Prentenboeken voor de jeugd te over

Aanwijsboeken

Een warme intentie voor het nieuwe jaar: de kleintjes voorlezen uit rijk geïllustreerde boeken. Prentenvertellingen te over.

Hervé Tullet

Een verschil van dag en nacht

Vertaald door J.H. Gever

Uitg. Gottmer, 144 blz., ƒ 27,50

Cressida Cowell/Ingrid Godon

Wat moeten we doen met de Boe-hoe baby?

Uitg. Leopold, 32 blz., ƒ 24,90

Heinrich Hoffmann

Piet de Smeerpoets

Vertaald door Jan Kuijper

Uitg. Querido, 32 blz., ƒ 29,95

Crockett Johnson

Paultje en het paarse krijtje

Vertaald door Annie M.G. Schmidt

Uitg. Lemniscaat, 64 blz., ƒ 19,50

Harrie Geelen

Het boek van Jan

Uitg. Querido, 32 blz., ƒ 28,50

Hans Christian Andersen

Alle sprookjes en vertellingen

Vertaald door W. van Eeden

Uitg. Van Holkema & Warendorf, 760 blz., ƒ 79,90

Luna van de boom

Uitg. Pantalone

Martelaarsplein 13, 1000 Brussel

32 blz., ƒ 69,50

Ivo de Wijs/Nicole van Hurk

Van een koe en een geit

Vertaald door J.H. Gever

Uitg. Zwijssen, 32 blz., ƒ 14,95

Wie nog op zoek is naar een mooi en tevens uitvoerbaar goed voornemen zou kunnen overwegen om nabije kleine en dus nog ongeletterde personen eens fijn veel te gaan voorlezen. Dat vraagt weinig meer dan wederzijdse goede zin, een plek om behaaglijk wat tegen elkaar aan te hangen en een boek dat de gezamenlijke aandacht weet te wekken en vast te houden. Minimaal zal dat mooie plaatjes moeten bevatten, waar naar gewezen en over gepraat kan worden.

Een verrassend aanwijs- en bepraatboek is Een verschil van dag en nacht van de Fransman Hervé Tullet. Het begint al met in de helft van alle bladzijden een gat te hebben: altijd goed voor nieuwsgierige kleutervingers. Door zo’n gat zie je bijvoorbeeld een rood licht, dat bij omslaan van de bladzijde groen blijkt geworden. In de buurt van het stoplicht rijden veel vrolijk gekleurde automobielen rond. Er is dus verschil tussen rood en groen licht, zoals ook tussen gaten en bulten, staand en liggend, plus en min of zomer en winter. De speelse, heldere tekeningen beperken zich tot de essentie en het terugkerende gat wordt slim gebruikt. Schitterend zijn bijvoorbeeld in- en uitgang van de tunnel: het donkere gat waar je inrijdt, licht na het omslaan van de pagina aan het eind van de tunnel helder op. En soms blijkt er juist helemaal geen verschil te zijn, zoals bij de eeneiige tweeling aan het slot van het boek.

Lief en grappig is Wat moeten we doen met de Boe-hoe baby? Baby krijst en is ontroostbaar, wat de zorgzame koe, hond, poes en eend ook verzinnen. Ze overladen de brulaap met lekkere hapjes, poedelen hem in een schuimbad, doen spelletjes en leggen hem ten einde raad in bed. Op de slotprent ligt het viertal voor pampus naast het ledikant, waarin een wakker kindje ons tussen de spijlen door toegrijnst. De getalenteerde Vlaamse Ingrid Godon maakte expressieve tekeningen met aardige details. De baby met één parmantige haarlok en twee tandjes in zijn wijdopen brulmond zou je graag met wat dan ook smoren, maar het is duidelijk dat de toegewijde verzorgers daartoe nooit in staat zouden zijn. Veel getergde broertjes, zusjes én ouders zullen dit verhaal van a tot z kunnen meevoelen.

Voorlezende opa’s en oma’s kunnen hun hart ophalen aan de heruitgave van Piet de Smeerpoets, in ons land voor het laatst verschenen in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Hoort naar de jammerlijke geschiedenis van Paula, die met lucifers speelt en in vlammen opgaat — «Alles is tot as vergaan, Paula’s schoenen bleven staan» — of van Soep Hein, die in het graf belandt omdat hij weigert zijn bord leeg te eten: «Op de vierde dag is Hein dunner dan een potloodlijn.» De onverbeterlijke duimzuiger verliest beide duimen aan de wrede kleermaker. De bijgaande prent staat in mijn kindergeheugen gegrift. De kleermaker springt als een duivelse balletdanser de kamer van de vermaledijde zuiger binnen, de reuzenschaar begerig voor zich uit strekkend. Het miniduimpje is nog rechtop zichtbaar, maar het bloed valt reeds in vette druppels. Zo is er meer onvergetelijks, waaronder de wenende poezen bij Paula’s eenzame schoentjes: ze hadden het meisje nog zo gewaarschuwd…

De psychiater Heinrich Hoffmann verzon zijn radicaal leerzame vertellingen om zijn jeugdige patiënten rustig te houden en schreef ze later op als kerstgeschenk voor zijn driejarige (!) zoon. Wat hij aan prenten boeken in de winkels trof, vond hij ongeschikt, want «lange vertellingen of domme plaatjesalbums». Zo verscheen in 1845 Der Struwwelpeter, dat een wereldwijd succes werd en heel wat navolgers kreeg. Nog tot ver in de twintigste eeuw, bijvoorbeeld in het werk van Roald Dahl, zou zijn echo hoorbaar blijven.

