rumsfeld aan een beperkte groep Congresleden een geheim rapport had overhandigd waarin staat dat Bagdad met hulp van wetenschappers uit Noord-Korea en de voormalige Sovjet-Unie binnen een jaar een kernbom van het kaliber van de bommen op Hiroshima en Nagasaki kan produceren.

Saddams strijdkrachten zouden bovendien beschikken over zesduizend liter antrax, dertigduizend liter botuline (een gifstof die botulisme veroorzaakt), zes ton VX-zenuwgas en forse voorraden van diverse andere strijdgassen. Naar verluidt zou het rapport onder de bondgenoten worden verspreid om hen te overtuigen van de noodzaak snel en hard tegen Irak op te treden. De Australiër Richard Butler, het voormalige hoofd van de VN-inspectiecommissie Unscom, noemt iedereen die daaraan twijfelt een «bloody fool». Maar satellietfoto’s en inschattingen van geheime diensten zijn een magere basis voor de ingrijpende operatie die de Amerikanen voor ogen staat.

Tegelijk met de stroom inlichtingenrapporten nemen de pogingen tot debunking dan ook toe. Voorlopig hoogtepunt is het pas verschenen boek War On Iraq: What Team Bush Doesn’t Want You to Know, geschreven door de journalist William Rivers Pitt in samenwerking met de Amerikaanse ex-marinier en voormalige wapeninspecteur Scott Ritter, dat over enkele weken in Nederlandse vertaling verschijnt. In het boek haalt Ritter hard uit naar de Amerikaanse Golfpolitiek, die volgens hem is ingegeven door een binnenlandse agenda.

Over Saddams massavernietigingswapens maakt hij zich geen zorgen: «Zelfs als Irak erin slaagt ze te verbergen, dan verbergt het niet meer dan onschuldige troep. In weerwil van de heersende mythologie is er geen bewijs dat Irak werkt aan pokkenvirussen, ebola en andere verschrikkingen waarover de media vandaag de dag berichten. Het land is sedert 1998 in wezen ontwapend: 90 tot 95 procent van zijn massa vernietigingswapens is aantoonbaar vernietigd. Daaronder vallen ook alle fabrieken die worden gebruikt om chemische, biologische en nucle aire wapens te produceren, alsmede lange afstandsraketten, de bijbehorende uitrusting van deze fabrieken en het overgrote deel van de producten die deze fabrieken afleveren.»

De Irakese president is niet te vertrouwen, aldus Ritter, maar het zou een «historische vergissing» zijn hem daarom aan te vallen. De huidige situatie vraagt niet om een paniekreactie, maar om nieuwe inspecties: «We moeten beseffen dat die ontbrekende vijf tot tien procent niet noodzakelijkerwijs een bedreiging vormen. Ze vormen niet eens een wapenprogramma. Het zijn stukken en brokken van een wapen programma dat alles bij elkaar niet veel voorstelt, al is het natuurlijk wel clandestien. Er is bovendien geen bewijs dat Irak zulk materiaal achterhoudt. Dat is het huidige dilemma.»

Voor de weldenkende leek ligt het dilemma anders: wie kun je in dezen vertrouwen? Alle partijen houden er een eigen agenda op na. Butler speelde een dubieuze rol tijdens de «paleizencrisis» van 1998, toen Saddam weigerde inspecteurs toe te laten tot zijn persoonlijke verblijven. Hij forceerde een confrontatie die uitmondde in operatie Desert Fox, een Amerikaans-Brits bombardement met als doel Saddam uit het zadel te lichten. De veronderstelde aanwezigheid van Irakese massavernietigings wapens was niet meer dan een excuus. Saddam had bovendien gelijk dat de inspecteurs, die werden geleverd door de machtigste VN-lidstaten, spionage bedreven voor hun eigen land. Butler, Annan en ook Ritter (die tussentijds in Israël over zijn inspectietochten rapporteerde) hebben dat naderhand moeten toegeven.

Ook nu lijkt de Amerikaanse regering koste wat het kost te willen bewijzen dat Saddam een moderne Hitler is. Het Pentagon en de CIA hebben echter zelf de grootste moeite om feiten van verzinsels te onderscheiden. In het verleden hebben ze het Irakese gevaar eerder onderschat dan overschat. In de jaren tachtig kwam het hen namelijk goed uit om Saddam af te schilderen als een betrouwbare bondgenoot van het Westen in de strijd tegen het fundamentalistische Iran van ayatollah Khomeini. Toen de eerste VN-inspecteurs eind 1991 tot Irak werden toegelaten, schrokken ze zich echter een ongeluk van het enorme geheime wapenprogramma dat Saddam Hoessein sinds de jaren zeventig met westerse en sovjetrussische steun had opgebouwd, met name op nucleair gebied.

Bagdad bleek bijvoorbeeld ongemerkt miljarden dollars te hebben besteed aan een nucleair centrifugeproject en aanverwante installaties om uranium te verrijken. Hoewel het internationaal atoomagentschap IAEA uit Wenen al vanaf 1970 toezicht had gehouden op de Irakese nucleaire installaties, hadden de brave inspecteurs nooit in de gaten gehad wat Bagdad in zijn schild voerde. Laat staan hoe ver het verwijderd was van de bouw van een «eenvoudige» kernbom die dezelfde kracht zou hebben als de bom op Hiroshima. Volgens sommige nucleaire deskundigen van Unscom, zoals de inspectiecommissie toen heette, was dat bij het uitbreken van de Golfoorlog nog slechts een kwestie van maanden.

Ook de CIA bleek er met zijn schattingen ver naast te zitten. De dienst had de Amerikaanse president aan de vooravond van de Golfoorlog verteld dat Saddam waarschijnlijk nog een jaar of tien te gaan had voordat hij over een bruik bare bom beschikte. In werkelijkheid werkte de Irakese president in 1990 aan een crash-project (versneld programma), maar dat kwam pas uit in 1995 toen Saddams schoonzoon Hoessein Kamel naar Jordanië uitweek en de rest van de wereld op de hoogte bracht. Voor Iraks capaci teit op het gebied van biologische en chemische oorlogvoering gold hetzelfde: de betreffende programma’s hadden een enorme vlucht genomen, vooral dankzij de leveranties, financiering en wetenschappelijke ondersteuning van wes terse landen, de Sovjet-Unie en China, die Irak steunden in zijn achtjarige oorlog tegen Iran.

Hoewel Saddam het de inspecteurs aanvan kelijk zeer moeilijk maakte en zelfs VN-medewerkers in gijzeling liet nemen, voerden de Unscom-teams tussen 1991 en de paleizencrisis van 1998 meer dan zevenhonderd inspecties op Irakees grondgebied uit, tot in de toiletpotten van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Bagdad toe. Ze vernietigden honderden Scud raketten, duizenden opslagvaten met toxische stoffen of bestanddelen daarvan en enorme voorraden granaten die geschikt waren voor het afleveren van ABC-ladingen. Ze bulldozerden tientallen verdachte fabrieken, laboratoria en opslagplaatsen plat terwijl andere faciliteiten onder streng cameratoezicht werden gesteld; iedere Irakese sergeant die er met een verdacht koffertje vandoor wilde gaan, werd onmiddellijk in de kraag gepakt.

Is het werkelijk waar wat Butler en andere voormalige inspecteurs zeggen, namelijk dat Unscom in die zeven jaar geen wezenlijke vooruitgang heeft geboekt? Of zouden de Amerikaanse veiligheidsdiensten de dreiging ditmaal uit politieke motieven overschatten? De gerespecteerde Britse journalist Martin Woollacott schrijft in The Guardian dat de Amerikanen Saddam nooit zouden aanvallen als hij werkelijk over massavernietigingswapens beschikte; het feit dat ze hem willen aanvallen, bewijst juist dat hij ze niet heeft.

Daar staat tegenover dat de onverschrokken Ritter, die bij al deze inspecties vooraan stond, eind 1998 in zijn ontslagbrief zei dat er wel degelijk reden was tot ongerustheid en tot militair ingrijpen. «De trieste waarheid is dat Irak lang niet zo ver is ontwapend als de resoluties van de Veiligheidsraad eisen», schreef hij toen. «De commissie heeft onweerlegbare bewijzen ontdekt van een systematisch ontduikingsmechanisme, bestuurd door de Irakese president en zijn veiligheidsdiensten. De kwestie van onmiddellijke, onbelemmerde toegang is naar mijn mening de moeite waard om voor te vechten.»

Sinds 1988 heeft geen enkele wapeninspecteur meer een voet in Irak gezet. Ook Ritter niet, behalve dan die twee keer toen hij het Iraakse parlement toesprak, waarbij je je kunt afvragen of hij geen dubbelrol speelde. En het dilemma dreigt alleen maar groter te worden. Binnenkort begint de nieuwe inspectiecommissie Unmovic, ditmaal onder officieel toezicht van Kofi Annan en de Veiligheidsraad, aan een eerste rondgang langs een aantal Irakese faciliteiten waar volgens recente satellietfoto’s verdachte activiteiten plaatsvinden. Het hoofd van de missie is Hans Blix, voormalig directeur van het tandeloze iaea, dat zich al zo vaak in Irak heeft vergist. Juist deze commissie, die in staat zou moeten zijn de claims van Washington en Londen te weerleggen, maakt door haar samenstelling al bij voorbaat een zwakke indruk.