Buitengewoon opgewekt stemt de herdruk van Crockett Johnsons Paultje en het paarse krijtje (1955). In Amerika is het kleine prentenboek populair gebleven, maar bij ons was het jaren van het toneel. Het boekje brengt een saluut aan de kracht van de verbeelding. Paultje is een groothoofdig, verbaasd kijkend ventje in hansop. Op een avond besluit hij tot een wandeling in de maneschijn. Klein probleem is het ontbreken van een weg en van de maan, maar het paarse krijtje in Paultjes hand biedt uitkomst voor alle wensen en problemen. Het tekent weg en maan, een bos, een draak, de zee én een bootje, wanneer Paultje daarin dreigt te verdrinken. Het krijtje geeft eerst de avonturen vorm en regelt uiteindelijk een veilig bed om daar weer van bij te komen: het antwoord op elk verlangen ligt in je eigen hand. De paarse lijnen zijn een wonder van eenvoud en helderheid en het stevige kereltje is zichtbaar voor geen enkel gat te vangen.

Met Het boek van Jan maakte Harrie Geelen al zijn derde prentvertelling over een jongetje dat iets wegheeft van Piet Hein, vanwege zijn kleine naam en zijn grote daden. In zijn bekende grove penseelstreken schildert Geelen de dichtbij-huizige-wereld van een jong kind. Er is een fijne tuin, er scharrelt altijd wel een poes rond en ouders bewegen zich ver op de achtergrond. Het bijzondere zit hem vooral in het stekeltjeshoofd van Jan. Dat is een denkhoofd. In eerdere boeken dacht dat na over het groeiproces van een plant en over de vraag wat niks eigenlijk is.

Deze keer is Jan doende een boek te schrijven: «Het moest een dik boek worden, maar het begon dun.» Eerst peinst de aankomend auteur over de hoofdpersoon: «Alle mensen heten Ik. Ik ook.» Poes plast een verhaal op de kattenbak, dat andere poezen lezen met hun neus. Buurmeisje Ursula maakt een kalender, maar daarin gebeurt volgens Jan niets. Ursula’s vreselijke opmerking dat er ook in Jans boek niets zou gebeuren, pareert de jeugdige schrijver met de onsterfelijke zin: «Ik gebeur elke dag.» En het wordt nog veel werk, dat boek: «Want ik besta nog een hele tijd. En ik moet steeds zelf bedenken hoe ik gebeur.» Het moge duidelijk zijn dat hier geen sprake is van mooie platen bij een aardig verhaaltje, maar van een auteur die zijn klein publiek zo hoog acht dat hij het in de briljante zinnetjes naast zijn nooit behaagzieke schilderingen wil laten nadenken over de lusten en de lasten van het schrijverschap.

De voorlezer met ambitie kan zich verheugen in de heruitgave van de sprookjes van Andersen, een nauwelijks te tillen boekwerk. Het betreft hier de eerste complete vertaling uit 1931 van dr. W. van Eeden, aangepast aan lezers van deze eeuw. De laatste editie van deze verzameling stamt uit 1975. Helaas moeten we het deze keer doen zonder Lydia Postma’s onovertroffen prenten, waarin feeëriekheid en boertigheid een glanzende verbinding aangaan. Natascha Stenvert heeft op haar kleurenillustraties weliswaar alle mogelijke technieken losgelaten, maar het resultaat is veelal voor de hand liggend en mist elke betovering. Gelukkig kunnen we daarvoor op Andersen zelf terugvallen. Het moet een mooie taak zijn om (niet al te jonge) kinderen binnen te voeren in die melancholieke verhalenwereld, waar bloemen, dieren en speelgoed een hart hebben dat ze vaak verliezen en dat bijna even vaak breekt.

Met enige moeite lukte het om in België Luna van de boom te bemachtigen. Het is een welkome uitgave, waarin taal, prenten en muziek een gelijkwaardige rol spelen. Bart Moeyaert maakte een mooi klinkende bewerking van een Slowaaks volkssprookje over een boom met gouden appels. Voor de begerige handen van broer één en twee zijn die onplukbaar. Zo niet voor de jongste, die in muziek en de liefde meer ziet dan in goud. Bij de vertelling schreef Filip Bral goed te volgen muziek, waarin je de boom en de liefde hoort bloeien. Zo ontstond een mini-opera met Moeyaert als verteller en daar maakte Vlaanderens topillustrator Gerda Dendoo ven op haar beurt een prachtig prentenboek van, geleverd met cd. Bij de bundeling van zoveel talent wordt de voorlezer tijdelijk overbodig. Wanneer in het boek de bladzijde moet worden omgeslagen klinkt in de mu ziek een helder motiefje. Als je dat doorhebt werkt het niet alleen voor die bladzijden, maar ook als aanzet tot zorgvuldig luisteren.

Bij Zwijssen, de uitgeverij die half Nederland leert lezen met «maan-roos-vis», hebben ze weer een nieuwe list bedacht om beginners aan het boek te krijgen. In het zogeheten samenleesboek leest de volwassene het doorlopende verhaaltje op de rechterbladzijden voor. Links onder de tekeningen staan bondige samenvattinkjes die vertolkt kunnen worden door de lezer-in-wording. In Van een koe en een geit berijmt Ivo de Wijs op zwierige wijze de vergeefse pogingen van een koe om een danspartner te vinden, tot zich een geit met danspoten meldt: «Ik hou net als jij, ook van huppeligheid./ Hoera, zei de koe. En: vooruit met de geit.» Geheel terloops is de voorlezer zo doende zijn werk aan een volgende generatie over te dragen.